Interview: Paul Schrader. «De meeste dingen in het leven zijn slecht en lelijk»

De duivel is een ster

In het oeuvre van de Amerikaanse regisseur Paul Schrader vormen moraliteit, religie en perversiteit de rode draad. Ter gelegenheid van zijn nieuwste film, getiteld Paul Schrader’s Exorcist: The Original Prequel, een gesprek met hem. «De meeste dingen in het leven zijn slecht en lelijk.»

Wit pak. Zwart haar. Olijfkleurige huid. Roze shirt, open geknoopt. Strak bo venlichaam, haarloos. Een aangeleerd stapje, een pimp roll, zoals Tom Wolfe het zou beschrijven. Het is vreemd, maar hoe meer de popster Billy Crawford zijn best doet om de foyer van een Brussels hotel tot zijn koninkrijk te maken, hoe meer de chique omgeving hem lijkt op te slokken. Het is alsof hij met zijn dure kleren, die op een bepaald onmodieuze manier net iets te groot voor hem zijn, wegsmelt tegen de achtergrond van spiegels, marmeren vloeren, gouden handvatten en dikke zitbanken. Wat ook niet helpt, zijn de mediamensen die op het hotel zijn neergestreken om Crawford te interviewen. Zij stralen gecontroleerde minachting uit. Van adoratie is slechts sprake bij het mollige serveerstertje dat een glas cola in Crawfords hand stopt. De journalisten willen niets anders dan zaken doen. Zij hebben een monster te voederen. En het gedrocht, het organisme dat so cie ty- en entertainmentmedia heet, heeft altijd honger. Crawford doet geresigneerd mee. Hij glimlacht zelfs. Dat is zijn leven. Al sinds zijn tienerjaren is hij een sterretje, een celebrity, die zich graag offert voor de hunkerende massa’s.

Billy Crawford is hier evenwel niet het middelpunt van de belangstelling. Dat is de regisseur van de film waarin hij een hoofdrol vertolkt. Het is Paul Schrader en op dit moment raast hij door de ontvangsthal. Bril. Kringbaardje. Baret. Haast, haast, haast. Hij krijgt nog minder aandacht van de rondhangende journalisten dan de arme Crawford, die nu is overgegaan tot het verleiden van het serveerstertje. «Mag ik een sigaret van je?» vraagt hij, met iets te veel oogcontact. Zij giechelt.

Paul Schrader, met een haastig stapje terug naar zijn plaats in een hoekje van de bar. Daar ontvangt hij, daar legt hij uit, daar brengt hij licht, daar is hij wat hij is: een van de belangrijkste Amerikaanse cineasten van de moderne tijd. Zijn persoonlijke strijd met moraliteit, religie en perversiteit vormt de rode draad van een imposant en controversieel oeuvre dat al meer dan dertig jaar beslaat: scripts voor Taxi Driver, Raging Bull, Last Temptation of Christ en Bringing out the Dead. En regisseur van American Gigolo, Cat People, The Comfort of Strangers en Auto Focus. Deze titels hebben alle een intelligente mix van intellectueel discours en platvloerse perversiteit. Dat maakt Paul Schrader tot een automatische keuze voor het regisseren van een religieuze horrorfilm, getiteld Paul Schrader’s Exorcist: The Original Prequel.

Het is gek om de duivel een pimp roll te zien doen in een Brussels hotel. Het stoere stapje van Crawford past wel prachtig bij zijn personage in Schraders Exorcist. Het popsterretje speelt de rol van de duivel, een wezen met de naam Pazuzu. Het verhaal begint vele jaren voor de eerste Exorcist, William Friedkins meesterwerk uit 1973 waarin de duivel bezit neemt van een klein meisje en Father Merrin (Max von Sydow) tot haar redding komt. In Schraders film is Merrin terug, nu gespeeld door de briljante Stellan Skarsgard. Het is 1947 als Merrin een antieke Byzantijnse tempel ontdekt in een onherbergzaam deel van Kenia waar Britse troepen de dienst uitmaken. In de oude kerk zijn mozaïeken van de mythologische oorlog in de hemel, de strijd tussen de aartsengelen Michael en Lucifer. Wanneer Merrin een antieke crypte opent, lijkt dat de zonderlinge jongen Cheche, gespeeld door Billy Crawford, te beïnvloeden. En buiten in de woestijn verzamelen zich dan de hyena’s, alsof ze zijn geroepen.

Het is schitterende film, wat alle commotie eromheen des te vreemder maakt. Schraders Exorcist is eigenlijk een illegale film. Dat zit zo: het productiehuis, Morgan Creek, verwierp de film toen Schrader hem voor het eerst liet zien. Te weinig actie, te weinig horror, te obscuur, vond met name James Robinson, president van Morgan Creek. Robinson trok daarop een andere regisseur aan, Renny Harlin, bekend van Die Hard-achtige actiefilms, en vroeg hem de hele film over te maken. Harlin deed dat, en wel met precies hetzelfde script en op enkele uitzonderingen na ook dezelfde acteurs. Hieronder bevindt zich ook de Nederlander Antonie Kamerling, die effectief de rol vertolkt van een Duitse SS-officier die figureert in een Merrin-terugflits. Harlins film, getiteld Exorcist: The Beginning, bleek wel acceptabel voor Morgan Creek. De film kreeg een wereldwijde release. De recensies waren rampzalig. Terecht. Het is een vreselijke film, vol zinloze actie en goed kope horroreffecten.

Wie goed naar Schrader luistert in de bar van het hotel in Brussel, merkt een gelatenheid over zijn Exorcist-nachtmerrie en het soort films dat Harlin maakt. Wat er is ge beurd, suggereert hij, maakt deel uit van het huidige klimaat: «De fundamentele aantrekkingskracht van film is afleiding. Films bieden vereenvoudigde versies van het leven, van goed en kwaad. Een film beschrijft een eenvoudig probleem dat in de loop van het verhaal wordt opgelost. De meeste mensen gaan naar de film, juist zodat zij niet hoeven na te denken. Om een vereenvoudigde, escapistische fantasie voor hun ogen te zien afspelen. Het moment dat je hieraan gaat veranderen, kom je aan een van de economische grondregels van de cinema. Je kunt veel meer geld maken door datgene te bevestigen wat mensen al reeds voelen, dan wanneer jij met die gevoelens gaat spelen. Ik kies voor dit laatste. Ik hou van films die mijn denkproces en mijn adrenaline stimuleren. Deze films kunnen nog steeds worden gemaakt. Maar het is een strijd. Maar wat is nou niet een strijd? En hoezo eigenlijk zouden de meeste films niet slecht moeten zijn? Ik bedoel, de meeste dingen in het leven zijn slecht en lelijk: eten, architectuur, meubels, boeken. En dus ook de meeste films. Als je ouder wordt, denk je niet meer zo na over hoe je de wereld kunt veranderen. Het gaat om subtiele veranderingen, kleine dingen waarmee je het leven van mensen kunt raken.»

Wat zegt de sage rond uw film over de globale entertainmentindustrie?

Paul Schrader: «De situatie is uniek. Wij leven duidelijk in een tijd waarin de filmmaker minder macht heeft dan tevoren. Men ziet een regisseur niet meer als kunstenaar, maar als iemand die je kunt inhuren. Maar toch: wat er met mijn film is gebeurd, kon slechts gebeuren bij een maatschappij waar één persoon de touwtjes in handen had. Deze man betaalt voor alles; er is geen bestuur die hem in toom kan houden. Bij een grote studio had men misschien gezegd: laten wij toch de film uitbrengen en dan zien we wel. Niet: het is niet de film die wij hadden gewild, en dus laten we hem opnieuw maken.»

Toch is het veelzeggend dat zowel uw versie als die van Renny Harlin kon worden gemaakt. Er is dus wel sprake van een soort vrijheid.

«Nee, het enige wat hier aan de hand is, is de macht die een honderd miljoen dollar je geeft. De reden waarom mijn film bestaat, is ten eerste het medium dvd. Doordat de mogelijkheid bestond de film op dvd uit te brengen, was er nog hoop. Ten tweede bleef de mythe rond de film levend op websites van fans. Deze dingen redden mijn Exorcist.»

Zegt uw film iets over de Amerikaanse politiek?

«Je kunt alles overal in lezen. Ik ben een Amerikaan, maar ik wilde geen politieke film maken. Dat ga ik wel doen: mijn volgende film speelt zich af in Washington. Maar hierover wil ik nog niet veel zeggen. Ik vond dat ik meer en meer politiseerde door de gebeurtenissen van de laatste jaren in Amerika, naarmate de situatie erger werd. Maar de essentiële impuls voor mijn werk blijft artistiek van aard. Het artistieke dilemma zal voor mij altijd voor het politieke dilemma komen. Een film die veel facetten en tegenstellingen kent, zal ook op andere vlakken resoneren. Mijn film Blue Collar was een marxistische film, maar zelfs dat werk was meer door karakter gedreven dan dat het agitprop was.»

In uw ‹Exorcist›-film is een zeker discours merkbaar over oorlog en kolonialisme.

«Dat zijn absoluut subteksten. Ik vond het idee leuk dat de film het gevoel van het oude westen uitstraalt: het grensstadje met de kolonialisten en de inboorlingen en de magnifieke vergezichten en de lege ruimtes en de woestijn… heel veel John Ford dus. En daar had ik plezier mee.»

Dan moeten wij praten over uw protagonist, uw John Wayne…

Lachend: «Klopt. Er zijn een paar shots waarin Stellan Skarsgard precies als Wayne loopt. En dan het laatste shot, dat een hommage is aan Fords The Searchers. Wat een mooi idee: de gunslinger die verdwijnt in een stofwolk met in zijn hand een rozenkrans in plaats van een revolver! Als ik een titel voor de film zou moeten kiezen, die uiteraard niet de meest commerciële zou zijn, dan zou dat zijn: Father Merrin’s Journey. Zo zag ik de film: de spirituele reis van een man die God zijn rug heeft toegekeerd en langzaam, door de manifestatie van Lucifer, tot het besef komt dat hij geen keus heeft, want hij wordt geroepen. Tijd dus voor de revolverheld om het kruis en rozenwater te voorschijn te halen. En de slechterik te confronteren!»

Was dit een persoonlijke film voor u?

«Soms begin je aan een film met de gedachte dat hij heel persoonlijk zal zijn. Dan blijkt het tegendeel. Of andersom. Maar welbeschouwd zijn ze allemaal persoonlijk. Al die duizenden kleine keuzes die je maakt tijdens de productie van een film zijn deel van wie je bent. Dat heb je niet altijd door terwijl je werkt aan de film.

Ik heb pas een jaar vrij genomen om terug te keren naar de universiteit. Ik ben bezig met een cursus filosofie aan Columbia University ter voorbereiding van een boek dat ik schrijf voor Faber & Faber in Londen. Dat wordt een bijbaantje, maar wel een dat ik zeker zal doen tot mijn dood. Het boek handelt over de geschiedenis van de filmesthetica.»

Het literaire levenswerk van Schrader, stelt hij ergens in een interview, zal een verdediging zijn van film als hoge kunst versus film als populistisch vermaak. In deze thematiek openbaart zich de spanning tussen «hoog» en «laag» die een ijkpunt van zijn artistieke identiteit vormt. Schrader is een intellectueel met een morbide fascinatie voor de perversiteiten van pulp: glimmende disco-chique in de vorm van het aangeklede lichaam van Julian in American Gigolo, meisjesachtige seksualiteit van Nastasja Kinski in Cat People, deerniswekkende liefde voor pornografie in Auto Focus, reactionaire sleaze van de wereld van Travis Bickle in Taxi Driver.

In het licht hiervan is de religieuze horrorfilm braakliggend terrein voor Schrader en is zijn Exorcist nog het meest verwant aan Cat People, een film die handelt over verboden seks en onontdekt lichamelijk plezier. Het hoofdpersonage is Nastasja Kinski, een sensuele jonge vrouw die in een roofdier verandert wanneer zij seksuele prikkeling voelt. Dat idee, verboden lichaamsverandering ten behoeve van de plezierbeleving, staat ook centraal in Schraders Exorcist.

Het beeld van het kwaad in uw ‹Exorcist› is boeiend. Het neemt de vorm aan van het lichaam van de ‹beautiful boy›…

Paul Schrader: «Dat is een leuke wending, en Merrin legt het zelf uit in de film, op het moment dat hij de mozaïeken aan Rachel laat zien. Er is een trilling van verafgoding in zijn stem als hij zegt: ‹And there is He.› Het beeld van Lucifer zelf, het beeld van het licht. Natuurlijk, met datzelfde beeld komt hij oog in oog te staan. Satan is bezig Cheche, het kreupele jongen, te transformeren tot dat prachtige beeld in de muurschildering.»

Waarom transformeert Hij, Satan, de jongen tot de mythologische beeldschone jongen, de homme fatale?

Triomfantelijk lachend: «Want hij is de Duivel! A perverse little motherfucker! Denk aan The Last Temptation of Christ. Toen gebruikten wij het beeldschone meisje als belichaming van het kwaad. Het mysterie ligt niet opgesloten in beelden van mannen met horens op hun hoofd, maar in mensen, in die jongen.»

Billy Crawford. De beautiful boy, de duivel als een ster. Hij was even naar boven gegaan, te oordelen naar het gebruinde en geblondeerde meisje in het goud dat nu aan zijn arm hangt. Tegenover haar is zijn witte pak net iets witter geworden, net iets perverser, iets sleazier, waardoor hij nu wel min of meer is getransformeerd tot een ster. Zij gaan eten. Terwijl zij lopen, terwijl zij pimp rollen, kijkt Crawford naar achteren, en hij grijnst. Het dikke serveerstertje is machteloos, voor eeuwig buitengesloten uit de aura van Billy Crawford de Celebrity, Billy met het Lichaam, Billy de Duivel.

En Paul Schrader de Regisseur? Die raast weer op een neer, van de bar naar zijn kamer en weer terug, nerveus als een kind, want zijn Exorcist beleeft vanavond zijn wereldpremière. Na het gesprek met Schrader lijkt het leven – deze omgeving, deze stad, dit hotel – aanzienlijk lelijker dan tevoren. Het scheelt weinig of de ogen van de platvloerse Crawford, met zijn wit en goud en gebruinde blondine, kleuren rood terwijl hij naar buiten marcheert, alsof hij echt de duivel is.

Het lelijkst is nog dat Schrader, een grote kunstenaar, zo moet vechten om zijn film bestaansrecht te geven. Zo bezien is de enige hoop het feit dat hij in New York is terug gegaan naar de universiteit. Om te studeren en te lezen en om een boek te schrijven dat een geschiedenis zal zijn van min of meer alles in de cinematografie.

Paul Schrader’s Exorcist: The Original Prequel

is van 9 tot 15 juni te zien op het Amsterdam

Fantasy Film Festival