De duivel bestaat

Ooit verwierf hij faam als kritisch en democratisch marxist. Maar de Poolse filosoof Leszek Kolakowski heeft het tegenwoordig meer over de duivel en God. En eigenlijk is dat ook zo'n beetje hetzelfde. Een gesprek over menselijke vrijheid en het onuitroeibare kwaad. ‘Alleen de gelovige leeft in zekerheid.’ ..LE ‘DE SLANG ZEI in het paradijs tot onze voorvaderen: “U zult als goden zijn”’, vertelt de filosoof Leszek Kolakowski in de zitkamer van zijn huis in Oxford. ‘Er is ooit een agnostische sekte geweest die daarom meende dat de slang en niet Jahweh de ware vriend van het mensengeslacht was. De brenger van de grote belofte.’ Kolakowski maakt graag gebruik van voorbeelden uit de bijbel en de geschiedenis van het christendom. Hij kent die traditie goed. Godsdienst heeft hem altijd geãnteresseerd.

Hij verontschuldigt zich dat hij geen Nederlands spreekt, al kan hij het redelijk lezen: de vrucht van een studieverblijf in Amsterdam in 1958, waar hij onderzoek deed naar de Nederlandse en Franse ‘tweede reformatie’ in de zeventiende eeuw. Een half jaar lang werkte hij er in de bibliotheek van de doopsgezinde gemeente aan het Singel. Hij was er al die tijd de enige bezoeker. Het resultaat was de vuistdikke studie Christenen zonder kerk, die in 1965 in het Pools en in 1969 in het Frans verscheen.
Sommigen hebben in zijn belangstelling voor obscure hervormers als Dirk Camphuysen, Frederik van Leenhof, Pierre de BÇrulle en Antoinette Bourignon, en in zijn sympathie voor hun strijd voor de vrijheid van de persoonlijke religieuze beleving een parallel willen zien met Kolakowski’s conflict met de marxistische 'moederkerk’ in eigen land. Zelf vindt hij dat wat vergezocht, al erkent hij de overeenkomsten. Zijn belangstelling voor deze religieuze disputen was oprecht, zegt hij, geen voorwendsel voor iets anders. In zijn laatst verschenen boek, God Owes Us Nothing uit 1995, is hij naar diezelfde discussies teruggekeerd. Augustinus, Pascal en het jansenisme staan erin centraal, en weer draait het om voor hedendaagse oren zo exotische strijdpunten als goddelijke genade, menselijke vrijheid en de zondigheid van de schepping.
Dat zijn niet de thema’s waarmee Kolakowski beroemd is geworden. In de jaren zestig verwierf hij faam als woordvoerder van kritische Poolse intellectuelen die het marxisme in democratische richting wilden hervormen. Het kostte hem zijn baan als hoogleraar filosofie aan de universiteit van Warschau en later zelfs zijn Pools staatsburgerschap. Eerder al had hij opzien gebaard met kritische artikelen over het marxisme, verzameld in bundels als De mens zonder alternatief uit 1960, die acht jaar later in het Nederlands verscheen. Nog eens acht jaar later, in 1976, gaf hij het marxistisch geloof uit zijn jonge jaren de genadeslag in een driedelige, ook in het Nederlands vertaalde Geschiedenis van het marxisme, waarin hij het 'de grootste fantasie van onze eeuw’ noemde.
Het marxisme, schreef Kolakowski, was 'de droom van een volmaakt ÇÇn-geworden maatschappij’, die de strijd tegen negentiende-eeuwse misstanden verbond met een messianistische verwachting en met de bij uitstek moderne gedachte dat de mensheid zichzelf naar believen kan vormen en maken. Het resultaat was catastrofaal, maar met de deemstering van het communisme was het gevaar niet verdwenen. Want de faustische illusie van de menselijke almacht en autonomie bleken volgens Kolakowski niet alleen de erfzonden van de marxistische maar ook van de liberale moderniteit.
EN DAAROM verscheen in Oxford plotseling de slang op het toneel. Want de duivel schuilt voor Kolakowski v¢¢r alles juist in de naãeve overtuiging dat hij eigenlijk niet bestaat. Dat wil zeggen: in de verwachting dat het kwaad ooit volledig zal kunnen worden uitgeroeid, in het menselijk zelfvertrouwen de eigen maatstaven van goed en kwaad te kunnen scheppen en in het wenkend perspectief van een maakbare toekomst, of die nu door marxistische of door liberale idee‰n wordt geãnspireerd. Een mensheid die zichzelf tot goddelijke almacht heeft verheven: dat was de belofte waarmee de slang het eerste mensenpaar al probeerde te paaien. 'Ik geloof niet in dat prometheãsch ideaal’, zegt hij, langzaam formulerend op de bank in zijn woonkamer. 'Dat loopt altijd op rampen uit. Wanneer je uitgaat van het onbegrensde koninkrijk van de menselijke macht, eindig je als Nebukadnessar. Wat we nodig hebben is juist een bewustzijn van de menselijke grenzen. En meer nog: van de misŠre van het menselijk levenslot. Van onze onmacht tegenover allerlei toevallige maar onvermijdelijke wisselvalligheden van het leven.’
Op die schaduwkanten van het bestaan wees hij zo'n vijfendertig jaar geleden al in zijn geestige en scherpzinnige Gesprekken met de duivel, waarvan vooral de 'Wijsgerige persconferentie die de duivel 20-12-1963 in Warschau gaf’ beroemd is geworden. 'Wie maalt er nog om mij?’ zo liet hij de duivel daarin zijn beklag doen. 'Geen priester die mijn naam nog in de mond durft te nemen, bang om voor ouderwets te worden versleten. Ik, de duivel, ben altijd de eerste over wie men er het zwijgen toe doet.’ Maar, zo vervolgde hij, toen nog profetisch, 'wie vandaag over de duivel zwijgt, zwijgt morgen over God.’
De moderne samenleving spreekt liever niet over de laatste dingen, constateerde Kolakowski bij monde van zijn duivel. Ze maakt het ultieme kwaad tot een simpele menselijke vergissing, die altijd weer kan worden hersteld. En ze maakt het goede tot een zaak van democratische voorkeur, waarbij de meeste stemmen gelden, of tot een utilitaristische rekensom waarbij het grootste geluk van het grootste aantal de doorslag geeft. En vervolgens is ze verbaasd dat ze in een moreel vacuÅm terechtkomt, waarin alle betekenis uit het leven is weggevloeid.
In de jaren zeventig en tachtig heeft Kolakowski deze waardencrisis van de moderniteit diepgaand onderzocht, in opstellen en voordrachten die hij een paar jaar geleden bijeenbracht in de bundel Modernity on Endless Trial. Aan de toetsing van de moderne tijd komt geen eind, want, zo geeft hij in zijn openingsopstel toe, het is nogal dwaas om zonder meer 'voor’ of 'tegen’ haar te zijn. Veel leed is verholpen of verzacht, veel onrecht is verdwenen. En, zo voegt hij er in Oxford aan toe, de typisch moderne idee van mensenrechten is een aanwinst, hoe je het ook wendt of keert.
'Maar’, waarschuwt hij, 'we moeten wel onderkennen dat die idee gemakkelijk terzijde kan worden geschoven wanneer ze geen fundament heeft in - om het zo te zeggen - de inrichting van de kosmos. Als er niet zoiets is als goed en kwaad: iets dat niet door ons is uitgevonden maar werkelijk objectief bestaat. Als alles uiteindelijk onze eigen schepping is, kan het door ons ook weer naar believen worden afgeschaft.
Bertrand Russell heeft ooit verteld dat hij als jongeman tot de conclusie kwam dat je uit humanistisch oogpunt een zo groot mogelijk aantal mensen zou moeten ombrengen. Mensen lijden vreselijk, en door hen van het leven te beroven, zou je dus de mondiale hoeveelheid leed sterk verminderen. Zo'n gedachte strookt volkomen met een utilitaristische benadering, maar hangt verder natuurlijk volkomen in de lucht. Het utilitarisme leidt ook tot zelfzuchtigheid. Als je een goed diner eet, is dat moreel prijzenswaardig, omdat je daarmee de mondiale hoeveelheid geluk in de wereld vergroot. Ik vraag me af of zo'n leer ons in het leven werkelijk kan bevredigen.’
De ironie die veel van Kolakowski’s vroegere essays kenmerkt klinkt nog door in zijn stem, die zijn Poolse afkomst geen moment verloochent. Ironisch eindigde ook de duivel op zijn persconferentie in 1963 met de constatering dat de moderne zwijgzaamheid over zijn persoon zijn sinistere invloed eigenlijk alleen maar ten goede kwam. Wie niet meer gelooft in het kwade als objectieve macht, valt er des te gemakkelijker aan ten prooi, liet Kolakowski zijn duivel verklaren. Want in de loochening van iedere werkelijkheid die de mens te buiten en te boven gaat, schuilt al de kiem van het kwaad. Die realiteit heeft niet alleen een duivels gezicht. Ook het goddelijke, dat al het goede in ons van een fundament voorziet, onttrekt zich aan onze autonomie.
Graag citeert hij Dostojevski’s beroemde uitspraak: 'Wanneer God niet bestaat, is alles geoorloofd.’ De menselijke morele orde heeft een fundament nodig buiten zichzelf, zegt hij met nadruk: 'Het verschil tussen goed en kwaad is iets dat we aantreffen, ready-made, niet iets waar we over beschikken.’ Het is geworteld in een goddelijke sfeer die de aardse onherroepelijk te buiten en te boven gaat. Daar zit voor Kolakowski geen ironie meer bij, en op dat punt zal ook niet iedereen hem meer volgen. De beperktheid van de menselijke rede erkennen is ÇÇn ding, de noodzaak daarom het geloof te omhelzen nog iets anders.
Hoe hij zelf gaandeweg tot die overtuiging is gekomen, vindt hij te ingewikkeld om uit te leggen, maar in de titels van zijn boeken is het spoor te volgen. In De tegenwoordigheid van de mythe uit 1972 liet Kolakowski zien hoe een mensenleven alleen maar zin krijgt wanneer het is opgenomen in een (mythologisch) geheel dat al datgene wat er is, omspant. Tien jaar later hield hij in zijn boek Religion: If There Is No God… de ontmythologiseerders van de godsdienst voor dat datgene wat een gelovige over God zegt letterlijk genomen moet worden. God is geen metafoor, geen stenogram voor een sociaal programma, geen vaderprojectie. Kort daarvoor, in 1984, had hij daarop tijdens zijn Van der Leeuwlezing in Groningen al een voorschot genomen met de programmatische titel De illusie van de ontmythologisering.
DAT VELEN MET die stap moeite hebben, is niet verwonderlijk. 'Er bestaat geen continuãteit tussen de filosofie, hoe theologisch ze ook ingesteld mag zijn, en werkelijk geloof’, zegt hij in Oxford. 'Pascal was zich daar al heel scherp van bewust. Geloof vormt, om zo te zeggen, een andere werkelijkheid. Je kunt het niet oproepen door te filosoferen, maar alleen overdragen door priesterschap, door werkelijk religieus te leven. Christendom is geen filosofie, geen leer, maar een gemeenschap die zegt in re‰el contact te staan met het goddelijke. Om in God te vertrouwen heb je meer nodig dan een wijsgerig godsidee alleen.’
De filosofie laat ons achter met een open vraag, zo constateerde hij in zijn ook in het Nederlands vertaalde studie Horror metaphysicus uit 1988. Haar hele geschiedenis door heeft ze gezocht naar een basis voor absolute zekerheid. Maar of ze daarbij haar ankerpunt nu zocht in het 'ik’, zoals Descartes, of in de empirie, zoals de wetenschap, het blijft altijd terugwijken. 'De filosofie’, zegt hij in Oxford, 'leeft van een verlangen dat nooit gestild kan worden, maar waar we niettemin niet buiten kunnen. Omdat we nu eenmaal willen weten. Alleen de gelovige leeft in zekerheid. Mensen die werkelijk religieus zijn, zijn normaal gesproken ook immuun voor rationele kritiek daarop. Ze maken zich niet druk om bewijzen van het bestaan van God - die hebben ze eenvoudigweg niet nodig. Op die manier heeft het christendom de gelovigen steeds de kracht gegeven hun misŠre te aanvaarden en geen zelfmoord te plegen.’
Daar zitten schaduwkanten aan, zoals aan alle goede dingen, geeft hij toe. Te vaak heeft de godsdienst mensen de kracht ontnomen te strijden tegen leed dat wel te verhelpen is. Hij betreurt hoe het katholicisme zich na de Verlichting en de Franse Revolutie meer dan een eeuw lang in een verkrampt bastion heeft teruggetrokken en daarmee het contact met het intellectuele leven heeft verspeeld. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft dat reactionaire isolement doorbroken, maar is, meent hij, op bepaalde punten doorgeschoten. 'Ik vond het jammer dat het Latijn als liturgische taal werd opgegeven, omdat dat de kerk haar universaliteit gaf. Ik hield van de oude Latijnse hoogmis’, geeft hij toe. Hij begrijpt de oude kardinaal Ottaviani wel, tijdens het concilie een van de boegbeelden van het conservatieve verzet, die ooit verzuchtte: 'Ik ben blij snel te zullen sterven, omdat dat tenminste nog binnen de katholieke kerk zal gebeuren.’
VERONTRUSTENDER vindt Kolakowski dat er in de kerk een onzekerheid omtrent de boodschap van het christendom zelf begint binnen te sluipen. 'Ik heb priesters ontmoet voor wie het christendom niets anders betekende dan een politieke leer. Maar in mijn ogen heeft Jezus Christus geen politiek ideaal achtergelaten. En waar is het christelijke woordgebruik nog goed voor, als je het tegelijkertijd van zijn betekenis ontdoet? Ik had een enorm ontzag voor priesters die ik in Brazili‰ heb ontmoet en die in afgelegen Amazone-gebieden werkten onder de straatarme Indianen. Dat waren echte christenen, geen losgeslagen revolutionairen, trotskisten, maoãsten, castristen.’
In Modernity on Endless Trial omschrijft hij zijn eigen credo als dat van een conservatief-liberaal-socialist. Liberaal is hij omdat een alomvattende organisatie van de maatschappij tot stagnatie en onderdrukking leidt. Socialistisch omdat de onmogelijkheid van een utopische samenleving geen alibi is voor sociale laksheid. En conservatief omdat continuãteit voor een zinvol bestaan en een leefbare samenleving onmisbaar is: een aspect dat Popper met zijn idee van de open society te veel heeft onderschat, meent hij.
Wat in de wetenschap een deugd is (radicale scepsis, non-conformisme, wantrouwen jegens tradities) is dat in het sociale en menselijke leven nu eenmaal lang niet altijd. De twee gebieden beantwoorden volgens Kolakowski aan verschillende logica’s en het is catastrofaal het ene op het andere te willen toepassen. Het theocentrisch conservatisme heeft dat de ene kant op gedaan, en nu doet de sci‰ntistisch-liberale moderniteit het in tegenovergestelde richting. 'Kennelijk is het mensen niet echt gegeven hun paradoxale situatie te aanvaarden, waarin niet alles binnen ÇÇn denkmodel te vatten is’, verzucht hij. Dat geldt voor filosofen net zo goed als voor theologen, en het resultaat is altijd eenzijdigheid en een absurde richtingenstrijd die elke nuance uit het oog verliest.
IN ZIJN LAATSTE boek heeft Kolakowski dat mechanisme beschreven aan de hand van de zeventiende-eeuwse godsdiensttwisten over vrijheid en genade. De mens is vrij en verantwoordelijk, maar voor zijn eigen heil tegelijk afhankelijk van God, heeft het christendom steeds beweerd. Wie die twee uitgangspunten in ÇÇn leer wil samenbrengen, stuit op contradicties die alleen zijn op te lossen met het opgeven van ÇÇn van beide. Zo zijn jansenisten (zoals Pascal) en jezuãeten elkaar jarenlang in de haren gevlogen, tot schade van iedereen, en met atheãstische verlichtingsdenkers als Voltaire als lachende derde, schrijft hij.
Zelf heeft Kolakowski dat besef ooit omschreven met een uitdrukking die hij ontleende aan de middeleeuwse denker Abelardus: 'sic et non’, ja en nee. Wanneer het over het menselijk bestaan en zijn zinvolheid gaat, is elke sluitrede machteloos. We zijn verdeeld tussen aarde (het terrein van de wetenschap) en levenswereld (het terrein van het geloof) en die twee zullen elkaar nooit dekken. Noch zullen rede en deductie ooit sluitend vat krijgen op de vraag wat ons leven de moeite van het leven waard maakt. En om die ambiguãteit, die hij al aan het eind van de jaren vijftig in een Lofzang op de inconsequentie bezong, draait het uiteindelijk. 'Sic et non is een passende benoeming van het merendeel van het spul waaruit onze geest bestaat’, schreef hij dertig jaar later.
En de filosofie? 'Ach’, zegt hij vermoeid, 'als mensen filosofieboeken lezen en schrijven en als docenten ervoor betaald worden, zal dat wel ergens voor nodig zijn. Ja, ik schrijf ze zelf ook. Laten we maar zeggen dat ik dat voor mijn eigen plezier doe. Nou ja, plezier… Publiceren doe ik omdat ik dat nu eenmaal gewend ben, maar een rechtvaardiging kan ik er niet voor geven. Waar al die boeken goed voor zijn, ik zou het eigenlijk niet weten…’