Shirin Neshat, kunstenaar

De echoput van design-emotie

Het leed in de films van de Iraans-Amerikaanse kunstenares Shirin Neshat is nogal eendimensionaal. Niets lijkt ertegen te doen, behalve wanhopig bidden tot God, en als dat niet helpt, weglopen.

Op de terugweg van de tentoonstelling van zes werken van de Iraans-Amerikaanse kunstenares Shirin Neshat in Post CS in Amsterdam koop ik de krant. Op de voorpagina van NRC Handelsblad staat een foto van enkele demonstranten in Jakarta die, zoals het onderschrift meldt, «anti-Deense leuzen» schreeuwen bij de Deense ambassade aldaar.

Terwijl ik me onbewust afvraag hoe men dat eigenlijk doet, anti-Deense leuzen schreeuwen, dwaalt het oog af naar de grote tekening achter de schreeuwers waarop de Deense premier te zien is die, beide handen aan een boom vastgespijkerd, door de ene gelovige zijn strot wordt doorgesneden terwijl een andere gelovige iets als een woestijnzwaard in de wijd opengesperde mond van de premier duwt. Het bloed spat alle kanten op.

Het is, vanuit een decadent westerse achtergrond bezien, niet eens een slechte tekening. De inkleuring riekt naar een Daniels, de typografie zou van Ray Pettibon kunnen zijn, de lijn voering van de tekening doet de hand van een Javaanse Erik van Lieshout vermoeden. In een geheel andere context zou de tekening misschien geprezen zijn om zijn felle realisme, de directheid en de wijze waarop de kunstenaar binnen dit werk met hoge en lage cultuur jongleert. Het is niet iets wat ik al te vaak denk, maar de betreffende krant lezend dacht ik het toch echt: was de hele wereld maar één groot Post CS!

Het is duidelijk dat, hoewel het jaar nog maar nauwelijks is begonnen, de werkelijkheid alweer op volle toeren draait. Daar kan Shirin Neshat natuurlijk niets aan doen, zoals zij er vermoedelijk ook niet veel aan kan doen dat slechts één van de zes van haar getoonde films, wellicht door de haast die het Stedelijk Museum had om aan de werkelijkheid mee te doen, is ondertiteld. Uiteraard past de goedwillende kijker zich aan de omstandigheden aan en probeert hij iets van het verhaal te volgen. Maar slordig is het wel. Vooral ook omdat tegelijkertijd in begeleidende persberichten niet wordt nagelaten te wijzen op het belang van taal en poëzie in de islamitische en Perzische cultuur. Wat helpt is dat Neshat – die op zeventienjarige leeftijd het door de sjah aller sjahs geteisterde Perzië verliet om aan de kunstacademie van Los Angeles te gaan studeren – in al haar werken ongeveer hetzelfde verhaal vertelt.

In haar jongste korte film Zarin zien we een jonge, aan anorexia lijdende prostituee. In het openingsshot ligt deze Zarin, uiterlijk onbewogen maar met een boze frons tussen haar wenkbrauwen, op bed en kijkt naar opzij, het raam uit, terwijl we aan de ritmische bewegingen en het piepen en kraken van het bed kunnen zien dat ze aan het werk is. Zarin is gebaseerd op een personage uit de roman Vrouwen zonder mannen van de Iraanse schrijfster Shahrnoush Parsipour. Het boek, dat in Iran werd verboden, vertelt de verhalen van vijf vrouwen die allen weglopen uit een beklemmende situatie waarna ze elkaar uiteindelijk ontmoeten in een tuin, waar ze vervolgens hun eigen gemeenschap vormen.

Het bordeel waar Zarin werkt is kleurrijk geschetst. De mannelijke klanten zitten braaf als schooljongens naast elkaar op stoeltjes te wachten tot ze aan de beurt zijn terwijl ze ondertussen thee geserveerd krijgen door een dwerg in uniform. Een archetypische madam, overtuigend gespeeld door de schrijfster van het verhaal, maant Zarin met doorrookte stem dat ze moet opschieten, dat er klanten zijn. Op de achtergrond figureren nog wat collega’s van Zarin, die opmerkelijk beter gestemd zijn dan zij. Bij het afscheid worden door een klant en een prostituee beleefd en vriendelijk handen geschud. Het lijkt een schone zaak en het is klaarlichte dag. Een wereldbaan is het natuurlijk niet, maar de omstandigheden hadden uiteraard nog veel slechter kunnen zijn. De begintitel meldt dat we in Teheran zijn. Het jaar is 1954.

Nadat een van de mannen wat geld op de tafel van de madam heeft gelegd beklimt hij de trap en betreedt de peeskamer van Zarin. Weer ligt ze op bed en weer kijkt ze uit het raam. Ondertussen zien we de hand van de man die begerig maar ook met zekere afstand voorzichtig verschillende delen van haar lichaam streelt. Kippenvel is zichtbaar op haar armen. Als hij haar nek en borsten aanraakt ontsnapt er aan Zarin iets als een zucht. De hand be weegt richting haar kruis en heel even lijkt er iets van genot over haar gezicht te glijden. Dan kijkt ze op en ziet dat de man geen ogen heeft, geen mond en dat ook zijn neusgaten ontbreken. Verstopt achter een vakkundig aangebrachte laag huidkleurige latex. Een klassiek surreëel beeld dat effectief zou zijn geweest als het niet daarna nog vier keer zou zijn ge bruikt.

Zarin vlucht het bordeel uit en komt terecht in een badhuis, waar voluptueuze naakte moeders zich, tezamen met hun eveneens naakte zoontjes, afschrobben en natspatten. Zarin slaat de hulp van een van de jongetjes af en begint zelf haar naakte en broodmagere lichaam te schrobben tot het bloed op vele plaatsen onder haar huid vandaan komt. Het ziet er allemaal afschrikwekkend, overtuigend en zeer ernstig uit. Prostitutie, anorexia, zondebesef, lust, mannen zonder gezicht, smetvrees: it sort of makes sense.

Net als al Neshats andere films is Zarin «mooi» gefilmd. De belichting is goed, de landschappen en de architectuur – bijna alle films werden in Marokko opgenomen – zijn soms adembenemend en de uniforme een duidigheid van gesluierde vrouwen en bijna consequent in zwarte broek en wit overhemd geklede mannen oogt verantwoord choreografisch. Het tempo van de vertellingen is goed, onderhoudend, alle films werden door uw recensent uit gekeken, maar na de derde film begon er toch iets te wringen. Even klein en onbeduidend, maar even sfeer verpestend als een beetje woestijnzand voor in je schoen.

De relatie man-vrouw-maatschappij-islam kan men gerust het hoofdthema van Neshats werk noemen. In alle films speelt een vrouw de hoofdrol en in alle films is zij het slachtoffer van man en maatschappij. Een reëel probleem en gegeven, zoals ook weer eens bleek uit de aangrijpende voorpublicatie in Vrij Nederland van Betsy Udinks boek over het uitzichtloze leven in een vrouwengevangenis in Pakistan, maar toch verliest de kijker op een bepaald moment bij Neshat zijn werkelijk doorvoelde sympathie met de hoofdpersonen. Net als bij veel verhalen van Dickens ga je meer interesse ontwikkelen voor de bijfiguren. Hoe zou het leven zijn van de man die zo beleefd de hand van de prostituee schudde? Wat is het verhaal van de collega’s van Zarin, die, ongetwijfeld minder slim, toch net iets meer levenslust uitstralen?

Het leed in het werk van Neshat is nogal eendimensionaal en volkomen machteloos. Niets, maar dan ook niets lijkt ertegen te doen, behalve wanhopig bidden tot God, en als zelfs dat niet meer helpt, weglopen. En dit is het moment dat de mooie cameravoering, de stilistische videoclipachtige choreografie, de vele met digitale galm omlijste fluisterende stemmen en de hippe wereldmuziek tegen gaan werken en het verhaal reduceren tot een niveau dat het niet verdient.

Het is, ik kan er geen andere term voor bedenken, zoiets als design-emotie. Het is het beeld-steno waarmee ngo’s communiceren met de massa. Klare beeldtaal waarmee een ingewikkeld probleem terug te brengen is tot iets wat in vijftien seconden kan worden uitgelegd. Tegen racisme. Voor een schoner milieu en iedereen gelijke kansen en rechten. Wie kan daar nou tegen zijn?

Maar wat doen we met die beledigende spotprenten in Jakarta? Wat doen we met het gegeven dat Neshat weliswaar de onderdrukking van de vrouw door islamitisch geïnspireerde systemen erkent, maar tegelijkertijd de koran als een «heilig boek» wenst te zien? Ligt niet in die veellagigheid van innerlijke tegenstellingen het werkelijke probleem? Waarom komen «de» vrouwen in islamitische landen niet in opstand? Zijn onze eigen Viva-lezeressen per definitie gelukkiger? Kunnen wij de ander wel begrijpen? Wat te doen met de democratische keuze van hele volksstammen voor rigide of zelfs dictatoriale regimes? Raakt het exotisme dankzij de globalisering uit? En wat, ten slotte, te doen met al die vragen?

De verslaggeving van de wereld door de nieuwe media is gefundeerd op de negentiende-eeuwse romanstructuur. Soms zijn dingen heel erg, maar als er geen duidelijk verhaal in zit (zoals bijvoorbeeld bij het begin van de burgeroorlog op de Balkan) kan het eenvoudigweg niet door de media verslagen worden en bestaat het dus ook niet. Nodig zijn duidelijke boosdoeners, duidelijke helden. Duidelijke problemen en bij voorkeur natuurrampen die zich goed in een aansprekende computer simulatie laten vangen.

De kernvraag van de jaren zestig en de aanleiding tot een culturele revolutie was: wie ben ik? Een kleine veertig intense jaren televisie kijken later is, aan het begin van de 21ste eeuw, de vraag: wie zijn wij? Het feit alleen al dat wij die vraag moeten stellen lijkt verontrustend, ware het niet dat die vraag gegenereerd wordt door toevallige camerastandpunten van de verschillende verslaggevers die proberen het verhaal van de wereld bij u thuis in de huis kamer te brengen. Maar zoals Rüdiger Safranski enige jaren geleden al zuchtend toegaf: die werkelijkheid is helemaal niet te begrijpen. Omdat zij, wellicht, helemaal geen werkelijkheid meer is, maar een mondiale echoput waarin het kleinste steentje – of dit nu een Deense cartoon of het onbeholpen antwoord daarop uit Jakarta is – de impact kan hebben van een in verkeerde handen terechtgekomen Russische kofferbom.

Het is deze vloek van de echoput waaronder het werk van Neshat lijdt en waardoor men bijvoorbeeld ook haar samenwerking met de in minimal-bombast grossierende componist Philip Glass in de film Passage enkel in het daglicht van verkitschte werkelijkheid kan bezien. Wat moeten we hiermee? Wat is het eigenlijke verhaal? Waar is het gironummer waar ik geld op kan storten?

Shirin Neshat, Post CS Amsterdam,

tot en met 16 april