De dwaalsporen van het toeval

Nadat er in de jaren zestig twee titels van hem vertaald waren, heeft het bijna dertig jaar geduurd voordat een kleine uitgeverij, IJzer, het aandurfde ander werk van Robert Pinget (1920-1997) te vertalen. Na de romans Iemand en De verlossing verschijnt nu Vrijbuitersgraal.

Vrijbuitersgraal is van 1956 en Pingets laatste roman in het fantastische genre. Opmerkelijk in het oeuvre van Pinget is dat de namen van plaatsen, rivieren, dalen en personages die in de eerste, fantastische, boeken voorkomen, ook in de realistische teksten opduiken - alsof de fantasie op een gegeven moment werkelijkheid was geworden. De Chanchèze is in Vrijbuitersgraal een troosteloze vallei waarin een tempel staat voor de god Graal Flibuste, die een immens rijk bestiert, in latere boeken is de Chanchèze een dal in een uithoek van het Franse binnenland.
Met de realistische enscenering werd ook de plaats van handeling overzichtelijker. De bizarre regionen in Vrijbuitersgraal hebben wel iets weg van de wonderlijke streken waarin Gulliver verzeild raakte of Candide met zijn knecht Cacambo. Ook de verteller in Pingets roman reist rond met een knecht, Brindon, die met andere knechten als Jacques de fatalist, Sancho Panza en de zojuist genoemde Cacambo de nuchterheid gemeen heeft, vooral in de filosofische gesprekken met hun heer. Pinget speelt met die voorbeelden een spelletje, niet al te opzichtig, en voor zover dat spelletje ook een reflectie op het eigen verhaal, op de vertelkunst van de reiziger, inhoudt, is het ook een rem op de willekeur waartoe een ongebreidelde fantasie aanleiding geeft.
De verteller reist maar wat rond en noteert het een en ander. Maar de vraag is wat dat een en ander is, waarom het één wel en het ander niet, bijvoorbeeld. ‘Toen ik deze scène schreef viel me iets op waar ik Brindon deelgenoot van maakte, namelijk dat ik al onze avonturen op dezelfde manier liet beginnen: de avond valt, we weten niet waar we een slaapplaats zullen vinden en we richten ons tot de eerste de beste.’
Zo is het toch ook, is de reactie van Brindon. Een paar bladzijden, dat wil zeggen weken later vraagt de koetsier zich af waar al dit getrek eigenlijk toe leidt: reist meneer uit belangstelling voor het leven van anderen of vooral ter wille van het schrijven? Wanneer het laatste het geval is, is de vraag door wat het schrijven geleid wordt. Eerder merkte de reisleider al op dat hij 'in handen was van de grote spelleider, het toeval’. En toeval was ongeveer gelijk aan de grilligheid van de natuur die hem het ene droomlandschap na het andere voorzette.
Onmiddellijk wordt dat toeval gedemonstreerd doordat hij op een nest jonge honden stuit, gevoederd door een wilde gans, een broedsel van nachtegalen verzorgd door een panter en een zwerm muggen onder de hoede van een kip. Maar later is deze drogreden, als zou het toeval hem zijn verslag dicteren, niet meer voldoende. Als hij op een gegeven moment kotsmisselijk wordt van al die fantasieën, is het nauwelijks toeval dat dit gebeurt in het land van de Wind en onmiddellijk nadat hij te kakken is gezet door een meisje met een gele pruik, ogen als knikkers, een grote mond met lelijke tanden - een meisje dat verdacht veel op een zekere Alice lijkt. 'Er worden veel verhalen verteld in het land van de Wind; een heel leven zou niet volstaan om ze allemaal te vertellen, honderd levens niet eens, de wereld kan wel eens opgehouden zijn te bestaan voordat alle verhalen verteld zijn.’
Bruusk onderbreekt de koetsier hem door van de versies die zijn baas van deze verhalen brouwt te zeggen: 'Ik vind dat ze volstrekt onbelangrijk zijn. U zou op deze manier door kunnen gaan tot in het oneindige, ze voegen niets toe.’ De meester mompelt nog iets over de waarde van folklore, maar moet even later toch bekennen dat hij niet meer in de vrije fantasie gelooft en zich niet meer wil 'schikken naar de wil van de wind, die heerser van zinsbegoocheling en teleurstelling. (…) Wat ik zag als mogelijkheden bleken onmogelijkheden te zijn.’
Alles één grote mislukking, van die conclusie is zijn verslag voortaan doordrenkt. Hij verzet zich dan ook tegen de verleiding om in toevallige coïncidenties een manifestatie van een bovennatuurlijke orde te zien. Precies dan begint hun sprekende paard steeds eigengereider de koers van hun tocht te bepalen.
Het zou me niets verbazen als de roman onder meer een demonstratie is van de vrijblijvendheid van een fantasie die klakkeloos elke mogelijkheid volgt die zich voordoet. Op het laatst denkt het tweetal de zee te naderen, maar die lijkt almaar terug te wijken; in plaats daarvan komen ze terecht in een verrukkelijke laagvlakte. Als de meester vraagt: 'Waarom de zee, als ik met deze laagvlakte volledig tevreden ben?’, antwoordt de knecht: 'Omdat u, zonder uw verlangen naar de zee, niet van deze in de weg liggende laagvlakte zou hebben gehouden.’
Het omgekeerde zou ook waar kunnen zijn; Brindon treft daarom eerder de kern als hij oppert dat meneer bang is om bij de zee aan te komen, omdat hij niet weet hoe hij die zou kunnen beschrijven. Hebben ze dan alleen maar iets meegemaakt als de verteller er woorden voor had? De grap is dan dat ze in de laagvlakte een enorme triomfboog zien oprijzen en de beschrijving van alleen al een detail van die poort neemt vier pagina’s in beslag - honderden details in een detail en je ziet als lezer niets, alleen maar woorden. Met terugwerkende kracht zegt dat iets over de beschrijvingen van bizarre locaties, en vooral van de wonderbaarlijke flora en fauna. In een moestuin staan krassers, dartelaars, prapra’s, vliegenvangers en liefjesflooiers, onderweg zien ze meeuwlavendels, zachte roedes, papaverhonden, haringrozen, of dierlijke hybriden als paardooievaars en kalkoenrobben. Allemaal worden ze beschreven en gedetermineerd, alsof de reiziger ze voor het eerst hun naam geeft en de reis een scheppingsverhaal in episoden is.
Met evenveel genoegen - wat vooral een plezier in de opsomming is, het begin van reeksen zonder einde - worden de vreemdste metamorfosen verhaald. Maar hoe fantastisch een wezen ook is, zonder context krijgt het geen betekenis; de reizigers kijken trouwens zelden op van de vreemde dingen die ze tegenkomen. Er is daarom al geen context, omdat de fantastische reis geen doel heeft, een graal is er niet en de titelgod schittert hooguit door afwezigheid. De omzwervingen laten alleen de dwaalsporen van het toeval zien.