Essay: welkom in de sloppenwijken van Amerika

De echte botsing der beschavingen

Amerika voorziet een «lage-intensiteit wereldoorlog» tussen rijke stedelingen en stedelijke armen. Het ontwikkelingstijdperk is voorbij, en dat betekent dat mensen zelf komen halen wat ze willen hebben. Maak kennis met de sloppenwijkenwereld.

Het ogenblik nadert dat de helft van de wereldbevolking in de stad woont. En dat zijn niet alleen villawijken. De cia is zich ervan bewust dat een wereldorde waarin een derde van de werkende bevolking een verpauperd stadsbestaan leidt betekenis heeft. Het Pentagon houdt zelfs rekening met een langdurige «lage-intensiteit wereldoorlog» tegen zogeheten «gecriminaliseerde segmenten van de stedelijke armen». Dit scenario, schrijft de Amerikaan Mike Davis in Planet of Slums, is de werkelijke botsing der beschavingen.

Davis baarde als stadssocioloog al eerder opzien met boeken als City of Quartz, over de geschiedenis van Los Angeles, The Monster at Our Door: The Global Threat of Avian Flu en Prisoners of the American Dream, waarin hij uitlegt waarom de werkende klasse in de Verenigde Staten er maar niet in slaagt politiek enig gewicht in de schaal te leggen. Davis is een linkse man. Hij is als redacteur verbonden geweest aan The New Left Review en zijn werk verschijnt bij de aan dit tijdschrift gelieerde uitgeverij.

In het fascinerende Planet of Slums beschrijft Davis hoe het razendsnelle verlies aan banen in de agrarische sector gepaard gaat met een massaal vertrek uit de kleinschalige nederzettingen die duizenden jaren lang de bakermat van het boerenbestaan vormden. Deze gigantische habitatverschuiving tekent zich voornamelijk af op het zuidelijk halfrond. Al binnen twee decennia zal de bevolking van metropolen als Jakarta, Dhaka, Karachi, Sjanghai en Mumbai zijn aangezwollen tot 25 miljoen of meer. In het midden van deze eeuw zal de mondiale stadsbevolking ongeveer tien miljard zijn.

***

Urbanisatie is geen nieuw verschijnsel. Eerdere volksverplaatsingen leidden tot geregelde tewerkstelling in fabrieken en andere takken van moderne stadse bedrijvigheid. Of de boerenbevolking vertrok naar relatief «lege» werelddelen, waar zij soms opnieuw als boer aan de slag ging. Amerika, Australië, Siberië en zuidelijk Afrika misten toen de arbeidskrachten die nodig waren om land en grondstoffen te ontginnen. De economische vluchtelingen uit Europa waren welkom als kolonisten en werden geroemd om hun doorzettingsvermogen en ondernemingszin. Maar die onbezette en dunbevolkte delen van de wereld zijn nu volgelopen. Voor Aziaten en Afrikanen die uit het agrarisch bestaan worden gedreven is er geen andere route dan die naar de stad.

De huidige urbanisatie gaat niet gepaard met industriële groei. De nieuwe stedelingen in Latijns-Amerika, Afrika en Azië vinden geen werk in moderne fabrieken en andere hoogwaardige takken van bedrijvigheid, maar zijn aangewezen op ongeschoold werk in dienstverlening, ambachtelijke ateliers en kleinhandel. De extreem lage lonen verklaren waarom zij voor het overgrote deel terechtkomen in slums, krottenwijken waar ze naar alle waarschijnlijkheid voor de duur van hun leven opgesloten zullen blijven. Davis toont aan hoe het almaar oplopende arbeidsaanbod van stedelijke nieuwkomers de vraag verre overtreft, waardoor dit voetvolk verstoken blijft van een menswaardig bestaan.

De slums van nu bevinden zich bovendien niet meer in de stadscentra maar maken deel uit van een uitgerekte buitenzone waar de stedelijke bebouwing overgaat in het omringende platteland. Ditzelfde landschap vind je in oostelijk Europa, waar de Tweede Wereld in zekere zin is opgegaan in de Derde Wereld.

De kortstondige fase die hoopvol als «de ontwikkelingsdecennia» werd aangeduid, is zo voorbij gegaan zonder veel te hebben nagelaten. Het verdwijnen van de centrale planeconomieën en de daarmee verbonden politieke regimes noopt tot herziening van het jargon dat uit het ontwikkelingsdenken stamt.

Hoewel de lobby van non-gouvernementele organisaties onverdroten blijft optreden als pleitbezorger van de idealen van ontwikkeling heeft ook deze vorm van particulier initiatief er vaak aan meegeholpen dat de armen aan de vrijemarktwerking zijn overgeleverd.

***

Wat is een slum eigenlijk? Een dichtbevolkte ruimte gevuld met armzalige onderkomens waarvan de bewoners niet over voldoende schoon water en sanitaire voorzieningen beschikken. Overbezetting van de grond en het ontbreken van drainage, bestrating en afvalverwijdering dragen bij aan de vervuiling. Het huizenbestand is meestal door zelfbouw tot stand gekomen, niet in één keer maar in etappes. Het resultaat is een bonte verzameling naar grootte en vorm, versterkt door de veelsoortigheid van het gebruikte materiaal: ruwe bakstenen, ijzeren platen of platgeslagen blikken, afvalhout, cementen blokken, stukken asbest, juten zakken, plastic vellen, bordkarton, stro en ander afval dat een hernieuwde, weinig duurzame bestemming krijgt. Het eigendom van de grond is onduidelijk. De bewoners zijn lang niet altijd de eigenaar. Huurbazen zijn winkeliers en geldschieters, politieagenten of lage ambtenaren, handelaren in drank of drugs, gokbazen, eigenaars van transportmiddelen en bendeleiders. Leven en werken in armoede betekent stelselmatig te zijn onderworpen aan geweld en willekeur, en dikwijls illegale heffingen. Daardoor wordt kapitaal gegenereerd dat niet in de slum blijft. Criminaliteit komt in alle soorten en maten voor, met de inwoners in de rol van slachtoffer en dader.

De bestaanscyclus van een slum begint met wilde occupatie. Als de pioniers niet onmiddellijk worden verwijderd, neemt het aantal krakers toe en maken de provisorische onderkomens van het eerste uur geleidelijk plaats voor iets betere behuizingen. Het stadium dat hierop volgt is regulering van de slum, waarbij de autoriteiten zich bij het bestaan van de nederzetting neerleggen, meestal in ruil voor stemmen. De overheid geeft vestigingsbewijzen uit zonder de verplichting te aanvaarden om basisvoorzieningen zoals drinkwater, een toegangsweg of elektriciteit te verschaffen. Ontruiming kan nog altijd. Vaak gebeurt dit ook, met als argument dat de bezette ruimte voor stadsuitbreiding nodig is of dat de slumbewoners afbreuk doen aan orde, fatsoen en algemeen belang. Bulldozers vernielen vervolgens wat met jarenlange inspanning is opgebouwd.

De uitzetting van de bewoners betekent dat die op een andere plek aan een nieuwe ronde moeten beginnen. Het voortdurend «doorspoelen» van een losse massa, steeds ambulant in het niemandsland tussen stad en platteland, maakt het moeilijk bij benadering de omvang van de slumbevolking vast te stellen. De beschikbare statistieken dienen daarom met voorbehoud te worden gelezen. De overheid neigt ertoe deze verworpenen der aarde buiten beeld te houden, alleen al om eventuele rechten bij voorbaat onmogelijk te maken. Terwijl in de ontwikkelde wereld slechts zes procent van de stedelijke bevolking in achterbuurten woont, loopt dit percentage in wat hardnekkig «ontwikkelingslanden» worden genoemd op tot meer dan 75. Slumvorming verloopt er sneller dan stedengroei.

***

En toch is de tocht naar de stad allesbehalve gemakkelijk. Zelf heb ik op het platteland van West-India veldwerk verricht naar de opkomst van zogenaamde «dorps-slums» voor de landarme en landloze onderklassen die zelfs te weinig bezitten om de steden te bereiken. Het ontbreekt hen aan geld en contacten om de tocht te wagen.

Politici en beleidsmakers missen daarvoor meestal elke belangstelling. Toegegeven, op de millenniumtop van 2000 hebben de verzamelde staatshoofden en regeringsleiders zich plechtig voorgenomen de armoede krachtig aan te pakken, onder regie van de Verenigde Naties. In vijftien jaar moet het aantal mensen zijn gehalveerd dat van minder dan een dollar per dag moet rondkomen, dat honger lijdt en verstoken is van schoon water. Andere toezeggingen: het sterftecijfer onder kinderen en het zwangerschaps-sterftecijfer met tweederde terugdringen, de verspreiding van hiv/aids, malaria en andere armoedeziekten tot staan brengen en basisonderwijs zeker stellen. Maar volgens Jan Pronk hebben de politici en beleidsmakers die plechtige beloftes nooit werkelijk serieus genomen. Ze prevelen de millenniumdoelstellingen als een gebed, maar zijn het geloof in de haalbaarheid al lang verloren. Pronk spreekt in zijn vorig jaar verschenen boek Willens en wetens van een schijnvertoning.

Als hulp een illusie is, hoe voorzien de armen in de groeiende slums dan in hun levensonderhoud? Davis gaat uitvoerig in op de informele sector van de economie. Dit containerbegrip is enkele decennia geleden in omloop gekomen om tot uitdrukking te brengen dat de migrantenhorden na hun aankomst in de stad niet in fabrieken en andere geregelde werkplaatsen aan de slag gaan, maar als weinig geschoolde en laagbetaalde krachten daarbuiten. Zonder vast emplooi of aanspraak op bescherming maken ze hun arbeidskracht te gelde met gelegenheidswerk, in loondienst of voor eigen rekening en risico. Soms thuis verricht, soms op straat of in kleinschalige ateliers en verspreid over ambachten, in de bouw, kleinhandel, transport en dienstverlening.

Het is een organisatie van bedrijvigheid die de apostelen van het marktfundamentalisme aanprijzen als de beste strategie voor de bestrijding van armoede. Het zou immers de vraag naar arbeid verhogen. De informele sectorwerkers worden niet als arbeiders getypeerd, maar als kleine ondernemers, die uitgesloten blijven van formele kredietverlening, omdat hun ongeregistreerde eigendom, voorzover zij dat hebben, niet als onderpand wordt aanvaard. Maar die wel, bij enig succes, microkrediet kunnen krijgen om zichzelf, na verhoging van productiviteit en omzet, uit hun ontoereikende bestaan te bevrijden. Het is het Baron-von-Münchhausen-model voor zelfverheffing.

Davis verwerpt deze «oplossing» als een mythe. In feite maken de gigantische hoeveelheden informele-sectorwerkers deel uit van een reserveleger van arbeid dat gehuurd en afgedankt wordt al naar gelang de behoefte van het moment. De condities zijn niet onderhandelbaar: extreme verlenging van de werktijd afgewisseld door periodes van gedwongen nietsdoen, inschakeling van bejaarden en kinderen in het economisch proces, onderwerping van vrouwen aan het dictaat van hun mannen, en dat alles voor de laagst denkbare prijs van arbeid. Kortom, flexibilisering tot je erbij neervalt. Het is een arbeidsregime waarin de staat als handelende partij ontbreekt. Die heeft immers gehoor gegeven aan de neoliberale doctrine en zich teruggetrokken als toezichthouder op de economische bedrijvigheid. Dit terugtreden is gevolgd op de privatisering van de publieke ruimte, die voorheen nog enig tegenwicht bood aan de onbeteugelde tucht van de markt.

Waarom komen de slumbewoners zelf niet in actie om hun belangen te behartigen? Over die kwestie is Mike Davis pijnlijk kort, want er zijn niet zo veel aanknopingspunten. In de eerste plaats zijn de gelederen niet gesloten maar verdeeld langs lijnen van religie, etniciteit, regio, kaste, clan of stam. Belangrijker nog is de fragmentering van arbeid over een enorm scala van beroepen en modaliteiten van tijdelijke tewerkstelling. Ook die staan een eensgezind en gezamenlijk optreden in de weg. En ten slotte is er de harde hand van de staat die verzet veroordeelt als een aanslag op de maatschappelijke orde en rust. Zeker, uitbarstingen van onvrede komen voor, maar meer spontaan dan georganiseerd, van korte duur en niet aanhoudend, vaker lokaal dan wijdverbreid en met een beroep op verticale loyaliteiten, als religie, etniciteit en regionale herkomst.

Ontegenzeggelijk is er de notie van «une classe dangereuse». Amerika bereidt zich voor op de genoemde «lage-intensiteit wereldoorlog». Europa heeft zich gewapend door de grenzen te sluiten, waardoor vluchtelingen het beloofde land nu per boot of als drenkeling bereiken. Weet u nog van die twee jongens uit Afrika die onder het landingsgestel van een Belgisch vliegtuig doodvroren met een brief op zak? Daarin stond wat ze wilden: scholing en een waardig bestaan. Zielig? Ja. Maar het zijn toch gelukzoekers die thuis hadden moeten blijven.

Tinbergen heeft ons nog zo gewaarschuwd: als we ontwikkeling daar niet toestaan, komen ze het hier halen. Maar Tinbergen is bijgezet als een naïeve en wereldvreemde econoom. Werkelijk, het ontwikkelingstijdperk is voorbij. •

Mike Davis, Planet of Slums, Verso, 228 blz., E18,45