Hoofdcommentaar

De duivel schijt toch niet op één grote hoop

«Hollandse ziekte» is een oude kwaal met epidemische trekjes. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd er financiële gemakzucht mee bedoeld. Omdat de prijzen van olie en gas waren gekoppeld, konden de schatkistbeheerders teren op de gasbel ondergronds en tegelijkertijd bovengronds een broodje bal eten. In de jaren tachtig werd er defensieve halfslachtigheid mee bedoeld. Omdat honderdduizenden burgers demonstreerden tegen het dubbelbesluit — als het Warschaupact zijn SS20’s niet zou terugtrekken zou de Navo kruisraketten plaatsen — ging de regering rond de bondgenoten laveren.

In de jaren nul van de 21ste eeuw is de «Hollandse ziekte» toe aan een nieuwe diagnose. De kwaal solliciteert naar een verwijzing in het psychiatrische handboek DSM-IV (Diagnostic Statistical Manual of mental disorders). De nieuwsberichten zijn óf uiting van een nog ongedefinieerde gekte óf juist gekmakend. De één denkt stemmen te horen, de ander hoort ze echt. Affaire-Cliteur. Kwestie-Spruyt. Geval-Enschede. Casus-Karremans. Een gelauwerde officier die het vaandel ontvlucht. Kan het erger? Nee. Goddank heeft Spruyt, die anderhalf jaar afging op verhalen óver de politie en niet op adviezen ván de politie, maandag alsnog aangifte gedaan. Die zaak loopt nu. Zo hoort het ook in een burgerlijke rechtsstaat.

Is de stap van Spruyt het begin van normalisering? Tot nu toe wijzen de meeste vectoren niet in die richting maar juist op een paradoxale herhaling van de jaren zestig/zeventig. Twee jaar na de moord op Fortuyn zijn we beland in de finale fase van de machtsstrijd. Het gaat niet louter om ideeën, al draait de ideeënmachine op volle toeren. Het gaat om posities. Zoals de «dinosaurussen» van toen (de erven Drees) ruim drie decennia geleden werden uitgerangeerd door de dino’s van nu (generatie Van Dam), zo gaat het weer. De plekken met invloed en macht in politiek en media dienen, liefst stante pede, vrij te komen. Eind jaren zestig was de straat het voetvolk voor de laatste vooroorlogse generatie die het had gemunt op de macht in de PvdA. In VVD en CDA gebeurde hetzelfde, zij het in de VVD eerder en geruisloos en in het CDA zonder berendansende NieuwLinksers. Nu zijn de fronten amorfer. De conflicten lopen door alle partijen en persorganen heen. Maar de strategie is herkenbaar. Hier moet een burgemeester weg, daar een hoofdredacteur. Dat is een revolutionair proces. Revolutionairen maken meestal de continuïteit van de maatschappelijke orde ondergeschikt aan hun doel.

In het licht van de internationale ontwikkelingen wordt dit echter behoorlijk raar, om niet te zeggen: het is meer en meer van de pot gerukt. Een jaar geleden gebruikte deze krant vette letters voor het woord «Stadsoorlog». Terwijl de inkt nog nat was, viel Saddam International Airport. Schaamte was ons deel. Schaamte is een deugd.

Maar dat betekent niet dat die stadsoorlog ver weg is. Buiten het Westen was geweld al langer een vanzelfsprekend verschijnsel. Alleen in Europa was het een grap: iets van Quentin Tarantino of Mel Gibson. En in Nederland was het een alibi: om hoofddoekjes, scooterdiefstal, dreigcultuur en jammerend gebed in één zin met elkaar te kunnen verbinden.

Tot Madrid 11 maart, een datum die het begin kan zijn van een beetje normalisering. Want goddank zijn er nog verstandige bestuurders die het werkelijk abnormale normaal onder ogen willen zien en de duivel niet op één grote hoop laten schijten. Zoals minister Remkes van Binnenlandse Zaken, die in het televisieprogramma Buitenhof een tot nu toe onbekend werkwoord introduceerde: «alerteren», in alle varianten die mogelijk zijn, maar uitgesproken met een stoïcijnse blik waaraan we juist nu behoefte hebben. En vice-voorzitter Tjeenk Willink, die deze week weer een verwoestend jaarverslag heeft geschreven. De sterke staat waarom wordt geroepen, is aan hem niet besteed. Simpelweg omdat de Nederlandse staat altijd zwak is geweest. De Tweede Kamer — waar politici de rol van columnisten aannemen, zoals Anil Ramdas heeft opgemerkt — is het probleem. «Het politieke debat is versmald tot commentaar op de plannen van het kabinet. De institutionele filters (van oudsher Neêrlands kracht — hs) werken niet meer. De tijd om na te denken wordt niet gegund: er moet worden gereageerd en wel onmiddellijk. Het incidentalisme neemt toe», aldus Tjeenk Willink.

Wat zou het mooi zijn om, «gealerteerd» door minister Remkes en onderkoning Tjeenk Willink, weer eens te anticiperen in plaats van te reageren, om niet meer rekeningen uit het verleden te vereffenen maar de schuldvragen van de toekomst voor te zijn. Bijvoorbeeld door van gedachten te wisselen over gaswinning in de Waddenzee, nu de olieprijs is gestegen tot 34 dollar per vat en wegens de enorme vraag uit China en instabiliteit in Irak niet snel zal dalen? Over een ziektekostenstelsel, waarin het niet alleen draait om koopkrachtplaatjes en budgettaire kaders. Over de vraag of werkende immigranten wel het volle pond voor de sociale zekerheid moeten betalen maar er de eerste zeven jaar geen aanspraak op mogen maken. Over een leerplicht vanaf vier jaar in plaats van een diplomaplicht tot 23 jaar. Over een flexibele politie die aangiften van geweld en intimidatie serieus kan nemen, omdat de burger niet meer van Muiderberg naar Huizen hoeft te pendelen voor de dichtstbijzijnde post en de agent weet dat er met het proces-verbaal ook buiten het «prestatiecontract» iets gebeurt. En desnoods over de noodzaak van extra bezuinigingen nu Nederland door de drieprocent-barrière van de Eurorichtlijnen schiet.

Zodat de regering weer de tijd krijgt om te regeren. Want dat schiet er nu bij in.