Voorverkiezingen in Amerika

‘De duivel in persoon’

Een jaar geleden was ze de gedoodverfde Democratische kandidaat. Nu vecht ze voor haar politieke leven. ‘Hillary Clinton is de belichaming van de polarisatie.’

MANCHESTER (New Hampshire) – Kan Hillary Clinton nog president worden? Na Iowa en New Hampshire zal ze in ieder geval Michigan winnen, want daar is ze volgende week dinsdag de enige kandidaat op de stembiljetten. De staat wordt geboycot omdat tegen de zin van de Democratische partijleiding de voorverkiezing vervroegd werd. Omdat geen afgevaardigden te verdienen zijn voor de nationale conventie, schreven de andere kandidaten zich niet in. Winst in Michigan heeft bij de Democraten dus enkele geen betekenis, wat Clinton volgende week ook mag zeggen.

Op Super Tuesday (5 februari) heeft ze een laatste kans om zich serieus terug te vechten in de race. Maar met de gevoelige klap die haar zo vroeg in het jaar is toegediend, zal het lastig worden: de geest is uit de fles. De kandidaat die een jaar geleden als onvermijdelijke opvolger van president Bush werd gezien, ziet haar campagne in duigen vallen. Nu Obama heeft bewezen niet onverkiesbaar te zijn, durven kiezers ervoor uit te komen dat ze Hillary eigenlijk helemaal niet zo geweldig vinden.

‘Zelfs onder haar eigen supporters is Hillary nooit geliefd geweest’, zegt directeur Andrew Smith van het centrum voor opinieonderzoek van de Universiteit van New Hampshire. En ook journalisten hebben volgens hem nooit van haar gehouden. Bill Clinton had veel krediet, nadat hij in 1992 Iowa verloren had. Hij was een ‘comeback kid’, bedacht zijn campagneteam, en de media namen dat na (slechts) een tweede plaats in New Hampshire gemakkelijk over. ‘Nu Hillary niet goed gaat, maken de televisienetworks haar helemaal af.’

Obama daarentegen raakt met zijn boodschap van verzoening, met zijn poging de fnuikende polarisatie in Washington te verminderen een gevoelige snaar, zo blijkt uit peilingen en campagnebijeenkomsten.

Sinds de presidentsverkiezingen van 2000 is Amerika voor het gemak verdeeld in rode staten (die door Bush gewonnen werden) en blauwe staten (die destijds naar Al Gore en later naar John Kerry gingen). Politicologen en sociologen hebben op die tweedeling alle mogelijke aanvullende etiketten geplakt. Columnist Dave Barry vatte het onlangs bondig samen. Republikeinen zijn ‘ignorant racist fascist knuckle-dragging NASCAR-obsessed cousin-marrying road-kill-eating tobacco-juice-dribbling gun-fondling religious fanatic rednecks’ en Democraten zijn ‘godless unpatriotic pierced-nose Volvo-driving France-loving leftwing Communist latte-sucking tofu-chomping holistic-wacko neurotic vegan weenie perverts’.

Dat is het beeld. Maar volgens politicoloog Marc Hetherington van Vanderbilt University in Nashville is dit wat al te simplistisch. Niet de Amerikaanse kiezers, maar de politici zijn steeds meer uit het politieke midden weggetrokken, zegt hij door de telefoon vanuit Tennessee. De professionele politici zijn extremer en polariserender geworden, terwijl kiezers in onderzoeken aangeven op zoek te zijn naar een kandidaat in het midden. Hetherington werkt onder de werktitel Divided We Stand aan een boek over de geschiedenis van polarisatie en politiek conflict in de Verenigde Staten. Hij heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar kiezersvoorkeuren én naar de wijze waarop de twee partijen bij het maken van beleid met elkaar omgaan in het Congres.

Was een tweepartijenstelsel, zoals het Amerikaanse, ooit bijna een garantie voor een verscheidenheid aan politieke stromingen en voorkeuren binnen de twee partijen, in de jaren negentig veranderde dat drastisch. Dat kwam vooral doordat zowel Democraten als Republikeinen na 1994 (toen Republikeinen op een conservatieve agenda het Congres in handen kregen) braken met de ongeschreven regel dat een gematigd, centristisch figuur bij de respectieve Congresdelegaties de leiding heeft. ‘De huidige Speaker van het Huis, Nancy Pelosi, is ongeveer de meest liberale Democraat die je je kunt voorstellen, terwijl haar voorganger Tom Delay een van de meest conservatieve Republikeinen was’, lacht Hetherington.

Maar in zijn boek noemt hij ook een paar langer lopende historische processen die de polarisatie in de hand hebben gewerkt. De toename van het aantal primaries aan het begin van de jaren zeventig bijvoorbeeld. Vóór die tijd werd de facto door partijelites beslist wie namens de partij presidentskandidaat zou worden of wie de kandidaat zou zijn voor een zetel in de Senaat. Maar na grote verwarring op de Democratische conventie in 1968 over wie de kandidatuur ‘verdiend’ had, werd besloten de kiezers al in de voorrondes bij het selectieproces te betrekken. ‘Daardoor kwam een ander soort kandidaat naar voren’, zegt Hetherington. ‘Kandidaten moesten zich ideologisch onderscheiden om in het grotere speelveld een kans te hebben.’

Ongeveer in dezelfde tijd verloor de Democratische Partij het zuiden aan de Republikeinen, als gevolg van de steun van onder anderen John F. Kennedy voor de burgerrechtenbeweging. ‘Tamelijk conservatieve Democraten werden in het zuiden ingeruild voor nog conservatievere Republikeinen en in het noordoosten van het land werden in de navolgende jaren liberale Republikeinen ingeruild voor nog liberalere Democraten. Dat versterkte de tegenstellingen.’

De Amerikaanse kiezer is de polarisatie zat. En politici weten dat. Tijdens de optredens van de laatste dagen in New Hampshire pochten vrijwel alle presidentskandidaten over hun verbindende kwaliteiten en over hun goede verhoudingen met collega’s van de tegenpartij. Op televisiezender abc was zaterdag live te zien hoe de Democratische en Republikeinse kandidaten elkaar tussen twee politieke debatten minutenlang innig omhelsden en quasi-gezellig keuvelden. John McCain met Hillary Clinton, Mitt Romney met Barack Obama en John Edwards met Mike Huckabee. Alleen de libertariër Ron Paul stond er wat verloren bij.

En toen de Democraten in november 2006 een meerderheid in het Congres behaalden, was er de belofte van onder anderen Nancy Pelosi om het land ‘in partnerschap, niet in partijdigheid’ te leiden. De tijd van politieke spelletjes moest voorbij zijn, nu moesten Democraten en Republikeinen samen aan oplossingen voor de problemen van Amerika gaan werken.

Veel is daarvan niet terechtgekomen. Met een vliegende start maakte Pelosi een jaar geleden een aantal ongevaarlijke verkiezingsbeloften waar, maar daarna belandden Huis en Senaat weer in dezelfde verlammende loopgravenoorlog als in alle jaren ervoor. ‘Zo’n belofte is deels gewoon retoriek’, concludeert Hetherington. Maar daarnaast, merkt hij op, is het vanwege het soort politieke thema’s dat nu ter discussie staat wel heel moeilijk om gemeenschappelijk beleid te maken. ‘Over belastingverlaging kun je discussiëren, maar bij abortus, immigratie of gay rights kun je je moeilijk een middenweg voorstellen. De issues van vandaag leiden nu eenmaal tot extreme standpunten.’

Wrang genoeg heeft juist Hillary Clinton de laatste paar jaren alles gedaan om haar ideologische veren af te schudden en als bruggenbouwer over te komen. Ze nam tijdens deze zorgvuldig geregisseerde rebranding gematigder standpunten in over vrouwenrechten en abortus en ze trad talloze keren op met conservatieve dominees en soldaten. Maar de kiezers bleken niet bereid hun beeld aan te passen.

Hillary Clinton is de Democratische Bush. De afkeer die een meerderheid van de Democraten vanaf 2000 voor de drieste cowboy uit Texas had, is de afkeer die Republikeinen nu hebben voor Hillary Clinton, de voormalige first lady. Ze is de duivel in persoon, de ‘antichrist’, menen sommige reactionairen in het heartland. ‘Hillary Clinton is de belichaming van de polarisering’, beaamt Hetherington.

Die verdeeldheid was mooi te zien in een recente peiling van cnn en de Universiteit van New Hampshire. Slechts 15 procent van de Republikeinen in de staat had een positief (‘favourable’) beeld bij Hillary Clinton tegenover 74 procent van de Democraten. Het beeld van Barack Obama was veel minder gepolariseerd: meer dan de helft (54 procent) van de Republikeinen beoordeelde hem gunstig. In andere staten zijn die cijfers ongeveer hetzelfde. Dat betekent dat Obama, als hij daadwerkelijk op 4 november 2008 de kandidaat van de Democraten wordt, aanzienlijk gemakkelijker dan Hillary onafhankelijke kiezers en Republikeinen zou kunnen binnenslepen. Dat Obama op het terrein van illegale immigratie, na Irak een van de belangrijkste verkiezingsthema’s, aanzienlijk liberaler is dan Hillary lijkt die kiezer niet uit te maken.

De Amerikaanse kiezer wil een president die het land kan verenigen. En Hillary Clinton kan dat niet.

Peter Vermaas bericht uitgebreid over de Amerikaanse verkiezingen in zijn weblog, http://beyondbush.wordpress.com. Daar staan ook de uitslagen uit Salem, Mass. vermeld