Voorbij de clichés

De echte argumenten tegen de Wereldbank

Antiglobalisten hebben het nog steeds gemunt op de Wereldbank als handlanger van het grootkapitaal. Onzin. Toch is serieuze kritiek wel degelijk mogelijk. Op de keper beschouwd financiert de Wereldbank de Derde Wereld met geld uit de Tweede. Daarmee verstoort zij de internationale kapitaalmarkt.

WASHINGTON — «We are the good guys!» Martin Gurría wordt nog altijd witheet dat ook de Wereldbank kop van Jut is van de antiglobalisten. Gurría, een dertig jarige Spanjaard die nu werkt voor de Zuid-Amerika Bank, was tot voor kort consultant bij de Wereldbank. «Het ontbreekt die antiglobalisten aan intellectueel begrip waar het in de wereld om gaat. Ik hoor het niet te zeggen, maar laten we eerlijk zijn: het zijn domme rukkers», aldus Gurría. «Eigenlijk komt het door de naam. Banken zijn slecht, want instituties van het kapitalisme. Wereldbank klinkt als bank der banken. Die is dus super_slecht. Dat is larie. De Wereldbank verstrekt leningen waar gewone banken niet aan willen. Weet je wat de officiële naam is van de grootste van de vijf financiële organisaties die samen de Wereldbank vormen? De Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (IBRD). Had de bank in de volksmond zo geheten, dan had dat mij een paar rotte eieren op mijn pak gescheeld.»
Gurría’s toorn is uitzonderlijk. Afgelopen jaren is er namelijk een nieuwe wind gaan waaien door de gangen van het hoofdkantoor op H-street. Verhitte verontwaardiging heeft plaats gemaakt voor kalme weerlegging. De argumenten van de tegenbeweging der «andersglobalisten» maken weinig meer los. Ze worden met speels gemak gepareerd. Een Ierse medewerker vat ze zo samen: «De antiglobalisten staan voortdurend voor het verkeerde loket.» Volgens Indu John-Abraham, een dertigjarige Indiaas-Amerikaanse econome en consulente van de Wereldbank, heeft dat veel te maken met het beleid van James Wolfensohn: «Hij heeft de kritiek ook binnen de organisatie een stem gegeven.»
In zijn toespraken spreekt Wolfensohn, sinds acht jaar directeur van de Wereldbank, vergelijkbare taal als zijn critici. Op de jaarvergadering in Dubai afgelopen najaar zei hij tegen vertegenwoordigers van de 184 aandeelhoudende landen: «De wereld is uit balans.» De directeur — traditiegetrouw afkomstig uit Amerika, het land met de meeste aandelen — ontziet daarbij zijn eigen haard niet. «Ze _(de rijke landen — pvo)
geven miljarden uit aan defensie en hun eigen boeren, maar vergeten de armen. Ze geven 56 miljard dollar uit aan ontwikkelingshulp, maar besteden zeshonderd miljard aan wapentuig.» In zijn nieuwjaarsrede schetste hij een vergelijkbaar beeld: «In onze wereld met zes miljard mensen bezit één miljard tachtig procent van het bruto mondiaal product, terwijl één miljard mensen moet zien te overleven met minder dan een dollar per dag, en een andere 2,7 miljard met minder dan twee dollar per dag.»

Desondanks behoort de Wereldbank voor de andersglobalisten nog altijd tot de schurkencategorie eerste klas, samen met de G8, het IMF en de Wereldhandelsorganisatie. Kort na de top in Dubai manifesteerde de zogeheten World Bank Bonds Boycott zich nog in Amsterdam, waar zij bijeenkwamen om te protesteren tegen de hinder die lokale gemeenschappen ondervinden van Wereldbank-projecten. Ze maken naar eigen zeggen «gebruik van de tactieken van de Anti-Apartheidsbeweging» om «effectief de financiering van de Wereldbank door elkaar te schudden». En enkele weken voor de jaarwisseling eiste Milieudefensie nog dat de Wereldbank stopte met alle mijnbouwprojecten, vanwege de negatieve milieueffecten.
Maar dat klinkt alsof de Wereldbank een financiële liefdadigheidsinstelling is, en dat is niet het geval. Hans Hoogeveen, als econoom verbonden aan de Wereldbank: «Het wordt vaak vergeten, maar we zijn in eerste instantie gewoon een bank, zij het een vreemdsoortige. En als bank manifesteert de internationale ontwikkelingsinstelling zich op de kapitaalmarkt.» Juist hierop zou de kritiek zich wel kunnen toespitsen. Want de wijze waarop de Wereldbank zich op die markt beweegt, genereert stilaan kritiek van macro-economen. Die kritiek haalt nooit de lompe agenda van andersglobalisten, misschien omdat ze vernuftiger is en daarom moeilijk te pareren.
Om de kritiek te begrijpen is het goed om na te gaan hoe het spel van de Wereldbank in elkaar steekt. De organisatie bestaat uit vijf geassocieerde instellingen. De twee belangrijkste zijn de IBRD en de Ida (Internationale Ontwikkelings Associatie). Beide leveren geld, al dan niet op krediet. Ida-leningen gaan alleen naar de armste landen, waar het inkomen per hoofd van de bevolking lager is dan 875 dollar per jaar. De IBRD verstrekt leningen aan modalere landen waar het inkomen per hoofd van de bevolking lager is dan vijfduizend dollar per jaar. Ter vergelijking: in Nederland, met een bruto binnenlands product (bbp) van 451 miljard dollar, bedraagt het inkomen per hoofd 24.571 dollar. Het Amerikaanse bbp is 10.400 miljard (10,4 triljoen), het hoofdelijk inkomen is bijna anderhalf keer zo groot als in Nederland. Het gemiddelde inkomen per hoofd in Brazilië bedraagt 2850 dollar, in Sierra Leone circa 130 dollar. Om de cijfers in een ander perspectief te plaatsen: het Amerikaanse Congres keurde vorig jaar een wet goed om tachtig miljard dollar extra te besteden aan de wederopbouw van Irak. Dat is meer dan honderd keer het bbp van Sierra Leone.

De meer dan drie miljard wereldburgers die van minder dan twee dollar per dag moeten rondkomen, waar Wereldbank-directeur Wolfensohn zich om bekommert, leven zowel in IBRD- als in Ida-landen. In de IBRD-landen is niet alleen het gemiddelde inkomen hoger, ook de kredietwaardigheid van die landen is beter dan die van Ida-landen die op de gewone kapitaalmarkt geen schijn van kans maken. Wie leent er nu grote bedragen aan ondernemers, overheidsbeambten en projecten in landen als Somalië en Eritrea? De Ida dus wel. De overkoepelende Wereldbank verdient hier nagenoeg niets mee. Dat is ook niet het oogmerk. Het gaat om lang lopende leningen, gegeven onder uiterst zachte voorwaarden. Voor bijvoorbeeld aidsbestrijding zijn het regelrechte giften.
Dit nu ligt fundamenteel anders bij de IBRD-landen. Zij kunnen lenen bij de Wereldbank tegen een lagere rente dan op de internationale kapitaalmarkt. Maar het is wel de bedoeling dat er wordt afgelost en rente betaald. Deze handel is rendabel. Ook na aftrek van salarissen, beheer van buitenlandse vestigingen en de kosten van externe adviseurs of rapportages blijft er geld over. Met deze winst van de IBRD-leningen kunnen de Ida-activititeiten mede worden gefinancierd. Bovendien worden deskundigen en expertise uit winstgevende IBRD-projecten ingezet voor de Ida. Zo is het filiaal van de IBRD in China de voorpost van de Ida in Mongolië.
In totaal zette de Wereldbank (Ida plus IBRD) in het afgelopen jaar 18,5 miljard uit aan leningen. Het leeuwendeel gaat, anders dan vaak verondersteld, níet naar de armste landen. Twintig procent werd in Afrika uitgezet, 55 procent in Latijns-Amerika, Europa, Centraal-Azië en het Verre Oosten. Van de Ida-leningen (in totaal 7,3 miljard in 2003) ging weliswaar de helft naar Afrika en twee procent naar Latijns-Amerika, maar van de IBRD-leningen (de overige 11,1 miljard) belandde juist de helft in Zuid-Amerika en minder dan één procent in Afrika. Meer dan tien procent van de IBRD-leningen is zelfs verstrekt aan Europese landen, vooral Turkije.
De IBRD leent dit geld in op de internationale kapitaalmarkt door het uitgeven van obligaties, vergelijkbaar met de manier waarop nationale overheden hun jaarlijkse financieringstekort bekostigen. Omdat de rijke landen zich aan de Wereldbank hebben gecommitteerd (dus garant staan bij een eventueel, zij het ondenkbaar faillissement), heeft de bank de hoogste status, AAA (triple-A), op de kapitaalmarkt. Na de Amerikaanse overheid is de IBRD zo de meest kredietwaar dige financiële instantie ter wereld. De «subsidie» van de rijke landen aan de IBRD is dus niet materieel van aard, maar zit verstopt in hun volstrekt kostenloze garantstelling. Met deze middelen gaat de IBRD geld uitlenen. Hans Hoogeveen: «Om het spel van de Wereldbank te begrijpen, is het belangrijk te weten dat er ook binnen deze bank altijd sterke prikkels zijn om geld uit te blijven lenen.» De bank moet ook wel, want met de IBRD-leningen aan de Tweede Wereld worden de Ida-projecten in de Derde Wereld in steeds grotere mate bekostigd.

Hiermee komen we bij de kern van de relevante kritiek. Namelijk dat de winstdragende leningen van de IBRD de werking van de gewone kapitaalmarkt verstoren. De Wereldbank is een hiërarchische instelling. Niet alle medewerkers durven openlijk te praten over de bezwaren die aan dit mechanisme kleven. Maar bij buurman IMF in Washington legt een macro-econoom het zo uit: «De IBRD probeert gewoon geld te verdienen, zoals elke goed geleide bank. Daarom proberen ze zo veel mogelijk leningen te verstrekken aan landen waar met dat geld wat zinnigs gebeurt. Maar die landen, zoals Thailand, Mexico, China en ook Brazilië, zouden best op de gewone kapitaalmarkt terecht kunnen.»
Omdat dit niet gebeurt en deze landen geld mogen lenen tegen een lagere rente dan op de vrije markt ontbreekt aan beide kanten een rem op overmoed. Zuinigheid wordt juist ontmoedigd, omdat het geld toch weinig kost. Een crisis als in Argen tinië is zo verdiept door al die goedkope leningen, waar beide partijen aanvankelijk blij mee waren. De IMF-econoom: «Belangrijker is nog dat de IBRD door al die leningen aan bijvoorbeeld Latijns-Amerikaanse landen concurreert met banken als ABN Amro en Citicorps, of ze nu willen of niet. Hoe je het ook wendt of keert, ze kapen mogelijke klanten weg bij de commerciële banken. Ze vervuilen daardoor de markt.»
Dat klopt, blijkt uit de cijfers. Het aantal verstrekte leningen door de IBRD is vorig jaar licht gedaald. Die daling was klein (221 miljoen dollar op bijna twaalf miljard), maar niet gewenst door de IBRD (ook deze bank wil liever niet krimpen). De bank heeft namelijk minder geld kunnen uitlenen, omdat de rente op de commerciële kapitaalmarkt zo laag lag dat de leningen van de Wereldbank relatief minder goedkoop werden. Lenen op de gewone kapitaalmarkt, bij commerciële banken, heeft zelfs voordelen. Als debiteur heb je geen last van de goedbedoelde, maar lastige en strikte voorwaarden van de Wereldbank, noch van consultants die ongevraagde adviezen geven. Dat voordeel is geen flauwekul. Er werken in totaal tienduizend mensen bij de Wereldbank, die liever geen duimen draaien.

Volgens de macro-econoom van het IMF worden ook Wereldbank-werknemers — net als de commerciële bankjongens waar ze graag op neerkijken — «gepushed» om leningen te verkopen via de IBRD. Want deze instelling moet geld vergaren om de Ida-projecten te kunnen financieren.
De statistieken geven hem opnieuw gelijk. De IBRD richt zich op de meest veel belovende en snelst groeiende landen in haar klantenkring. In 2003 ging vijftig procent van alle IBRD-leningen naar twee landen: Brazilië en Turkije. De Turken realiseerden afgelopen jaar een economische groei van 7,8 procent. De Wereldbank zag haar geld dus terug, plus interest.
De winst uit deze leningen aan «emerging markets» wordt vervolgens overgeheveld naar het vermogen van de Ida. Die financiert er dan weer projecten mee in Afrikaanse en andere derdewereldlanden. Het gaat nog verder. IBRD-motors Turkije en Brazilië behoren ook nog eens tot de 38 donorlanden van de Ida die eens per drie jaar een subsidie in de kas storten. Ze lenen tegen zo’n twee procent rente bij de ene financiële instelling van de Wereldbank, om aan de andere financiële instelling van diezelfde organisatie belangeloze giften te verstrekken.
Kortom, de Tweede Wereld financiert de door de wereldgemeenschap gevraagde ontwikkeling van de Derde Wereld. En dat is, ook al heeft de Tweede noch de Derde Wereld er problemen mee, nooit de bedoeling geweest van de oprichters van de Wereldbank in respectievelijk 1945 (IBRD) en 1960 (Ida). Nergens bleek indertijd een strategie te bestaan om van de Wereldbank een organisatie te maken die geld doorsluist van de Tweede Wereld naar de Derde.
De antiglobalisten mogen hun naam dan hebben veranderd in andersglobalisten, ze bivakkeren in hun oorlog tegen de Wereldbank in de loopgraven van een vorige oorlog. Als ze in het jaarverslag zouden nagaan waaraan de Wereldbank haar Ida-leningen het afgelopen jaar heeft besteed, zullen ze raar opkijken. Verreweg het grootste gedeelte van het geld ging naar gezondheidszorg, sociale zekerheid, openbaar bestuur en naar de versterking van het justitieel apparaat. Dus niet aan dereguleringen, privatiseringen of milieuverslindende landbouwprojecten. Martin Gurría kan nu nog, met rede, badinerend doen over de intellectuele vermogens van de tegenstand. Maar als de anders globalisten zichzelf een dienst bewijzen en de argumenten van de vrije markt in stelling brengen tegen de Wereldbank, dan mogen Gurría en zijn tienduizend ex-collega’s hun borst natmaken.