De dwaalwegen van een bos-denker

IN HET NIEUWSTE BOEK van Ton Lemaire, een verzameling essays getiteld Wandelenderwijs, lijkt nauwelijks nog de filosoof aan het woord. De associaties zijn losjes, speels, niet of nauwelijks onderbouwd. Regelmatig formuleert Lemaire irritant slordig, zoals over de Vlaamse gaaien in de Dordogne: ‘Soms zie je er een met een eikel in de bek. Ze verzamelen daar veel van in de herfst en dragen zo onbewust bij tot de verspreiding van het eikenbos.’ Onbewust? Waar gaat dit over? Op andere momenten steekt de omslachtig formulerende filosoof de kop op, zoals in: ‘Op de autoweg heerst de verte als zodanig.’ Zo'n zin brengt je op het spoor van een even diep- als onzinnige mijmering.

Niet alleen op zinsniveau, ook in de hele verhaalstructuur is Lemaire minder rigide geworden. En daarbij komt, precies als bij de door hem zo bewonderde Claude Lévi-Strauss, zij het minder gewaagd, niet zozeer het denken naar aanleiding van andere denkers aan de orde, maar eerder de gedachten die ontstaan bij het waarnemen van de werkelijkheid buiten de boeken.
Groot is het verschil tussen Lemaires meesterlijke theoretische kritiek Over de waarde van culturen, uit 1976, en Wandelenderwijs. Het eerste boek kwam in de bibliotheek tot stand, het laatste ontstond in bijvoorbeeld een tentje in Lapland of op een steile klif in een Grieks natuurgebied. Je zou een geleidelijke overgang van intellectuele theorie naar voelbare praktijk kunnen verwachten, maar zo ging het niet met Ton Lemaire. In de tussenliggende, thematisch streng omgrensde boeken De Indiaan in ons bewustzijn (1986) en Godenspijs of duivelsbrood (1995) blijkt hij op samenvatterige wijze bibliotheken af te grazen om tot een schools ingedeelde verzameling ditjes en datjes te komen. De sprong in de natuur lijkt voor hem alleen maar heilzaam geweest, want die heeft hem weer tot zelf denken gebracht.
Er is weinig fantasie voor nodig om te zien dat Lemaire het in essentie over denken heeft als hij over wandelen schrijft. En zonder ambitie is Lemaire ook niet aan het wandelen geslagen. In het voorwoord van Wandelenderwijs schrijft hij: ‘Voor een aandachtig en geduldig wandelaar, bevrijd van de druk van werk, zorg en haast, kan de wereld misschien haar eigenlijke gezicht laten zien.’ Dat gaat ver. Wat is dat voor mythische grootheid, dat 'eigenlijke gezicht?’ Zou Lemaire niet zo'n oprecht met andermans analysen worstelende, doemdenkende geest zijn, dan zou je dat New Age-denken moeten noemen.
IN EEN DRIETAL NUMMERS van De Gids vond er eind vorig jaar en begin dit jaar een polemiek plaats tussen Lemaire en de ook al zo maatschappelijk gerichte filosoof Hans Achterhuis. Een aardig voorbeeld van het worstelend discussiëren waartoe Lemaire zich laat verleiden. Over het latere werk van Ton Lemaire merkt Achterhuis op: 'Daar is vooral sprake van heimwee naar een veronderstelde “archaïsche” beleving van ruimte en natuur, die wij onherroepelijk verloren zouden hebben. Het sublieme, waarvan eerst werd erkend dat het een ontdekking van de moderne tijd was, blijkt nu plotseling iets te zijn dat door onze “instrumentalistische en utilitaristische houding ten opzichte van de aarde” verloren is geraakt. (…) Dat zaken als openheid en liefde voor het landschap, het gevoel voor het sublieme en het plezier van natuurwandelingen juist verworvenheden van de moderne tijd zijn, wordt totaal verwaarloosd en vergeten.’
Achterhuis verantwoordt deze laatste conclusie over moderne tijd en landschapsbeleving door uitgebreid in te gaan op de uitputtende studie van Simon Schama, Landscape and Memory, die weer terugkeert in Ton Lemaires Wandelenderwijs middels een raadselachtige, want wel heel vlakke noot bij hoofdstuk X: 'Toen de eerste versie van dit hoofdstuk klaar was, las ik Landschap en herinnering van S. Schama. (…) Ik verwijs naar zijn uitvoerige bespreking van de verhouding van het Duitse volk tot het woud (deel 1, hst. 2).’ In het bewuste hoofdstuk schetst Schama de Duitse mythe van het Wald, zoals die ook bestond in de nazi-tijd. Schama plaatst de Germaanse 'Wald-cultuur’ tegenover de Romeinse 'stadscultuur’. Het Romeinse geschrift Germania, dat zich in Italiaanse handen bevond, werd door de nazi’s als een oertekst gezien, die een historische grond zou geven voor de Groot-Germaanse gedachte. De Germania werd ironisch genoeg door de Italiaanse fascisten niet uit handen gegeven en ook een vernietigende nazi-klopjacht aan het einde van de oorlog, toen Mussolini al was opgehangen, bleek tevergeefs. In de Germania worden de oer-Duitsers beschouwd in het kader van hun, overigens afschuwelijk bevonden oernatuur.
Het beeld van de geïdealiseerde 'wildeman’ blijkt in de Duitse cultuur een constante te zijn; Schama vond er al tekenen van vanaf de vijftiende eeuw. Ook de natuurmystiek was een constante in de Duitse kunst. De romantische landschappen van Caspar David Friedrich zijn een sprekend voorbeeld. (Het is in dit verband pikant dat maar liefst twee boeken van Lemaire, Wandelenderwijs en Filosofie van het landschap, worden gesierd met een schilderij van Friedrich.) Ook het beroemde Hermannsdenkmal, symbool van het oer-Duitse, werd met opzet midden in het Teutoburger Wald geplaatst. En de opkomst van het Derde Rijk ging gepaard met een hele golf van studies met voor zich sprekende titels als Der Wald in der Deutschen Kultur en Deutscher Wald, Deutsches Volk.
Diep gaat Schama vervolgens in op het werk van de naoorlogse Duitse kunstenaar Anselm Kiefer, die het Duitse terugkeerdenken richting bos, oftewel de Holzweg, tot de grote zwerende wond midden in zijn werk maakte. Schama stelt de vraag die menige politiek correcte wagneriaan zich ook wel eens zal hebben gesteld: 'The real problem - what we might call the Kiefer syndrome - is whether it is possible to take myth seriously on its own terms, and to respect its coherence and complexity, without becoming morally blinded by its poetic power.’ En Kiefer is geen geval op zich. Ik dacht bijvoorbeeld gelijk aan de roman De elzenkoning van Michel Tournier, waarin de nazistische natuurverbintenis op esthetische, moraalvrije wijze wordt geëxploiteerd.
Schama, zelf jood, ziet scherp hoe pijnlijk het ecologisch bewustzijn van de nazi’s was. Want er bestond een organisch samengaan tussen de vernietiging van miljoenen, veelal urbaan ingestelde joden en een sentimentele beschermingspolitiek voor miljoenen bomen. Schama concludeert: 'The long, undeniable connections between the mythic memory of the forest and militant nationalism have created a zone of great moral angst in Germany. Since the war a distinctively right-wing nostalgic political ecology has appeared only in Austria, German Green politics being a virtual monopoly of the left.’ Met andere woorden: het ecologisch bewustzijn werd in Duitsland alleen door de historische omstandigheden na de oorlog noodgedwongen een zaak voor de linkse oppositie, maar dat zou dus eigenlijk niet haar natuurlijke politieke plaats zijn. Helaas onderbouwt Schama deze intrigerende gedachte verder niet.
HOEWEL DE VLAKKE NOOT van Lemaire anders doet veronderstellen, speelt Schama’s gedachtengoed een belangrijke rol in Lemaires hoofdstuk X van Wandelenderwijs. (Dit hoofdstuk heet 'Open plekken’ en bevat overigens schitterende poëtische en filosofische passages over de natuurlijke open plekken in het bos.) Lemaire ziet echter niet dat er sprake is van een probleem. Luchtig stapt hij over de pijnlijke band tussen eco-denken en antisemitisme heen: 'Nazisme en andere varianten van fascisme zijn - onder andere - vormen van protest tegen kapitalisme en de gevolgen van moderniteit, maar op een verwrongen en ambigue manier.’
Het verwrongene en ambigue schuilt dan volgens Lemaire in het samengaan van de ontwikkeling van zware industrie en geavanceerde bewapening enerzijds en de band van de mens met de natuur anderzijds. Maar zo verwrongen en ambigu is het oorlogszuchtige karakter van een terug-naar-de-natuur-maatschappij niet. Ook bij de Rode Khmer tref je diezelfde band tussen boerencultuur en extreme gewelddadigheid ten opzichte van een urbane groep. Zelfs bij de zogenaamde natuurvolkeren waar Claude Lévi-Strauss over schrijft, bijvoorbeeld de Zuidamerikaanse Indianen, is extreem wreed intermenselijk geweld eerder regel dan uitzondering. Net zozeer als wreedheid tegen dieren trouwens, waar ook Lévi-Strauss in de oerwouden aan deelnam, simpelweg om te overleven.
Mijns inziens veel te oppervlakkig schrijft Lemaire over het volgens hem zo ambigue van de nazi-filosofie: 'Kennelijk kan een menselijker houding ten opzichte van dieren samengaan met een beestachtige houding ten opzichte van mensen.’ Ja, kennelijk. Lemaire koppelt vervolgens de zaken op papier even makkelijk los als ze 'kennelijk’ met elkaar waren verbonden: 'Het verzelfstandigen en mystificeren van een element is verwerpelijk, maar daarmee nog niet per se dat element zèlf of in een andere context geplaatst.’ Voor Lemaire bestaat er niet zoiets als een 'Kiefer syndrome’. Ook gaat hij voorbij aan het feit dat hij zelf, uiteraard op niet-nazistische wijze, al een heel filosofisch oeuvre lang niets anders doet dan het verzelfstandigen en mystificeren van een element, namelijk de natuurlijke wilde staat van hele volkeren, iets waarmee hij weliswaar een dubbelzinnige relatie onderhoudt maar dat hij tegelijkertijd liefdevol blijft voeden.
Aan het einde van het genoemde hoofdstuk X vervalt Lemaire in een krom soort Heimat-denken, een mythisch, ja haast antroposofisch soort fantaseren waar je niet goed van wordt: 'Het gevestigde rationalisme is het meest geschikt voor vlaktes en woestijnen, waar rechtlijnigheid en helderheid het meest op hun plaats zijn. Het bos-denken daarentegen laat zich leiden door gebogen lijnen en meanders, het aanvaardt het halfduister en de labyrintische complexiteit en veelzinnigheid van het leven.’ Lemaire, die zichzelf kennelijk onder de bos-denkers schaart, schijnt niet te doorzien dat hij hier ook het nazistische denken weer van harte welkom heet door er een milde metaforische context voor te scheppen. (Ten overvloede: ik zeg hier natuurlijk niet dat Lemaire een nazi is.) Nog even los van de onzinnigheid van de hele redenering. Want er is mij tenminste nooit iets ter ore gekomen van een hoog ontwikkelde wiskundecultuur van vlaktebewoners zoals de Eskimo’s of de Toearegs. Of was alles alleen maar in zekere zin symbolisch bedoeld?
ER IS WEINIG MOEITE NODIG om het bos-denken van Lemaire te kenschetsen als conservatief. Je hoeft alleen maar wat behoudende bloempjes uit zijn gedachtengoed door de tijd heen te plukken: 'De ideale cultuur is (…) een onhistorische cultuur, dat wil zeggen een cultuur die in de ogen van het heersend historisch bewustzijn nog niet of niet meer in eigenlijke zin aan de geschiedenis deelneemt, de geschiedenis als de geschiedenis van de vervreemding overwonnen heeft.’ (Over de waarde van culturen, 1976) 'Omdat allerwegen de onteigening van de agrarische leefwijze voortschrijdt, is het misschien goed om nog eenmaal het beeld op te roepen van haar glorietijd, voordat ze voorgoed uit onze samenleving zal zijn verdwenen. Het volgende moet dan ook gelezen worden als een soort hommage aan het boerenleven die tegelijk een afscheid is, afscheid en hulde vooral aan het wonen op het platteland; aan hen voor wie het wonen nog geen kunst was, maar een levensnoodzaak.’ (Filosofie van het landschap, 1970) 'In de Verenigde Staten herinneren de inheemse samenlevingen de moderne maatschappij aan de prijs van haar vooruitgang en daarmee aan de ambivalentie van de modernisering.’ (De Indiaan in ons bewustzijn, 1986) 'Wij, op het einde van deze eeuw, hebben het vertrouwen in een voortschrijdende bevrijding en vervolmaking van de mens verloren, terwijl de algehele mobilisering van het leven, die terwille van die Vooruitgang in gang was gezet, gewoon doorgaat.’ (Groene-essay, 1994.)
Lemaire stelt zijn conservatisme echter als vernieuwing voor en daarmee voldoet hij juist aan de belangrijkste eis die de door hem verfoeide consumptiemaatschappij stelt: nieuw, nieuwer, nieuwst. Omdat hij zelf ook wel inziet dat het met nostalgie alleen een onhaalbare kaart wordt? In De Indiaan in ons bewustzijn schrijft hij tenminste: 'Ik lijk met lege handen terug te keren van de reis naar de Nieuwe Wereld en van die naar ons eigen verleden. Gedreven door de Indiaan in mezelf, ben ik op zoek gegaan naar Indiaans Amerika. Maar wat heb ik anders ervaren dan een geschiedenis van misverstanden en illusies?’ Over hoe we ons de vernieuwing moeten voorstellen blijft hij, ook weer in dit boek, uiterst vaag: 'De nostalgie van sommige westerlingen - en van vele Indianen - naar de Indiaan van weleer, mag ons niet doen vergeten dat alleen een fundamentele verandering in onze eigen samenleving de voorwaarde kan scheppen voor een mogelijke versmelting van Indiaanse en westerse beschaving: een werkelijk nieuwe wereld.’ Wat Lemaire zich bij zo'n 'fundamentele verandering’ voorstelt, vermeldt hij niet. Omdat hij het niet weet? Omdat zoiets revolutionairs alleen met veel bloed tot stand zou kunnen komen? Omdat hij zich er eenvoudigweg niets bij voor kan stellen?
Het zwijgen van Lemaire op dit essentiële punt intrigeert mij zeer. Temeer daar zijn conclusie aan het einde van zijn magnum opus, Over de waarde van culturen, met heel veel woorden al even oningevuld is gebleven: 'In onze cultuur die door de onttovering die zij heeft teweeggebracht zichzelf het geloof in een traditionele godsdienst heeft ontzegd (cf. Feuerbach, Marx, Comte, Durkheim, Freud, Lévi-Strauss) resten voor een mogelijke verzoening van natuur en cultuur alleen nog de kunst of de filosofie tenzij beide overbodig makend of opheffend in de praktijk van een nieuw soort leven: een natuurmystiek die, paradoxaal genoeg, zowel nodig als mogelijk is geworden door de ontwikkeling van de natuurwetenschappen die in eerste instantie de conventionele godsdienst, het christendom, mede verantwoordelijk voor de onttovering van de natuur, hadden ondergraven om in onze tijd de ruimte te openen voor een nieuwe ervaring van eenheid met de kosmos.’
Wat Lemaire hier bedoelt? Geen idee. Maar het klinkt angstig sterk naar New Age.
Met grote halsstarrigheid blijft Lemaire een vaag toekomstbeeld in zijn eindconclusies naar voren schuiven. Net waar je denkt dat het boek zou moeten beginnen, eindigt het. Uit Godenspijs of duivelsbrood (1995): 'Voor vooruitgang van de wetenschap en van de cultuur is niet een verdere vooruitgang langs dezelfde lijnen van nu vereist, als wel een poging tot reïncorporatie van juist datgene wat ten gevolge van de vorming van de moderne geest en de moderne rationaliteit is opgeofferd.’
POGING TOT REINCORPORATIE. Natuurmystiek. Mogelijke versmelting. Zelden werd een utopie zo bibberig uitgetekend. Waarom toch? Volgens mij omdat al die halsstarrige pogingen om vernieuwend uit de hoek te willen komen tot mislukken zijn gedoemd, simpelweg omdat de essentie van het eco-denken nu eenmaal niet anders kan zijn dan conservatief. Waar het groene actievoeren nooit meer kan zijn dan een noodlot-roepen, in de trant van 'Ho, niet verder!’ (zie bijvoorbeeld recente affaires als IJburg, Schiphol, Maasvlakte, Betuwelijn, Ruigoord), daar zal een groene filosofie, wil zij als vernieuwend kunnen worden verkocht, op z'n hoogst kunnen uitdraaien op het tegen beter weten in min of meer intellectueel verwoorden dat er zoiets mogelijk zou zijn als een stap terug die tegelijk ook een stap vooruit is. Het erkennen van dit noodzakelijkerwijs behoudende standpunt zou het debat er een stuk helderder op maken. En om dan maar even een speculatief uitstapje naar de politieke praktijk te maken: ik zou het CDA als eco-partij heel wat geloofwaardiger vinden dan GroenLinks, al is het maar omdat een GroenLinkse politiek die enerzijds een multiculturele samenleving voorstaat, en dus een welvarende en dus urbane distributiemaatschappij veronderstelt, deel uitmakend van die grote mobilisering waartegen Lemaire in opstand komt, vroeg of laat in botsing moet komen met haar zelfverwoorde wens tot natuurbehoud.
Nee, dan de Amerikaan Christopher Lasch, in de NRC wel eens heel overzichtelijk een groen-rechts denker genoemd, en vooral bekend van The Culture of Narcissism. Lasch schrijft in The True and Only Heaven (1991), uiteraard refererend aan de Amerikaanse situatie, dat het onderscheid tussen liberalisme en conservatisme allang niet meer het politieke debat definieert. Beide kampen lijken bevangen door een zelfde druk vooral niet pessimistisch over te komen, een bevangenheid die maakt dat men tegen beter weten in de schijn van het vooruitgangsgeloof blijft prediken en 'nieuw’ roept als men 'oud’ bedoelt. De tegelijkertijd alom aanwezige, zo lekkere nostalgie, stelt Lasch, is daarbij juist een sluipend psychologisch mechanisme dat ons scheidt van een verleden waarin nog wel een harmoniemodel bestond. Hij treft dit met name aan in de negentiende-eeuwse, protestantse middenstandscultuur. Daarmee zouden we, geestelijk, in contact moeten treden om een meer kleinschalige, minder inhalige maatschappij te kunnen creëren. Er valt een heleboel op te merken over dit, uiteraard voornamelijk intellectualistische model van Lasch. Bijvoorbeeld alleen al dat het me weinig opwindend lijkt. Maar Lasch komt tenminste rond voor zijn conservatisme uit.
In het voorwoord van Wandelenderwijs schrijft Ton Lemaire: 'Tot de hedendaagse samenleving heeft de bewuste wandelaar een tweeslachtige verhouding. Enerzijds is het wandelen juist dank zij de moderne samenleving mogelijk geworden. Maar anderzijds verkeert de wandelaar op gespannen voet met diezelfde maatschappij, omdat deze juist datgene bedreigt wat de charme van de wandeling uitmaakt: de verscheidenheid van plekken en landschappen, de harmonie tussen natuur en cultuur, en de bespeurbaarheid van het verleden.’
Als er dan vervolgens een boek volgt waaruit alleen maar idyllische walmen over een in harmonie met de natuur levend vroeger opstijgen en er vervolgens niets positiefs over de hedendaagse samenleving wordt opgemerkt (Lévi-Strauss stak tenminste nog de loftrompet over Sao Paolo, waar hij, traag, wandelenderwijs denkend, ook nog het verleden bespeurde), ben je geneigd te vrezen dat Lemaire zichzelf en zijn lezers maar wat voorliegt met die 'tweeslachtige houding’. Je zou wensen dat de bos-denker Lemaire zijn 'eigenlijke gezicht’ eens liet zien. Het gezicht van een aards-conservatief.