Jeroen Bosch’ Hooiwagen: alles is schijn, en alles leidt naar het verderf

De duivel komt voorbij

Zoals in Jeroen Bosch’ drieluik De hooiwagen, te zien op de expositie Van Bosch tot Bruegel, werd de wereld nooit eerder getoond: een rijk van goddelijke vrede, kosmische conflicten, aards gewemel en mensonterende horror.

Medium 42 20  20jheronimus 20bosch 20  20de 20hooiwagen 20  20prado

De verbaasde kijker staat niet compleet hulpeloos. Er is van alles op het paneel dat hij of zij gemakkelijk kan herkennen. Op het linkerdeel zijn Adam en Eva te zien in een groene, vriendelijke tuin met kort gemaaid gras. Er scharrelt een merkwaardig beest rond, een mengsel van een rat en een stekelige hagedis, maar voor de rest is het er genoeglijk: vogels vliegen rond, kleine hertjes grazen onbezorgd, dit moet wel Eden zijn. Achter in de tuin is te zien hoe ’t allemaal begon: God, verkleed als koning-Sinterklaas, laat Eva oprijzen uit de rib van de slapende Adam. De scène met de appelboom is ook niet moeilijk te vinden. De duivel heeft een slangenlijf en een mensenkop en reikt Eva een appel aan. In Vondels Lucifer is die verleidingsscène meesterlijk uitgeschreven, als een stunt van jewelste. Met één gladde versiertruc zet Belial de hele schepping op z’n kop: ‘Aenschou eens, bid ick u, dien appel. Ay, hoe straelt,/ Hoe gloeit dit ooft van gout en karmo zijn te gader/ Hoe noodt u dit bancket! Ay dochter, trê wat nader:/ Hier nestelt geen venyn in dit onsterflyck loof./ Hoe lockt dees vrucht! ay pluck, ay pluck vry: ick beloof/ U weetenschap en licht.’

Boven die paradijselijke tuin is een meesterlijk stukje fantasie te zien. In de lucht troont Jezus, de wereldbol in zijn hand, in een geelroze wolk. Om hem fladderen gevleugelde wezentjes. Bovenaan zijn het engeltjes, mensjes met vleugeltjes, maar veel daarvan vallen naar beneden. Sommigen verzuipen in zee, anderen veranderen al fladderend in rare dieren, half kolibrie-half libelle, half vliegend hert-half pijlstaartinktvis, half zwaluw-half rog. Je hoeft maar weinig van de bijbel te weten om te begrijpen wat hier gebeurt: Lucifers opstandige engelen worden verslagen. Zij vallen naar de aarde en zetten daar in andere gedaante hun strijd tegen de goddelijke orde voort, en met succes: Belial verlokt Eva en daarna Adam. In Lucifer komt Gabriël geschrokken de uitkomst melden: ‘Helaes, helaes, helaes, hoe is de kans gekeert!/ ’t Is vergeefs getriomfeerd: (…)/ Och, Adam is gevallen:/ De vader en de stam van ’t menschelijck geslacht,/ Te jammerlijck, te droef alrêe ten val gebragt.’ De voorgrond toont ‘hoe het daarna verder ging’: een engel met een vurig zwaard stuurt de twee de wildernis in. Eva weet dat ’t voorbij is. Ze pinkt een traan weg en kijkt al naar rechts, naar het hoofd-stuk, het middenpaneel.

Is de strijd daarmee voorbij? Neen: Eva kan zien dat de strijd tussen goed en kwaad zich zal voortzetten tot in de huidige tijd, dat wil hier zeggen: tot het begin van de zestiende eeuw. Het slagveld is hier Brabant. Door een glooiend groen landschap rijdt een hooiwagen, omringd door een stoet van Jan en alleman. Daaronder zijn de paus, de keizer en de hertog van Bourgondië te paard, er zijn monniken en nonnen, zigeuners, joden en kwakzalvers, bedelaars en edellieden. De wagen is een Hof van Eden in het klein: bovenop zit een liefdespaartje in een struik, er wordt door drie anderen hoofs gemusiceerd, althans, zo lijkt het, want achter dat paartje hangt een kruik aan een stok, het gangbare uithangteken voor een bordeel, en naast de muzikanten staat een blauw demoontje dat een deuntje pijpt op zijn eigen neus. De wagen wordt voortgetrokken door een grappig stel duivels, half mens-half vis, half boom-half mens, enzovoort, en niemand ziet dat, want het volk is gebiologeerd door dat hooi. Hoe het afloopt zie je op het rechterpaneel: daar komt de stoet aan in de hel, waar de duivels een hoge toren metselen en de wereld in brand is gezet. Galgen rijzen hoog op tegen de vurige ondergang.

Het helpt als je weet dat hooi in de zestiende-eeuwse Nederlanden symbool stond voor ‘ijdel gewin’. De catalogus van de tentoonstelling noemt de beschrijving van een van de praalwagens die meereden in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwe-Ommegang van 1563: ‘Eenen Hoywaghen daer op sittende eenen Sater, ghenaempt Bedrieghelijck Aenlocken, achter volghende alle Natie van volck, treckende aen het Hoy, als Woekeners [woekeraars], Cassiers, Creemers [kramers] etc midts dat ertsch [aards] ghewin al hoy is.’ Zo is het bij Bosch: iedereen graait naar die hooiwagen, zet er een laddertje tegen, grijpt zijn riek, vult zijn zakken, duwt de ander weg, komt onder de wielen, snijdt een concurrent de keel af, een prachtig tableau van botte hebberigheid. Het kan zijn dat Bosch de hooiwagen als uitgangspunt nam omdat hij er een in het echt gezien had. Hij is hoe dan ook de allereerste die dat deed, want er zijn vóór hem geen andere hooiwagens in beeld of schrift bekend. Het kan ook, misschien, dat die Antwerpse optocht zich juist baseerde op Bosch’ voorbeeld. De portee is hoe dan ook overduidelijk: met de inzet van een wagen vol verlokkelijk hooi zet de duivel zijn strijd om de ziel van de mensen in grootse vorm voort.

Wie wilde een schilderij aan de muur waarop boeren elkaar de keel afsnijden en vrouwen hun blote kont tonen?

Het meest verschrikkelijke van Bosch’ tafereel is dat het duidelijk maakt dat je de werkelijkheid niet kunt vertrouwen. Natuurlijk is een blauw demoontje met een fluitneus onmiddellijk verdacht, maar het musicerende stelletje boven op de wagen is evenzeer des duivels. Je vergist je in hun stijlvolle menselijke voorkomen. Het is een val. Alles is schijn, en alles leidt naar het verderf. Een vette monnik ziet toe hoe nonnen hooi vergaren en in zakken proppen. Een zusterke papt aan met een doedelzakspeler, behangen met erotische symbolen (nog eens zo’n kruik, en een worst aan een touwtje). Hebzucht en geilheid, dat verwacht je niet van geestelijken. Een zigeunerin leest de hand van een domme dame, een andere mevrouw laat haar gebit onderzoeken door een kwakzalver, die ook al weer hooi in zijn beurs heeft. Het is allemaal bedrog, maar door hun hebzucht en ijdelheid kunnen mensen daar niet doorheen kijken.

Wie wil weten wat de omstandigheden waren waarin zo’n merkwaardig stuk werd geproduceerd heeft weinig houvast aan de biografie van de schilder. Bosch woonde zijn hele leven in en bij ’s-Hertogenbosch. Zijn overgeleverde oeuvre is klein, zo’n 25 schilderijen worden met zekerheid aan hem toegeschreven. Over Bosch’ opleiding is niets bekend. Er zijn geen brieven of dagboeken. Wij weten niets van zijn artistieke Umfeld. Het is duidelijk dat hij van meet af aan geïnteresseerd was in de verlokking van de zwakke mens door zonde, ketterij en lust, en dat hij in de weergave daarvan zeer vooruitstrevend was, sterker nog, het is de premisse van deze hele tentoonstelling dat met Bosch het gewone leven zijn intrede doet in de ‘hoge’ kunst.

Zijn clientèle was aanzienlijk: hertog Filips de Schone bestelde een werk, koning Filips II – beschermheer van de Inquisitie – moet een van Bosch’ werken zelfs in zijn slaapkamer hebben gehad, waarbij hij naar verluidt uren mediteerde. Het ligt voor de hand een relatie te leggen met de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, waar Bosch in 1488 lid van werd. De Broederschap gold als zeer eerbiedwaardig en zeer conservatief. Onder de leden waren veel kunstenaars en componisten, maar in Bosch’ jaren ook iemand als Frederik van Egmont, graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein en raadsheer van Karel de Stoute en Maximiliaan I, en dus een vertegenwoordiger van de elite van de ridderschap. Dat kan verklaren hoe de hertog van Brabant bekend raakte met Bosch’ werk, maar de vraag blijft: hoe werd dat werk begrepen? Wie wilde een schilderij aan de muur waarop boeren elkaar de keel afsnijden en vrouwen hun blote kont tonen? Wie vond dat je de verlokking van de zonde en het werk van de duivel zo in alle vuiligheid moest laten zien? Hier wreekt zich dat wij maar weinig weten van de bedding waarin zo’n werk kan hebben gefunctioneerd. We weten niet waar in huis zo’n schilderij hing, en we weten niet hoe mensen ermee omgingen. We weten nauwelijks in hoeverre de vluchtige volkscultuur – het theater, de kermis, de muziek, de plattere poëzie – in zo’n werk doorklinkt. Ik ken een liedje uit een Antwerps liedboek van 1544, ‘Daar vloog een schellevisch/ Al door het woud!’, wat mij altijd heel Bosch-achtig leek, maar duidt dat erop dat voor Bosch en zijn tijdgenoten dat soort fantastische fabeltjes alledaagse kost was? Of was het juist elitaire exotica?

Sommige elementen van De hooiwagen moeten in de werkelijkheid en dus in de volkscultuur standaardmotieven zijn geweest: de domme boer die zich laat bedotten, de blinde bedelaar, de gulzige geestelijke, de doortrapte kwakzalver, vechtpartijen van het bezopen plebs. Gold dat ook voor de aanwezigheid van de duivel? Zagen de zestiende-eeuwers die live door het dorp lopen? Waarschijnlijk wel. Gelovigen (en bijgelovigen) zullen met de realiteit van de duivel zijn omgegaan zoals wij met klimaatverandering of de plastic soep in de oceanen: iets waarvan je moet aannemen dat het er ís, iets wat je bij tijd en wijle de slaap beneemt of zelfs de stuipen op het lijf jaagt, maar wat je gedrag maar gedeeltelijk beïnvloedt, je moet immers dóór.

De realiteit van Christus was een stuk urgenter. De schilder bekend als de Meester van Alkmaar laat in zijn Zeven werken van Barmhartigheid zien dat Christus in het leven van alledag altijd aanwezig is. Hij staat naast je, hij kijkt over je schouder. Maar ja: hoe herken je hem? Hoe weet je wie je voor je hebt? Dat is de kernvraag van De hooiwagen, die door een verraderlijke wereld rijdt met ‘Bedrieghelijck Aenlocken’ op de bok. Wie naar het hooi graait loopt in de val – wees hebberig, en de duivel grijpt je – maar de duivel bedot de vromen en de machtigen even goed. En als iemand je ‘wetenschap en licht’ belooft, hoe weet je dan of je die kunt vertrouwen? Misschien is het daarom dat Luther en Erasmus, Bosch’ tijdgenoten, zo vaak als duivels werden aangemerkt: zij zeiden dat ze door de uiterlijke schijn heen konden zien, naar de ware wetenschap. Dat zei Belial ook.


Beeld: Jeroen Bosch, Hooiwagentriptiek_, geopend, ca. 1515, 133 x 100 cm (middenpaneel), 136 x 45 cm (zijpanelen). Foto Museo Nacional del Prado_