Interview met Frank van Oirschot, Kabinet Online

De E-democratie

Frank van Oirschot, directeur van internetbedrijf Netlinq, vindt onze paarse democratie traag en zelfgenoegzaam. Hij wil de burgers de kans geven de politiek te corrigeren door ze digitaal bij de besluitvorming te betrekken.

Als medeoprichter van Netlinq, een der succesvolste internetbedrijven van Nederland, behoort Frank van Oirschot (31) tot het selecte gezelschap van de young and rich die het kalmpjes aan zouden kunnen doen. Het is er nog niet van gekomen, en hij zegt dat oprecht te betreuren. Niet omdat hij liefst morgen met zijn voeten in het subtropische water eindelijk eens tot zichzelf zou willen komen, maar omdat hij — opmerkelijk voor een jonge ICT-ondernemer — graag de rust zou hebben om zijn ideeën over technologie en maatschappij in een boek vast te leggen. Want de onkunde en desinteresse die hij in de Haagse wandelgangen bespeurt, de watervrees voor alles wat er aan informatie met de snelheid van het licht door kabels dan wel de atmosfeer wordt ge jaagd, is in zijn ogen «onvoorstelbaar». Graag zou hij de politieke elite een stoomcursus toekomstvisie geven, zoals hij dat ook bij zijn eigen klanten doet. Een cursus waarbij hij niet zelden een zaal van met stomheid geslagen managers achterlaat.

Van Oirschot wordt gedreven door het algemeen oplossend vermogen en de politiek-maatschappelijke betekenis die nieuwe technologieën als agents (intelligente software die complexe taken kan uitvoeren), breedband (snellere en kwalitatief betere versie van internet) en UMTS (mobiel internet dat context-afhankelijke informatie kan geven) Over tien à twintig jaar zouden kunnen hebben. «Joop den Uyl was de laatste politicus met een toekomstbeeld en een idee over hoe je daar zou moeten komen», zegt Van Oirschot. «Sindsdien is een generalistische visie afwezig en zijn we aangewezen op fractiespecialisten en parlementaire subcommissies die hun kracht ontlenen aan de muur die ze rond zichzelf hebben opgetrokken. Hun denkkader houdt meestal op bij vragen als ‹Past dit in het regeerakkoord?› en ‹Hoe krijg ik mijn volgende begroting rond?›» Die laatste vraag heeft ervoor gezorgd dat de overheid vorig jaar een UMTS-veiling in het Kurhaus organiseerde waarbij de hoogst biedende telecombedrijven een licentie konden krijgen voor een periode tot 2015. Hoewel de opwinding in de Tweede Kamer nadien vooral ging over de discrepantie tussen de opbrengst van de Duitse en de Nederlandse veiling, en de klacht luidde dat het ministerie van Financiën wegens een onzorgvuldige strategie centjes was misgelopen, richt de verontwaardiging zich frontaal op het veiling mechanisme zelf. Van Oirschot: «Door een commerciële veiling te organiseren is de overheid compleet voorbijgegaan aan de maatschappelijke waarde van UMTS. Het lijkt erop dat niemand heeft nagedacht over de positieve effecten die de UMTS-technologie kan hebben op de efficiency en de kwaliteit van de maatschappij en van overheidsdiensten in het bijzonder. Ik vind dat verbijsterend. Het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee de overheid zich eerst tot eigenaar van de UMTS-frequenties heeft gebombar deerd om er vervolgens als een ordinaire marktkoopman weer afstand van te doen, is behalve stijlloos ook onverantwoordelijk te noemen.

Gedwongen door de torenhoge schulden zullen operators straks voor puur commerciële diensten gaan kiezen, dus kunnen we straks alle doelpunten van spits A of B op onze UMTS-telefoon herhaald krijgen. Best geinig natuurlijk en commercieel misschien een grote hit, maar als je met diezelfde technologie de ambulance één of twee minuten sneller op de plaats van bestemming kunt krijgen en daarmee levens kunt redden, zou de overheid daar serieus werk van moeten maken. En dat gebeurt niet. Sterker nog, alle aandacht in het UMTS-debat ging uit naar kibbelende kamerleden die meenden dat er nóg meer opbrengst in de veiling had gezeten. Geld dat ze maar al te graag snel wilden inpikken voor hun eigen winkeltje.

Frankrijk, Zweden en Noorwegen hebben wel de juiste volgorde bewandeld. Daar hebben ze eerst gekeken naar het maatschappelijk nut dat de UMTS-technologie voor burgers en overheid zou kunnen hebben. Met het oog daarop zijn ze een eisenpakket gaan formuleren waaraan de bedrijven moesten voldoen. Zo moesten de UMTS-bespelers in Zweden garanderen dat ze een landelijk dekkend netwerk zouden aanleggen, zodat ook burgers in de uithoeken van het land straks gelijkelijk mee kunnen profiteren. Ook zijn er afspraken gemaakt over prijsniveaus en de kwaliteit van te ontwikkelen UMTS-diensten. Door het zo aan te pakken zal het rendement van UMTS voor de samenleving aanzienlijk hoger zijn dan in Nederland.»

Terwijl de paarse ideologie ons land bejubelt als een gesmeerd lopende economie waarin burgers welvarend rondlopen en de vrijheid genieten om, tot de dood aan toe, hun eigen keuzes te maken, ervaart Van Oirschot Nederland anno 2001 als een stomende, piepende en kreunende machine die op een vaak mensvijandige wijze achter haar veronderstelde economische succes blijft aanhollen en, aangespoord door politiek en media, blind en doof is voor «digitaal gereedschap» dat mens en samenleving zou kunnen dienen. Rond de jaarwisseling heeft hij een vakantie in Mexico gebruikt om vijftien vuistdikke rapporten te lezen over ICT-plannen en bestuurlijke verandering. Van Oirschot: «Door het lezen van die rapporten ben ik zeer bescheiden geworden. Zeker tachtig procent van mijn ideeën en analyses bleek al in meer of minder rudimentaire vorm te zijn uitgewerkt. Ik was veel minder origineel en revolutionair dan ikzelf dacht.»

Ondanks deze constatering steeg het adrenalinegehalte in zijn bloed. «Terwijl ik aan het lezen was, groeide mijn verontwaardiging over hoe weinig er in de politiek daadwerkelijk met die ideeën werd gedaan! Hoeveel er sneuvelt en naar de zijlijn wordt gedrongen zodra het besluitvormingsproces in zicht komt.» Het heeft Van Oirschot tot de conclusie gebracht dat er iets «fundamenteel mis» is in onze democratie. Geen overdreven zware woorden, vindt hij. «Ik zou in ons staatsbestel een scheiding willen aanbrengen tussen economisch-logistieke zaken die de motor van de BV Nederland aangaan, en ethisch-politieke kwesties als asielbeleid, euthanasie, milieu, veiligheid en ontwikkelingssamenwerking.»

Proeven we uit dit radicale idee dat hij de eerste categorie vraagstukken in handen wil leggen van een commissie van wijzen die, zonder de hete adem van de kiezer, voor «het algemeen belang» opkomt? Om het volk vervolgens, via de tweede categorie vraagstukken, alsnog een fopspeen te geven die op democratie lijkt. «Alweer die scepsis», glimlacht Van Oirschot mild. «Ik begrijp dat niet. Kijk naar de situatie van het moment: wat is de reële invloed van de burger nu? Eén keer in de vier jaar stem je op een partij die jou een belachelijke package deal in de maag splitst waar je nooit om hebt gevraagd. Ik ken niemand van mijn generatie die vol overtuiging op een partij stemt. En hoe komt dat? Je geeft partijen een vrijbrief om met jouw stem vier jaar lang allerlei standpunten in te nemen waar je het niet mee eens hoeft te zijn. Het is alsof je een vliegticket koopt en er een verplicht arrangement zeilen, kameelrijden en vier dagexcursies naar tapijtverkopers krijgt bijgeleverd. Wie heeft daar zin in? Wanneer je het begrip ‹democratie› meer inhoud wilt geven, en dat wil ik, dan moet je de economisch-logistieke vraagstukken mijns inziens aan de regering in haar huidige vorm overlaten om, daarnaast, de burgers periodiek de kans te geven de politiek te corrigeren op de ethisch-politieke issues. Via de digitale snelweg. Pas dan zullen mensen zich weer betrokken gaan voelen. En de consequenties van hun oordeel weer aan den lijve onder vinden.

Ik zie direct democracy als een verlengstuk van wat nu de one issue-bewegingen zijn. In tegenstelling tot de schimmigheid van politieke partijen trekken one issue-organisaties als Greenpeace, Milieudefensie en Vluchtelingenwerk mensen wél aan. Dat komt doordat hun issues veel concreter zijn dan een politieke ideologie. Mensen lopen warm voor de natuur, voor de walvis of voor het lot van vluchtelingen. Om daar iets mee te doen zou de overheid op internet maatschappelijke debatten en referenda moeten organiseren over zulke single issues. En ik ben niet bang dat dat tot onverstandige besluiten leidt. Integendeel.»

Maar welke status zou Van Oirschot dan aan de uitslag van een digitale volksraadpleging willen geven? Zouden we bijvoorbeeld — om de nachtmerrie van de fatsoensrakkers van stal te halen — onze grenzen voor asielzoekers moeten sluiten als de vox populi daar, via de muis, voor blijkt te zijn? «Ik zou digitale referenda natuurlijk aan een degelijke voorbereiding en diverse zorgvuldigheidseisen willen koppelen, net zoals dat nu met gewone referenda gebeurt. Maar als de meerderheid in een referendum zou aangeven dat we Nederland moeten sluiten voor asielzoekers, zou de regering zich daaraan moeten houden en de grenzen sluiten. Dat is toch niks engs? Dat is democratie.»

Dat Nederland zich met een dergelijk asielbeleid onmiddellijk internationaal zou isoleren, maakt geen indruk op Van Oirschot. «Nou en? Dat zou juist goed zijn! Hoe sneller burgers erachter komen dat extreme standpunten ons land buiten de internationale, economische orde plaatsen en hen dus raken in de portemonnee, des te eerder ze zo'n standpunt over asielzoekers zullen herroepen. Dat zou toch pure winst zijn? Als je zo ver bent dat mensen de consequenties van hun stem leren inzien en aan den lijve gaan voelen, zou je een humaan asielbeleid kunnen gaan voeren dat niet, zoals nu, door een politiek-correcte bovenklasse wordt verordonneerd, maar dat breed gedragen zou worden door de bevolking. In de nieuwe democratie zoals ik die voor me zie, is stemmen niet langer een vrijblijvend gebaar eens in de vier jaar, maar enkele keren per jaar een zorgvuldige afweging maken van voor- en nadelen, waarbij burgers zich veel meer dan nu genoodzaakt zullen voelen zich werkelijk goed te infor meren. Iedere keer opnieuw.»

«Ik denk dat de leden van de Nederlandse regering ver van de werkelijkheid afstaan en zich in slaap laten sussen door economische groeicijfers en sluitende begrotingen. Ik weet wel dat er veel aandacht uitgaat naar de begrotingsbesprekingen, welke minister wat binnensleept, welke partij hoeveel water bij de wijn moet doen, enzovoorts. Maar dat is toch de werkelijkheid niet? Dat zijn alleen maar lekkere hapjes voor de media. De burger zal het uiteindelijk worst zijn wat er in het kabinet gebeurt. Die wil gewoon geholpen worden als hij ziek is en zonder file naar zijn werk rijden.»

Als we kijken naar de zakelijk-autoritaire stijl van een nieuwe generatie moderne, Europese politici als Tony Blair en Silvio Berlusconi, kun je je inderdaad afvragen wie nou het contact met de werkelijkheid heeft verloren. Beide leiders zijn populair en opvallend eensgezind in het opstellen van toekomstbeloften waarmee ze, bij wijze van kiezerscontract, naar de menigte zwaaien. Om hun beloften vervolgens met kleine slagvaardige teams — en over de hoofden van kritische media en parlement — zo veel mogelijk gerealiseerd te krijgen. Het beeld van deze premiers tendeert naar dat van de Chief Executive Officer van een bedrijf, die met zijn directie binnen een gegeven termijn bepaalde «reorganisaties» en «rendementsverbeteringen» wil doorvoeren. Berlusconi kondigde voor de verkiezingen bijvoorbeeld aan dat hij zal opstappen wanneer hij na vijf jaar meer dan één van zijn beloften niet is nagekomen. In deze pragmatische constellaties zijn New Labour en Forza Italia alleen nog applausmachines die de «sterke man» een democratische legitimatie verstrekken en worden parlementen gereduceerd tot irrelevante discussieclubs.

Zonder een van deze leiders te omarmen constateert Van Oirschot dat hun messianistische ambitie om hun land naar «een hoger plan» te tillen een wervende kracht heeft en een breuk vormt met het «verkokerde denken» dat Nederland domineert. En daarmee, volgens hem, een interessant tegenbeeld is van het ideeënloze geschipper met cijfertjes zoals we dat onder Paars gewend zijn geraakt.

Van Oirschot gelooft niet in de paarse droom; hij ziet zelfgenoegzaamheid en nodeloze vertraging, en zijn handen jeuken om van Nederland een mooier, schoner en efficiënter land te maken voor volgende generaties. Als het aan hem ligt zou er voor ieder groot maatschappelijk probleem een task force in het leven worden geroepen, het liefst digitaal ondersteund om de burgers bij de oplossing te betrekken. Ondertussen wil hij er maar niet aan wennen dat veel van zijn ideeën gedeeltelijk of helemaal niet van de grond komen.

Van Oirschot: «Zeker als je merkt dat de bezwaren niet inhoudelijk zijn, maar voort komen uit gevestigde belangen, gebrek aan deskundigheid of cynisme. Ik ben oprecht verbaasd hoe eens bevlogen ambtenaren in staat zijn rond te draaien in een systeem waarin ze zelf niet meer geloven. Hoe ze accepteren rond te lopen in een molen die voornamelijk ronddraait om zichzelf in stand te houden. Wat ik met Netlinq heb gedaan, is bouwen aan innovatieve concepten en infrastructuur op internet waar bedrijven én hun klanten beter van werden. En Netlinq uiteindelijk ook. In dat proces heb ik geleerd om steeds opnieuw van de mogelijkheden uit te gaan en te zorgen dat alle partijen hun eigen winst halen uit die mogelijkheden. In de politiek zou je, vind ik, ook zo moeten werken, maar daar vinden bepaalde mensen het leuk om tegenstellingen, vaak schijntegenstellingen, te benadrukken. In hun eigen belang.»

Van Oirschot denkt er serieus over na een nieuwe politieke partij op te richten.