‘de echte amerikaan bestaat niet’

DE VERENIGDE Staten zijn niet het land van de befaamde smeltkroes der culturen, meent de Amerikaanse auteur Michael Cunningham (1952), die in 1984 debuteerde met Golden Gates en die in 1990 de roman A Home at the End of the World publiceerde. In zijn nieuwe, omvangrijke roman Bloedverwanten verhaalt hij de geschiedenis van de Griek Constantine Stassos, die vlak na de Tweede Wereldoorlog naar Amerika emigreert en daar een nieuw bestaan opbouwt. De auteur volgt drie generaties van deze familie, die model zou kunnen staan voor duizenden andere.

Stassos is eerst bouwvakker en wordt later een succesvol aannemer. Hij trouwt met een meisje van Italiaanse afkomst dat drie kinderen van hem krijgt. Hoezeer Stassos echter ook een Archie Bunker in goeden doen lijkt, hij blijft een omhooggevallen Griek, zelfs voor zijn eigen kinderen die in de jaren zeventig en tachtig ieder hun eigen weg gaan. Feitelijk emigreren zij op hun beurt - naar een andere subcultuur. Geen van de personages slaagt erin volledig te beantwoorden aan het cliche van de ‘echte Amerikaan’. Dat is niet verwonderlijk. In feite voldoet geen enkele inwoner van de Verenigde Staten aan de vereisten van deze nationale ideologie, die in werkelijkheid niets meer dan een mythe is.
CUNNINGHAM: 'Een aantal jaren geleden heb ik een jaar in een dorpje in Griekenland gewoond en daar is het idee voor Bloedverwanten ontstaan. Het was zo'n typisch Balkandorpje waar de mannen het grootste deel van de dag in het plaatselijke cafe hangen en elkaar verhalen vertellen. Elk van hen had wel een neef of een broer die naar de Verenigde Staten was geemigreerd en het daar helemaal gemaakt had. Als je dat zo hoorde, waren ze allen miljonair geworden. Ik betwijfelde of die neef die taxichauffeur in Philadelphia was, werkelijk zoveel geld verdiende.
Die emigranten disten zulke sterke verhalen op omdat ze wisten dat hun familie hen toch nooit in de Verenigde Staten zou bezoeken. Omgekeerd wist ik dat die neven en broers in Amerika hun kinderen weinig tot niets over hun geboorteland zouden vertellen. Mijn eigen grootouders van moederszijde zijn na de Eerste Wereldoorlog uit Kroatie naar Amerika geemigreerd en hebben sindsdien nooit meer over Joegoslavie gesproken. Zo ontkenden ze voor zichzelf en hun omgeving hun etnische achtergrond. En zo werd het hun kinderen extra moeilijk gemaakt enig inzicht in het karakter van hun ouders te krijgen - met alle negatieve gevolgen van dien.
De hoofdpersoon in Bloedverwanten, Constantine Stassos, heeft in Amerika zakelijk succes, maar hij en zijn vrouw worden door hun omgeving nooit werkelijk geaccepteerd. Aanvankelijk omdat ze Grieken zijn, later omdat ze geen manieren zouden hebben. Discriminatie op etnische gronden gaat dus over in discriminatie op sociale en culturele gronden. Al zal men in de Verenigde Staten nooit toegeven dat er zoiets als sociale discriminatie bestaat, want de gemiddelde Amerikaan ziet zijn land als een klassenloze maatschappij. Hij denkt dat je tot de upper middle class behoort wanneer je leeft volgens de uiterlijke normen en waarden van die klasse. Geld wordt beschouwd als de motor van sociale vooruitgang, maar Constantine ontdekt dat je ook nog over een bepaalde cultuur moet beschikken, wil je sociaal geaccepteerd worden.
Wanneer zijn dochter Suzan trouwt met een telg uit een oud Angelsaksisch geslacht, komt het tijdens de bruiloft tot een heel onnozel, maar tekenend incident. Constantine heeft zijn Griekse compagnon en enkele werknemers van hun bedrijf uitgenodigd. Die hebben een wat lossere manier van feestvieren. Wanneer de compagnon aan tafel een toost uitbrengt en vervolgens een mop vertelt, rolt de ene helft van het gezelschap onder tafel van het lachen en de andere helft verstijft ter plekke. Het lot van de familie Stassos is in de ogen van de schoonfamilie daarmee definitief bezegeld: ze horen er niet bij.
De kinderen gaan alle drie een andere weg: Suzan wordt een nette huisvrouw, Zoe gaat op in het leven aan de zelfkant van New York en Billy wordt een progressieve, homoseksuele leraar in Boston. Hij haat zijn vader, maar beseft niet hoeveel hij eigenlijk op hem lijkt…
Je zou kunnen zeggen dat ze alle drie op hun beurt emigreren, maar dan slechts in culturele zin. Billy gaat zo snel mogelijk het huis uit om buiten het bereik van de vuisten van zijn vader te komen. Constantine is destijds om precies dezelfde reden geemigreerd, maar dat weet Billy niet, omdat het hem nooit is verteld. Dat komt door het zwijgen van zijn ouders over hun verleden en hun etnische achtergrond, door het krampachtig herhalen en in praktijk trachten te brengen van de frase: “Wij zijn echte Amerikanen.”
Ik vind trouwens dat Billy zelf ook schuld heeft aan de diepe kloof tussen hem en zijn vader, want net als Constantine weigert hij echt met hem te praten en hem te begrijpen. Hij doet geen enkele moeite om het karakter van zijn vader te doorgronden.’
'MIJN WEIGERING om van Constantine werkelijk de bad guy te maken is me door bepaalde progressieve critici niet in dank afgenomen. De echte conservatieven waren het vanzelfsprekend niet eens met mijn impliciete stelling dat de echte Amerikaan niet bestaat en de befaamde smeltkroes der culturen dus een mythe is, maar sommige progressieven willen de schuld daarvoor eenzijdig bij de oudere generaties leggen. Maar volgens mij ligt de zaak gecompliceerder.
Dat in de jaren tachtig niet Billy, maar zijn zus Zoe aids krijgt, is omdat ik in mijn beide vorige romans al zo uitvoerig over aids en homoseksuelen heb geschreven dat ik bang werd te veel met dat thema geidentificeerd te worden. Bovendien ontstaat onderhand bij veel mensen de gedachte dat een homoseksuele man die in een roman voorkomt haast automatisch aids moet krijgen en dat is onzin. Ikzelf bijvoorbeeld heb in de loop der jaren heel wat vrienden kunnen begraven, maar ik ben zelf niet seropositief.
Daarnaast was ik ook bang dat het verhaal te weinig vaart zou krijgen. Er zit toch al geen uiterlijk drama in - geen moord, geen revolutie of oorlog - en een ziekte als aids is wel dramatisch, maar niet spannend: iemand wordt ziek en gaat langzaam dood, that’s it. Om toch vaart in het boek te houden heb ik heel veel geschrapt en hele jaren, die aanvankelijk wel beschreven werden, weggelaten. Het oorspronkelijke manuscript was bijna tweeduizend pagina’s dik. Uiteindelijk heb ik er daarvan een dikke vierhonderd behouden.’
Constantine is een zeer conservatieve man, maar hij accepteert de ziekte van zijn dochter en de geaardheid van zijn zoon. Hij is daarin een uitzondering. U laat Billy zeggen dat veel Republikeinen opvattingen hebben die 'iets linkser zijn dan die van Hitler’. Is het werkelijk zo erg?
Cunningham: 'De Verenigde Staten zijn een land in verval. We hebben de hoogste kindersterfte van de westerse wereld, hele wijken worden geterroriseerd door kinderen van negen jaar, er zijn miljoenen daklozen, enfin, de feiten zijn bekend. Iedereen weet dat - of voelt het tenminste - maar slechts weinigen durven het te accepteren. Er heerst een massale paniekstemming, iedereen vindt dat er iets moet gebeuren. In 1992 stemde de meerderheid daarom voor Clinton, omdat hij verandering beloofde - welke verandering was niet duidelijk, maar in ieder geval verandering.
Twee jaar later bleek dat er nauwelijks iets was veranderd en nu kiest men weer voor meer van hetzelfde, dus voor rechts. Als Dole, de leider van de Republikeinen, beweert dat hij ons onderwijssysteem zal hervormen door nog meer op onderwijs te besparen dan zijn voorgangers hebben gedaan, dan gelooft men hem, want Dole is een echte vaderfiguur. En de Amerikanen hebben behoefte aan een sterke vaderfiguur om ze weer wat geloof in de toekomst te geven.
Die kritiekloze adoratie van figuren als Gingrich en Dole vind ik verontrustend, al vind ik het nog erger dat steeds meer progressieven in het openbaar beweren dat ze bij de volgende presidentsverkiezingen maar op Bob Dole zullen stemmen omdat er anders een “echte conservatief” aan het bewind komt. Mijn hemel, Bob Dole is een echte conservatief! Er is in de Verenigde Staten sprake van een steeds verdergaande politieke normvervaging, waardoor figuren die tien jaar terug extreem-rechts leken, nu bijna gematigd overkomen.
De zoon van Zoe, dus Constantines kleinkind, is de verpersoonlijking van het smeltkroesidee. Hij is biseksueel, hij heeft een zwarte vader en een blanke moeder en hij is opgevoed door een travestiet en twee homo’s. Maar ook van hem heb ik opzettelijk geen ideaal persoon gemaakt. Een multiculturele samenleving moet het namelijk niet hebben van uiterlijke tolerantie, maar van wederzijds begrip. Dat laatste ontstaat pas wanneer men open en eerlijk met elkaar praat. En dat is een langdurig en pijnlijk proces. Aan het eind van mijn roman lijkt men eindelijk zover te zijn gekomen, maar in werkelijkheid zitten we er nog bijna even ver van af als in 1935.’