TERRORISME IN ALGERIJE

De duistere Sahara

De Afrika-reis van president Bush markeert de groeiende belangstelling van de Verenigde Staten voor Afrika. De oude schurkenstaat Algerije speelt daar handig op in.

Geen andere Amerikaanse regering bemoeide zich zo veel met Afrika als die van Bush junior in de afgelopen acht jaar. Dat deed Bush met nobele doelen, natuurlijk: onderwijs, stabiliteit, aidsbestrijding en economische groei, maar bovenal voor het bestrijden van terrorisme en het veiligstellen van energiebelangen. In het Cheney-rapport van 2001 werd voorzien dat de Verenigde Staten rond 2015 een kwart van hun olie- en gasbehoefte uit Afrika halen; Bush noemde de Afrikaanse olie daarom een strategic national interest. En voor een ongelimiteerde toegang tot belangrijke grondstoffen is het militair verzekeren van de transportkanalen, die de export mogelijk maken, van groot belang.

Het besluit tot de oprichting van een apart militair commandocentrum voor Afrika bevestigt die trend. Africom wordt de jongste telg in een familie commandocentra voor Amerikaanse operaties in het buitenland. Afrika viel eerder onder Eucom (European Command), maar gezien het toenemende strategische belang van Afrika is begin 2007 een separaat centrum in het leven geroepen. Het is vooralsnog gevestigd in Stuttgart, waar ook Eucom zetelt; geen enkel Afrikaans land wil het centrum herbergen.

Volgens woordvoerder kolonel Pat Mackin zal Africom zich richten op het aangaan van partnerschappen met Afrikaanse legers en regeringen en zich bezighouden met grensbewaking, hiv-preventie voor Afrikaanse militairen en assistentie aan vredesmissies van de Afrikaanse Unie. Volgens Mackin heeft de oprichting meer te maken met goodwill jegens Afrika dan met honger naar grondstoffen: ‘Het doel van Africom is het verbeteren van de eigen capaciteit van Afrikanen om voor stabiliteit te zorgen, zodat ontwikkeling plaats kan vinden en de Afrikanen kunnen floreren.’ Op de vraag naar de relatie tussen de oprichting van Africom en de rijkdom aan grondstoffen van Afrika antwoordt Mackin ontwijkend: ‘Natuurlijk, de mate waarin Afrikaanse overheden in staat zijn hun natuurlijke bronnen te beschermen, of dat nou fossiele brandstoffen, strategische materialen of visserijen zijn, en hun mogelijkheden om deze voorraden zonder vertraging op de markt te brengen is belangrijk voor Afrikanen, de VS en de hele internationale gemeenschap.’

Ook Algerije speelt een rol in de geïntensiveerde Amerikaanse Afrika-politiek. Het terrorisme lijkt er na enkele rustige jaren weer toe te nemen. Aanslagen in Algiers op 11 april en 11 december 2007 deden de hoofdstad op zijn grondvesten schudden. Verdacht van deze hernieuwde activiteit wordt de Salafistische Groep voor Prediking en Strijd (gspc), die tijdens de burgeroorlog in de jaren negentig in Algerije streed tegen de regering en vóór de oprichting van een islamitische staat. De groep zou in september 2006 samen zijn gegaan met al-Qaeda en noemt zichzelf nu al-Qaeda in de Maghreb. De vraag is of die fusie ook werkelijk heeft plaatsgevonden.

Volgens Rohan Gunaratna, terrorismevolger en schrijver van het boek Inside al-Qaeda, wel, en er zijn aanwijzingen die zijn visie ondersteunen. De datums van de twee recente grote aanslagen, beide op de elfde van de maand, lijken een hommage aan 11 september 2001. De tweede man van al-Qaeda, Ayman al-Zawahiri, kondigde in een op 11 september 2006 naar buiten gebrachte videoboodschap de fusie van al-Qaeda met de Salafistische Groep voor Prediking en Strijd aan. Ook de manier waarop aanslagen gepleegd worden – zelfmoordaanslagen op buitenlandse doelwitten – zijn typerend voor al-Qaeda en werden eerder niet door de gspc gebruikt.

Rohan Gunaratna: ‘De dreiging van al-Qaeda in de Maghreb is zeer reëel. De gspc overlegt al sinds 1998 met al-Qaeda, er is een cel van de gspc in het tribale gebied tussen Afghanistan en Pakistan die in direct contact staat met de leiding van al-Qaeda. Deze laatste wil een netwerk over de hele wereld creëren van ideologisch aan hen verwante franchise-ondernemingen. De oprichting van Africom is een teken dat Amerika deze dreiging serieus neemt.’

Terreur in Algerije heeft echter een lange, gecompliceerde geschiedenis. Toen de islamitische partij Front Islamique du Salut in 1991 via legitieme verkiezingen aan de macht kwam, besloten regering en leger de uitslag naast zich neer te leggen. Dat resulteerde in een bloedige burgeroorlog van bijna tien jaar waarin islamitische opstandelingen, verenigd in de Groupe Islamique Armeé (gia), streden voor de oprichting van een islamitische staat. Een grote rol was in deze strijd weggelegd voor de Algerijnse geheime dienst, de drs. Deze infiltreerde diep in de gia. In 1998 splitste een deel van de opstandelingen zich van de gia af omdat ze de gebruikte methoden te wreed vonden en er te veel burgerslachtoffers vielen. De Algerijnse geheime dienst is er vaak van beschuldigd sommige van die wreedheden zelf begaan te hebben om de verdorvenheid van de gia aan te tonen en militaire steun van bijvoorbeeld Frankrijk te krijgen.

Aan het begin van deze eeuw was het geweld onder controle, maar Algerije was door de vuile oorlog een paria van de internationale gemeenschap geworden. De VS hielden vast aan een wapenembargo en Algerije’s herintrede op het internationale toneel verliep moeizaam. Dat veranderde na 9/11. Amerika zag in de voormalige schurkenstaat Algerije plotseling een betrouwbare partner in de strijd tegen het terrorisme. De toenadering tussen beide landen was al voorzichtig begonnen met een bezoek van president Bouteflika aan Amerika in juli 2001, als eerste Algerijnse president sinds 1985. Tijdens dat bezoek sprak Bouteflika met managers van Lockheed Martin, Raytheon en Northrop Grumman. Het wapenembargo werd in 2002 versoepeld. Vooralsnog zijn de wapenleveranties aan Algerije beperkt tot non-lethal systems, zoals nachtkijkers en gps-systemen. Maar de steun die Algerije uit het International Military Education and Training (imet)-programma van Amerika ontving, steeg tussen 2002 en 2006 van 67.000 dollar naar 823.000 dollar.

Minister van Defensie Donald Rumsfeld bezocht Algerije in 2006, en hij zag toen volop mogelijkheden voor verdere samenwerking: ‘Zij hebben bepaalde verlangens, en wij hebben dingen waarmee we van dienst kunnen zijn.’ ‘De Algerijnse regering heeft bewezen een uitstekende partner te zijn in de wereldwijde oorlog tegen het terrorisme’, meldt de website van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ook economische banden werden verder aangehaald: de Amerikaanse import uit Algerije, voornamelijk olie en gas, groeide van 4,7 miljard dollar in 2002 naar 10,8 miljard dollar in 2005.

De Algerijnse autoriteiten zouden echter een opmerkelijke rol hebben gespeeld in het versterken van de bilaterale banden door de terroristische dreiging actief aan te wakkeren. Jeremy Keenan, als antropoloog verbonden aan de Universiteit van Bristol, doet al jaren onderzoek naar terrorisme in de Sahel-regio. Hij denkt dat deze dreiging bewust overdreven wordt of soms zelfs in scène wordt gezet door de Algerijnse overheid, met medeweten van de Amerikaanse veiligheidsdiensten. In 2003 werd een groep westerse toeristen, waaronder een Nederlander, ontvoerd in de Sahara. Verantwoordelijk hiervoor was de gspc, die ook banden met al-Qaeda scheen te onderhouden, zo meldde de Algerijnse veiligheidsdienst. De gijzelaars werden maanden door de woestijn gesleept. De leider van de ontvoerders was een man die ‘El Para’ wordt genoemd, een bijnaam die hij overhield aan zijn tijd als parachutist in het Algerijnse leger. El Para was volgens de Algerijnse veiligheidsdienst in 1992 overgelopen naar de gspc, en profileerde zich sindsdien als voortrekker binnen de beweging. De toeristen kwamen in augustus 2003 vrij, en een deel van El Para’s mannen werd meteen opgepakt. Hijzelf ontkwam en vluchtte naar Mali en Tsjaad, waar hij uiteindelijk in handen viel van een Tsjadische rebellengroepering.

Keenan gelooft er niets van en zegt dat te zullen bewijzen in The Dark Sahara: America’s War on Terror in Africa, dat eind dit jaar verschijnt. Keenan: ‘Ik kan met 99,9 procent zekerheid stellen dat de Algerijnse veiligheidsdiensten achter deze ontvoering zaten. En dat de Amerikaanse veiligheidsdiensten daarvan afwisten. Over El Para staat vast dat hij ooit bij de drs werkte. Hij zou zijn overgelopen naar de gspc, maar volgens mij is hij daar slechts in geïnfiltreerd en stond hij nog altijd in dienst van de drs.’

Ook Salima Mellah en Jean-Baptiste Rivoire, journalisten die Algerije en het terrorisme aldaar nauwgezet volgen, stuitten op ongeregeldheden. In een artikel in Le Monde Diplomatique (Who Staged the Tourist Kidnappings?, februari 2005_)_ halen zij verklaringen van de ontvoerde toeristen aan, die zeggen dat de kidnappers precies leken te weten wat er ging gebeuren, vlak voor ze bevrijd werden. Ook signaleerden ze meermalen Algerijnse legerhelikopters boven zich, zonder dat daar actie op volgde. Ook laten Mellah en Rivoire een vertegenwoordiger van de Tsjadische rebellengroepering aan het woord die El Para in handen kreeg. De rebellen voerden veelvuldig overleg met de drs over de uitlevering van El Para. De rebellenleider zegt: ‘De drs was heel goed geïnformeerd. Tijdens een bespreking wezen ze ons zelfs op een fout in het telefoonnummer van El Para, dat we op een papiertje hadden geschreven. Toen we het belden nam een van onze mensen die El Para bewaakten op. De drs kende al die tijd zijn nummer. Waarom hebben ze hem dan niet eerder getraceerd en opgepakt?’ De conclusie is, volgens Mellah en Rivoire, dat El Para handelde met medeweten van de Algerijnse geheime dienst. De onderhandelingen met de rebellen over El Para’s uitlevering werden door de Algerijnse autoriteiten eindeloos gerekt. Uiteindelijk werd hij door de drs aan een lokale rebellencommandant ontfutseld, en sindsdien is El Para spoorloos.

Keenan: ‘Dit aan alle kanten rammelende incident kwam voor zowel de Amerikaanse als de Algerijnse overheid als geroepen. Washington zag de lancering van een front in de Sahara in de war on terror als een ideale stap. Wat ik de banana theory of terrorism noem overheerste het Amerikaanse denken in die tijd. In die theorie trekken terroristen die het te heet onder de voeten krijgen in Irak en Afghanistan via de Hoorn van Afrika de Maghreb binnen, om vanuit daar in de Sahara hun banden met al-Qaeda weer aan te halen. De route die ze op die manier nemen, heeft de vorm van een banaan. Een hooggeplaatste Amerikaanse legerofficier zei hierover: “Als je het de terroristen in Afghanistan, Pakistan, Irak en andere plaatsen te moeilijk maakt, zullen ze nieuwe plekken vinden om te opereren, en een van die plekken is de Sahel/Maghreb.” Het enige probleem: er was geen terrorist te vinden in de Sahara. Tot de toeristenontvoering dus. Amerika zag zijn bananentheorie bewezen en had op die manier een goede reden om de regio verder te militariseren. En Algerije kon zich profileren als betrouwbare partner in de oorlog tegen het terrorisme. Associaties van Algerije met de wreedheden van de vuile oorlog zouden hopelijk snel slijten en wapenleveranties snel worden hervat.’

Een vergelijkbare mist hangt er rond de aanslagen op VN-gebouwen in Algiers in december vorig jaar. De Algerijnse minister-president Abdelaziz Belkhadem liet weten dat de speciale VN-commissie die de toedracht van de aanslagen wil onderzoeken niet welkom is. Die commissie is ingesteld na beschuldigingen van Kemal Dervis, hoofd van het VN-agentschap dat de meeste werknemers verloor, dat Algerije had nagelaten het VN-terrein voldoende te beveiligen. Die beschuldiging zou Algerije’s fragiele imago als betrouwbare partner schaden, en Belkhadem wees alle beschuldigingen van de hand. ‘Algerije heeft zijn plicht gedaan’, zo zei hij.

Speculaties over de gebeurtenissen gedijen in ieder geval goed in de straten van Algiers. De Algerijnen zien al-Qaeda meer als een handige dekmantel voor werkelijke daders, en betrokkenheid van de machtige Algerijnse legertop binnen de drs, die ze simpelweg ‘de maffia’ noemen, wordt niet uitgesloten. En dat Amerika een vinger in de pap heeft is voor hen duidelijk: dat kan immers niet zonder Algerijnse grondstoffen.

Al-Qaeda_-watcher_ Gunaratna wil niets weten van zulke theorieën: ‘Wie over dit soort samenzweringstheorieën spreekt is volstrekt ongeloofwaardig. Ik ben veel in Algerije geweest, en de drs, dat zijn nette mannen in pakken, net als u en ik. Al-Qaeda in de Maghreb wordt de komende jaren waarschijnlijk nog gewelddadiger. Ze zullen binnen- en buitenlandse doelen treffen, zelfs buiten Noord-Afrika. Ik weet zeker dat al-Qaeda te maken heeft met de aanslagen in Algerije.’