De duivel speelt klavier

RICHARD HEMKER
SCHERZO
Querido, 189 blz., € 18,95

De auteursfoto op het omslag van Scherzo, het debuut van Richard Hemker, doet nog het meest denken aan iets van Caravaggio: de schrijver kijkt opzij, schijnbaar verrast, zijn ene hand geheven op zijn borst alsof hij zich voor iets beschermt. De schaduw verbergt zijn rechteroog, waardoor zijn linker des te priemender uit zijn oogkas lijkt te komen.
Het is niet geheel ondenkbaar dat Hemker (1967), die Italiaans studeerde en een tijd in Italië woonde, Caravaggio in zijn hoofd had bij het schrijven van deze verhalenbundel. Zoals de schilder de mensen van de straat – hoertjes, dronkelappen, zakkenrollers – gebruikte in zijn bijbelse en mythische afbeeldingen, zo laat Hemker zijn schijnbaar doodgewone personages in aanraking komen met Hogere Machten. In Kreeften koken probeert een groep mensen in contact te komen met het hiernamaals; in het verhaal Villa Celeste komt een jonge academicus in een hotel aan de Oostzee in contact met een querulante handelsreiziger die agenda’s verkoopt – geen blanco agenda’s, maar agenda’s waar het toekomstige leven van de koper al tot aan de dood is ingevuld; in Restverwerking lijkt een klein kind, tussen alle kibbelende familieleden in, zijn overleden moeder te kunnen zien; in het titelverhaal, het langste in de bundel, proberen een barones en haar buitenlandse gast, Andreas, betekenis te geven aan een verschijning van de duivel.
‘Vijf jaar eerder, op haar veertigste, had de barones haar man verloren. Een onverwerkt verlies. Na zijn dood hield haar man zich schuil in de plooien van de nacht en schoot nu en dan met de hem eigen, zwaaiende motoriek naar voren om achter het klavier een deuntje te spelen dat de barones herkende als de voortzetting van hun voortlaaiende liefde.’
Op een nacht hoort de barones vanuit het klavier het eerste scherzo van Chopin komen; de duivel komt haar salon binnen lopen – hoe ze weet dat hij de duivel is doet er niet toe, ze weet het en durft hem niet aan te kijken. In plaats daarvan staart ze naar zijn bleke, gewonde blote voeten, terwijl de duivel tegen haar betoogt dat de herinnering aan wat wij liefhebben ooit zal verdwijnen.
Uit angst om alleen te zijn op haar landgoed nodigt ze een jonge Nederlandse reiziger uit, Andreas. Hij is in ballingschap, zegt hij, ruzie met z’n vader. Hoe Hemker het verblijf beschrijft doet een beetje denken aan Harry Mulisch’ De pupil: de gast zwemt wat in zee, ze mijmeren over het belang van herinneren, ze koken wat, ze luieren, door Andreas’ toedoen rijdt een aanbidder van de barones zichzelf de afgrond in.
Het verhaal heeft in al zijn metafysica een aangenaam kalme toon, de poëtica is gepast, de plotwendingen houden je lezende, de personages dragen een melancholie met zich mee die niet wordt uitgemolken maar op een beheerste manier het verhaal kleur geeft.
Toch is Hemker nog niet zo goed als hij wil zijn. Door de hele bundel heen zijn de meeste mannelijke figuren met elkaar inwisselbaar, zijn taal kan soms stroef zijn. De onderlinge irritaties in Restverwerking en het openingsverhaal Vliegende vis zijn te gratuit, te duidelijk bedacht, te duidelijk in dienst van het verhaal. In Scherzo, het verhaal, schakelt Hemker in het begin onhandig met het perspectief – net als in Kreeften koken. Dat zijn dingen die je een debutant niet te zwaar moet aanrekenen; daar staat een zichtbaar talent tegenover. Hemker durft vormen uit te proberen, durft verrassende plotjes uit te werken. Het idee om Restverwerking niet vanuit het perspectief van het rouwende kind te beschrijven, maar vanuit dat van een druk, kibbelend familielid, maakt het des te beklemmender als het oog eenmaal op de jongen valt.
Wat alleen niet duidelijk wordt is wat Hemker nu precies heeft willen schrijven. Gaan de verhalen over de kracht van herinneren? Gaat het over hoe we ons noodlot moeten aanvaarden? Gaat het erover dat het duistere niet iets is om te vrezen, maar iets wat we moeten accepteren als een vriendelijke gast in ons leven?
Hemkers onderwerpen, vragen en thema’s blijven onderbelicht, misschien wel omdat hij steeds met plotwendingen wil werken en het verhaal te verrassend wil houden. In het titelverhaal komt dat het meest tot uiting, juist omdat het verder opvallend goed geschreven is. Het verhaal over de barones, de reiziger en de duivel heeft een clou, en als die clou komt (ik verklap niets, maar de oplettende lezer kan ’m zien aankomen) veegt het eigenlijk de suspense onderuit. Het maakt van zijn verhaal een identiteitsspelletje en daarmee doet Hemker het te kort. In plaats van dat de duivel iets wezenlijks betekent voor het verhaal, symbool staat voor iets, is hij hier ook maar een voorbijganger.
Iets wat me geheel terzijde op een andere vraag zet, waar iemand eens op zou moeten promoveren: waarom de duivel, wanneer hij als mens wordt afgebeeld, altijd een Duitser of een Zuid-Europeaan is, nooit eens een Brit of een Aziaat of een Afrikaan of een Amerikaan. In het duistere gevaar zoeken we toch iets bekends.