Zomerlezen: De mannenleeslijst (5)

De duistere woede van het verwante bloed

Zoon zijn van een vader is in Karakter van Bordewijk vooral een wordingsproces tot man. Die man moet dan wél zelf leren leven.

Betty Schuurman als Joba en Jan Decleir als Dreverhaven in Karakter, regie Mike van Diem, 1997 © Photo12 / HH

Een half leven geleden las ik Bordewijks Karakter voor mijn leeslijst op de middelbare school. Rond diezelfde tijd zag ik de iconische verfilming uit 1997, met Fedja van Huêt als Katadreuffe en Jan Decleir als Dreverhaven, een rol die zo perfect met hem samenviel dat Bordewijk een visioen van de acteur moet hebben gehad, jaren voordat die überhaupt was geboren.

Het geheugen is een rommeltje, blijkt vaker wel dan niet als het met zichzelf wordt geconfronteerd. Bij herlezing wachtte ik op de vadermoord die aan het eind zou plaatsvinden; het mes van Dreverhaven, vanaf het begin aanwezig als potentieel moordwapen, dat uit zijn buik steekt, het kolossale lijf levenloos in de liftschacht. Maar niets van dit al, geen geweld, geen moord: Katadreuffe bezoekt weliswaar zijn vader ‘voor een laatste afrekening’, maar die blijft symbolisch, en na een korte uitwisseling vertrekt hij weer, zonder een woord.

De moord op Dreverhaven is decennia later in het filmscript geschreven, en blijkt bovendien geen moord maar een soort harakiri: het is de zoon die de vader aanvliegt, maar de vader die het zelf afmaakt door een mes in eigen buik te steken. In de film worden moordlust en doodsdrift werkelijkheid, in het boek blijven ze halfbewuste, half onderdrukte fantasieën die weliswaar allesbepalend zijn voor de manier waarop vader en zoon zich tot elkaar verhouden, maar die nooit veranderen van dromen in daden. Juist omdat die ene, laatste grens niet wordt overschreden, en het boek eerder eindigt met een implosie dan een catharsis, blijft de ambiguïteit overeind. Anders dan soms op het eerste gezicht lijkt, geeft Bordewijk nauwelijks eenduidige antwoorden op vragen over wat het betekent vader te zijn, zoon, man.

Het begint allemaal met iets wat we vandaag de dag vrij ondubbelzinnig zouden bestempelen als een verkrachting: de ongetrouwde deurwaarder Dreverhaven, ‘een kerel van graniet, met een hart slechts in letterlijke zin’, komt op een avond ziedend thuis nadat een geldschieter hem heeft laten zitten, en overmeestert zijn achttienjarige dienstmeisje Jacoba.

Deze Jacoba Katadreuffe, ‘Joba’, zwijgzaam, sterk en in het bezit van een paar vurige ogen, raakt zwanger, vertrekt en bevalt van een zoon die ze Jacob Willem noemt. Dreverhavens pogingen ten spijt haar alsnog te huwen – hij blijft haar maandelijks een postwissel met een huwelijksaanzoek en geld sturen, die zij stellig retourneert tot ze er uiteindelijk de woorden wordt altijd geweigerd overheen schrijft – groeit Jacob vaderloos, met de achternaam van zijn moeder en in betrekkelijke armoede op. Doorleren is er niet bij; na de lagere school gaat hij aan het werk als loopjongen en fabrieksarbeider. Maar de jongen heeft een teer gestel en een honger naar kennis die niet bij zijn klasse passen. In een hopeloos naïeve poging, op zijn 21ste, om eindelijk een ‘vrij man’ te worden, sluit hij een lening af bij een woekerbank om een sigarenzaakje te beginnen. Binnen een paar maanden is hij failliet.

Het is deze eerste grote mislukking die alles in gang zet. Tijdens een verplicht bezoek aan de curator die zijn faillissement beheert, heeft Jacob een zeer helder toekomstvisioen: hij zal komen te werken op dit advocatenkantoor. Hij zal laag beginnen en zich omhoog werken, en bovenal zal hij zich losmaken van de harde moeder op wie hij zelf zoveel lijkt: ‘Weg met die moeder, weg, weg, moeder en zoon ver van elkaar, zo ver mogelijk.’

Onmiddellijk volgend op deze epifanie ziet Katadreuffe, gezeten in de wachtkamer van het advocatenkantoor, voor het eerst zijn vader. Daar staat hij, in het bediendenkantoor, Katadreuffe gaapt hem aan: ‘Hij droeg de jas open, de geklede jas daaronder ook, of hij de jassen niet dicht had kunnen knopen over een borst als een hoogvlakte. Hij had de handen in de zakken van zijn demi. Papieren en enveloppen staken uit al de binnenzakken van zijn jassen. Zij staken dreigend naar voren als vaandels van een leger op het oorlogspad.’

Jacoba en Dreverhaven, je ziet ze zo voor je, pratend en zwijgend, koppig en verbeten

Een man als een heel leger, een bloedhond, zoals de vrouw naast Katadreuffe hem in het oor fluistert. De bloedhond is ongelooflijkerwijs zijn vader, moet hij concluderen als zijn naam valt, en dat niet alleen: hij blijkt ook de eigenaar van de woekerbank waar hij een paar honderd gulden leende voor zijn jammerlijke sigarenavontuur.

Ferdinand Bordewijk, januari 1956 © Spaarnestad Photo / HH

De jongen moet loskomen van zijn moeder om de zoon van zijn vader te worden, daar gaat het om – in deze indrukwekkende, samengebalde scène van nog geen zes pagina’s en in de roman die volgt. Alles hieraan is paradoxaal: de zoon heeft zijn vader nodig om zichzelf te bevrijden, moet (al is het dan symbolisch) zijn vader doden om hem te erkennen, een traditie voortzetten om die te doorbreken. Van deze ingewikkelde mechanismen is Katadreuffe zich nauwelijks bewust: voor hem is zijn vader tot de laatste scène aan toe simpelweg een tiran die hem als schuldeiser financieel kapot wil maken. Zijn ambitie het te schoppen tot advocaat en zo te ontsnappen aan zijn milieu, is in zijn eigen ogen ondubbelzinnig. Dat zijn verhaal het verhaal is van een bastaard die zoon wordt, en van een zoon die altijd verbonden zal blijven aan zijn ouders, weet hij zelf niet, en die blindheid is zowel zijn motor als zijn tragiek.

Zoon zijn van een vader is in deze roman veel minder een biologisch gegeven dan een wordingsproces tot man. Wanneer Katadreuffe voor de laatste keer zijn vader bezoekt, om hem te vertellen dat hij is beëdigd als advocaat, dat hij hem nooit meer wil zien en hem niet meer erkent als vader, steekt Dreverhaven zijn hand naar hem uit. Katadreuffe ontsteekt in woede, ‘de duistere woede van het verwante bloed’ – moet hij nu de hand aannemen van een vader die hem al die jaren alleen maar heeft tegengewerkt? Waarop Dreverhaven zijn beroemde woorden uitspreekt, zachtjes voor de verandering: ‘Of méégewerkt.’

De suggestie dat Dreverhaven zijn zoon klein wilde krijgen met de bedoeling hem groot te maken, is een opvoedkundig principe zo oud als de Bijbel. In de Brief aan de Hebreeën staat het als volgt: ‘Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt iegelijken zoon, die Hij aanneemt (…) Maar indien gij zonder kastijding zijt welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij bastaarden en niet zonen.’

Toch is het te simplistisch om Karakter te lezen als een lesje tough love van een vader aan een zoon. Dreverhavens motieven kunnen niet op zo’n eenduidige manier worden verklaard, sterker nog, ze kunnen misschien wel helemaal niet worden verklaard. Bordewijk is een meester in observatie en karakterisering – ik moest bij herlezing geregeld hardop lachen om de vileine typeringen van de grote hoeveelheid personages die in het voorbijgaan aan de orde komen – maar van psychologische verklaringen houdt hij zich verre. Personages als Jacoba en Dreverhaven komen zeldzaam levend over, je ziet ze zo voor je, pratend en zwijgend, koppig en verbeten, maar waarom ze zijn zoals ze zijn? Daarover komen we niets te weten. De suggestie dat Dreverhaven zijn genadeloosheid al die tijd heeft ingezet met het hogere doel een sterke man van zijn zoon te maken, reduceert hem en maakt hem tegelijkertijd berekenender dan hij is. Het is nu juist de grilligheid van de man, zijn honger naar macht en geld, zijn vrekkigheid, zijn plotselinge uitspattingen, zijn verlangen gehaat en gevreesd te worden en het gapende gat van zijn eenzaamheid die hem een onberekenbaar, gevaarlijk figuur maken.

Veel interessanter dan dat nogal kitscherige ‘of méégewerkt’ aan het einde, is iets wat Dreverhaven eerder tegen Jacoba zegt, wanneer hij haar plompverloren opzoekt om haar, zo’n dertig jaar na dato, nog eens ten huwelijk te vragen – een verzoek waar Jacoba niet op ingaat, al is ze er minder ongevoelig voor dan ze laat blijken. Ze vraagt hem waarom hij hun zoon zo kwelt, waarop hij uitroept dat hij hem zal wurgen ‘voor negen tiende, en dat éne tiende dat ik hem laat, dat kleine beetje asem zal hem groot maken’. Om daar, na haar weigering alsnog met hem te trouwen, aan toe te voegen: ‘En Joba, dat ene tiende, dat kleine beetje asem knijp ik hem misschien ook nog uit.’

Aan het einde van de roman heeft Katadreuffe precies bereikt wat hij zich had voorgenomen; zijn eigen naambordje glinstert goud in het zonlicht bij de ingang van het advocatenkantoor. Voldaan voelt hij zich niet, integendeel: hij is zich er ten enenmale van bewust hoe weinig het is. Niet alleen overziet hij de ‘ontzaglijke afstand van man tot heer, van volk tot elite’, hij moet ook inzien dat hij misschien wel hogerop is gekomen, maar in al die tijd maar nauwelijks mens is geworden. Zijn grote liefde, Lorna Te George, heeft hij laten schieten uit angst en onkunde. Slechts één vriend heeft hij, met mensen kan hij eigenlijk in het geheel niet omgaan (de arme jongen bezit bovendien geen greintje humor).

‘Het was alles een droefheid’, verzucht hij als hij de balans van zijn leven opmaakt. Zijn verlangen ‘een heer’ te worden heeft van hem een eenzame, in veel opzichten onvolgroeide jongen gemaakt. Zijn ambitie heeft hem blind gemaakt voor het feit dat er weinig wezenlijke betekenis schuilt in het zijn van een heer. Zijn weerbarstige ouders mogen hem hebben gehard, hij mag zijn ontsnapt aan een toekomst als arbeider, geleerd om te leven heeft hij niet. De zoon zal kinderloos blijven.