Essay: Filosfie van de eer de de trots

De echte liberaal is een Advocaat van eer

Anders dan de moderne had de klassieke liberaal een pessimistisch mensbeeld. Niet uit zichzelf, maar door lof en blaam blijft de mens op het goede pad. Niks normen en waarden. Eer en trots!

Dick Advocaat is geschoten. In de babbelprogramma’s die vanuit Portugal worden uitgezonden, haalde de publieke hoon direct na de wedstrijd Nederland-Tsjechië angstaanjagende hoogten. Toen de minister voor Bestuurlijke Hervorming en Koninkrijksrelaties Thom de Graaf met een glimlach live in de uitzending van Villa BvD vertelde dat de wedstrijd was verloren door het wisselen van aanvaller Arjen Robben juichten er honderden oranjefans achter hem. De minister verklaarde zelfs dat het «klote» was.

De bondscoach heeft zijn publieke reputatie definitief verloren. Natuurlijk zal hem worden voorgehouden door assistent-coach Willem van Hanegem, public-relationsman Eef Brouwers, door zijn vrouw en kinderen, en wellicht zelfs door zijn psychiater dat hij «boven» de mening van anderen moet staan. Dat is immers al decennialang het geijkte advies in de officiële moraal van de getherapeutiseerde, liberale samenleving. Het gaat niet om de mening van anderen; zolang je jezelf bent, jezelf waardeert en zelfs «respecteert», kun je geluk ervaren. Zelfontplooiing moet de plaats innemen van nare, «negatieve» gevoelens van schaamte.

Toch weet iedereen, al ken je de man niet persoonlijk, dat de mening van anderen Dick niet koud laat. Hoe schaamteloos hij zijn geïmplanteerde hoofd ook heeft laten uitventen door een hairlease-fabrikant, ook hij is niet ongevoelig voor publieke roem. Wie wel? De zorg om een goede naam is wellicht de meest effectieve prikkel voor goed of «rechtvaardig» gedrag. Een goede reputatie is de reden van zo velen om ’s morgens het bed uit te komen, of als de kinderen erin liggen nog uren door te brengen in het buurthuis of achter een tekstverwerker.

Eerverlies en schaamte kan iedereen navoelen, nog altijd. Daar is zelfs een woord voor: plaatsvervangende schaamte. Het was voor het publiek bijna onvoorstelbaar dat Tara Singh Varma in een televisieprogramma, maanden na het uitkomen van haar leugen, alsnog probeerde begrip te krijgen, als slachtoffer. En ook «drs» Charles Schwietert riep hoon en plaatsvervangende schaamte op. De voormalige nieuwslezer kwam uit kringen waar eer en trots nog iets betekenen, en hij begreep daarom dat niets anders restte dan emigratie nadat was gebleken dat hij had gejokt over zijn opleidingen. Schaamte is iets anders dan schuldgevoel, dat verbonden is aan het geweten. Bij schaamte wil een mens onzichtbaar worden, of «door de grond zakken». Dat is een bijna fysiek gevoel dat bij schuldgevoel niet speelt.

Maar hoewel de eerzucht iedereen door de aderen jakkert, is eer uit het vocabulaire van de sociale wetenschapper verdwenen, zeker wanneer die nadenkt over onszelf, westerlingen in een liberale samenleving. Slechts een enkele cultureel-antropoloog is erin geïnteresseerd, en dan alleen wanneer het migranten betreft, verre culturen of een studie naar het duel, een inmiddels in onbruik geraakte uitwas van de klassieke eerethiek. Het woord «eer» kan maatschappelijk op weinig steun meer rekenen. Het klinkt archaïsch en roept slechts associaties op met voetbalhooligans en allochtonentwisten.

Maatschappelijk heeft de Romantiek het pleit gewonnen, zoals filosoof Doorman stelt in zijn onlangs verschenen boek De romantische orde. Voor romantici is het streven naar prestige en de vergelijking met anderen abject en verwerpelijk en, vooral, door en door burgerlijk. Alleen hij die zijn eigen aard volgt, houdt zichzelf en anderen niet voor de gek en probeert niet iets te lijken wat hij niet is. In een lange geschiedenis, die voert van Rousseau naar denkers als John Stuart Mill, Herbert Marcuse, Jean-Paul Sartre en psychologen als Maslov en Fromm, wordt het een deugd slechts het «eigen kompas» te volgen, naar je «innerlijke stem» te luisteren en niet «de oren te laten hangen naar de goegemeente». Het gaat voortaan om zelfontwikkeling en persoonlijke groei en niet om eerbewijzen en status. De mening van anderen moet je koud laten. Sartre beweerde zelfs dat «l’enfer c’est les autres» en de gasten bij Oprah Winfrey wordt als imperatief gesteld tevreden te zijn met eigen falen: want «dat ben jij!». Negeer onaangename gevoelens van inferioriteit, opgelopen in het sociale verkeer, want «zo ben je nu eenmaal», hoe terecht de onvrede over het eigen gedrag ook is.

In werkelijkheid bestaat de bezorgdheid om de eigen reputatie nog altijd, gelukkig maar. Al die populaire psychologen als René Diekstra en Wayne Dyer houden niet alleen hun lezers, maar ook zichzelf voor de gek. Diekstra probeerde na het verlies van zijn goede naam — hij bleek een plagiërende fraudeur — uit alle macht begrip te krijgen, in radio- en televisie-uitzendingen, als slachtoffer. Schwietert, op zijn beurt, hield zich buiten het publieke oog alsnog bezig met het schrijven van een proefschrift over het omgaan met een publieke val. Maar als modieuze morele imperatief leeft de gedachte overal: gewoon jezelf zijn.

Het was ook precies deze leus waarmee Ed Nijpels in de jaren tachtig de verkiezingen won. Hoewel Bolkestein later publiekelijk afstand nam van dit blijheid-vrijheid-liberalisme, kan niemand ontkennen dat de slogan van Nijpels (met de duimpjes omhoog) een heldere verwoording is van de kern van het hedendaagse liberalisme. Mensen moeten zo veel mogelijk worden vrijgelaten bij de inrichting van hun leven.

Met eer gaat een dergelijke vrijheid natuurlijk moeilijk samen. Schopenhauer gaf ooit een heldere definitie: «Eer is de representant van onze waarde in de gedachten van anderen.» Eer is niet in eerste instantie verbonden aan een goed gevoel over jezelf, maar aan het beeld dat anderen van jou hebben. Zelfrespect, een woord dat in Schopenhauers tijd nog niet bestond, volgt pas daarna. Eer betekent dat je je iets aantrekt van wat anderen over je denken, en bezorgdheid om de oordelen van anderen perkt je vrijheid in, hoe dan ook. Niks: gewoon jezelf zijn. Hoewel de leus dus illustratief is voor het moderne liberalisme, zijn het loze woorden.

Omdat de oude eerethiek ondergronds is gegaan, behoeft het verdediging wanneer eer onderwerp is van een eigentijdse analyse. Dat was al zo in 1917. In dat jaar verschijnt een heruitgave van Conrads roman Lord Jim, oorspronkelijk uit 1900. De schrijver voorziet de heruitgave van een nieuw voorwoord waarin hij antwoord geeft op de kritiek van een lezeres die het verhaal «morbide» vindt. Conrad benadrukt dat hoofdpersoon Jim niet het product is van een perverse geest.

Jim is een scheepsmaat met een deugdzaam voorkomen. Hij monstert aan op een nauwelijks zeewaardig schip dat enige honderden pelgrims vervoert. Als het schip op zee ernstige averij oploopt, besluit de bemanning te vluchten en de zeshonderd slapende pelgrims aan hun lot over te laten. De bemanningsleden laten hun eigen voort bestaan prevaleren boven dat van hun menselijke vracht.

Hoewel de jonge Jim graag een held had willen zijn, verlaat ook hij, in een vlaag van verstandsverbijstering, met de officieren het schip. Zij weten zich te redden, maar de pelgrims ook. Het schip is op wonderbaarlijke wijze blijven drijven. Wanneer de pelgrims worden gehoord, komt de ware toedracht aan het licht. Deze verschilt nogal van het verhaal van de bemanning. Die beweerde dat het zou hebben ontbroken aan zowel de tijd als de middelen om de pelgrims in veiligheid te brengen. Dat blijkt niet waar, maar de officieren weten aan vervolging te ontkomen. Jim niet, en dat wil hij ook niet, al zijn er wel kansen toe. Hij hoopt alsnog te bewijzen een man van eer te zijn. Dat pakt anders uit: de hoorzitting trekt enorme publieke belangstelling en Jim komt overal bekend te staan als iemand die de erecode heeft gebroken, een man met een «soft spot».

Conrads roman maakt twee dingen duidelijk. In de eerste plaats dat eer dikwijls te maken heeft met de keuze voor leven of dood. Iets minder dramatisch geformuleerd: het gaat bij eer om een keuze tussen het materiële eigen be lang en hogere belangen. De eervolle keuze is meestal, maar niet per se, de keuze tegen het eigenbe lang. De bereidheid lijf en goed onderge schikt te maken aan een hoger doel, biedt iemand de mogelijkheid te laten zien dat hij meent waarvoor hij zegt te staan, of dit nu het vaderland is of de bescherming van walvissen. En ten tweede: eer betreft zowel de waarde die iemand zichzelf toekent, als de waarde die anderen hem toekennen. Jim was misschien in zijn eigen ogen een man van eer, maar de hele notie van eer veronderstelt dat anderen dat onderschrijven. Dat laatste is essentieel en maakt dat eer ook alles te maken heeft met iemands plaats in de samenleving. Eervol gedrag is zichtbaar gedrag waar anderen mee kunnen instemmen en tegen opkijken. Maar van eer kan pas sprake zijn als die instemming er daadwerkelijk is. In laatste in stantie ontlokt eervol gedrag altijd een of ande re vorm van instemming, nooit ontstem ming. Je kunt dus geen man of vrouw van eer zijn terwijl de rest van de wereld daar anders over denkt.

Eer is de beloning voor goed gedrag. Overwegingen van eer zijn daarmee zeker niet altruïstisch. Maar ze zijn ook niet zelfzuchtig in enge zin. Het eigen materiële belang en het eigen voortbestaan zijn er niet altijd mee gediend. Je zou kunnen zeggen dat wie zich laat leiden door overwegingen van eer het algemeen belang dient uit een zeker eigenbelang. De intentie is niet erg verheven, maar het gedrag deugt.

Niet alleen de romanticus heeft de eerethiek ondergronds gedreven en in alle lagen van de bevolking de gedachte laten postvatten dat angst voor gezichtsverlies verkeerd is. Ook in het utilitarisme van de achttiende en negentiende eeuw is het streven naar eer ongezond, omdat het niet bijdraagt aan de totale hoeveelheid geluk in de samenleving. Eer is niet nuttig. Het streven van de mens is er volgens de utilitarist op gericht pijn te vermijden en plezier op te zoeken. En de mens die erop uit is plezier te maximaliseren zou wel gek zijn als hij zich al te veel gelegen laat liggen aan de mening van anderen. «Foolish pride» is een gevleugelde uitspraak in het Angelsaksisch taal gebied. Utilitarisme is nog altijd belangrijk. Vooral moderne, invloedrijke economen als Milton Friedman en Gary Becker zijn schatplichtig aan de traditie.

Nu romantische en utilitaristische manieren van denken de samenleving in een moreel vacuüm hebben gejaagd, waarin politici om het hardst «normen en waarden» roepen, zou je denken dat liberalen bij de bestudering van het werk van de grondleggers van hun gedachtegoed de oudere eerethiek opdiepen. Want eer speelt een belangrijke rol bij Hume, Locke en Smith. Huidige liberalen schermen graag met hun teksten, maar ze slaan de omvangrijke passages over de rol van eer en een goede reputatie over. Dat is wel begrijpelijk, aangezien deliberaties over gezichtsverlies zijn verwezen naar de voetbaltribune en de allochtonenfamilie. Daardoor heeft de lezer nauwelijks meer de middelen om zich er zinvol op te bezinnen. Bovendien prevaleert een verkeerde opvatting van geschiedenis; in het oude wordt altijd het nieuwe gezocht, waardoor denkers uit het verleden altijd worden gezien als voorlopers. De hedendaagse liberaal leest anachronistisch. En als je slechts sporen terug volgt, dan heet Aristoteles een wegbereider van de democratie, dan is de zeventiende-eeuwer John Locke voor alles een voorloper van het moderne individualisme, en dan is de achttiende-eeuwer Adam Smith primair een vroege marktdenker. Dat Smith, bijvoorbeeld, ook honderden bladzijden heeft geschreven over het belang dat de mens hecht aan zijn eer en reputatie, zegt de hedendaagse liberaal niets. En bij de bestudering van de zogenaamde aartsvader van het liberalisme, John Locke, wordt altijd het Tweede vertoog over de regering ter hand genomen, zelden tot nooit het minder bekende werk Some Thoughts Concerning Education, waarin Locke uiteenzet dat de vrijheid van de burger een beperking kent in de zorg om zijn reputatie. En dat dit ook zo dient te zijn en te blijven. Niks: gewoon jezelf zijn.

De vrij heid van staatsinter ventie in de privé-sfeer vormt bij Locke aller minst een vrijbrief voor zelfzuchtig gedrag. Anders dan de inmiddels dominante romantici geloven Locke, Hume en Smith ook niet in aangebo ren morele principes. De mens is een egoïst. Aangeboren principes houden ons niet op het juiste spoor, maar leiden slechts tot ontsporingen, zoals roof, verkrachting en moord. Anders dan Nijpels en Oprah Winfrey huldigt de klassieke liberaal een pessimistisch mensbeeld. Lof en blaam vormen een noodzakelijke rem op onze neigingen. Hume moedigt daarom nadrukkelijk opvoeders aan om de aangeboren bezorgdheid om de goede naam vooral bij jeugdigen nog eens extra aan te wakkeren. En bij Smith moet de «onpartijdige toeschouwer» in ieders hoofd, naar wiens oordeel een mens zijn gedrag richt, zo veel mogelijk worden gevoed door de meningen van anderen. Een heremiet of kluizenaar kan geen goed burger zijn.

Opvallend is dat de alom geroemde aartsvader van de vrije markt al in de achttiende eeuw klaagt over de opkomende stedelijke samenleving. Want de anonimiteit ervan verwaarloost de onpartijdige toeschouwer. Smith is net zo goed een voorloper van het hedendaagse pessimisme over verstedelijking en anonimisering van de menselijke verhoudingen, als een «voorloper» van een nieuw, modern liberalisme.

De klassieke liberalen waren überhaupt niet bezig voorloper ergens van te zijn. Integendeel, ze waren gepokt en gemazeld in de antieke traditie, waar ze een in onze ogen welhaast obsessieve fascinatie voor koesterden. Wat moraal betreft wezen ze de stoïcijnse filosofie af, en volgden ze de Romeinen, met name de invloedrijke senator Cicero. Ze deelden zijn overtuiging dat het een vorm van «principeloosheid» is om zich niets aan te trekken van de mening van anderen.

Alles wordt anders bij de negentiende-eeuwer John Stuart Mill. Die kan wel een liberale voorloper worden genoemd van het ontplooiingsliberalisme à la Nijpels. En bij de meest invloedrijke van de moderne liberalen, John Rawls, is er al helemaal niets meer over van de moraal filosofie uit het klassiek liberalisme. Noties als eer, reputatie en schaamte spelen in zijn werk, voor zover aanwezig, slechts een negatieve rol. Niemand mag zich bij Rawls een oordeel aanmatigen over het levensplan van een ander. Hierdoor blijft evenveel zelfrespect voor iedereen mogelijk, zo legt hij uit in zijn magnum opus A Theory of Justice (1971). Dit onge acht het levens plan dat iemand kiest. Want «(…) voor het bereiken van rechtvaardigheid moeten we vermijden te oordelen over de relatieve waarde van andermans levensplan». De politiek filosoof Alan Bloom zei daarover eens: als iemand besluit zijn leven te wijden aan het tellen van grassprietjes, dan mogen we daar van Rawls geen oordeel over hebben.

Voor waardigheid geldt bij Rawls hetzelfde gelijkheidsdenken. Hij maakt een scheiding tussen persoon en daad. Het gaat niet om wat mensen doen, maar om wat ze zijn. En ze zijn allen gelijkwaardig. Zelfs verschillen in status moeten worden uitgeband, wat kan lukken — volgens Rawls — als we die niet ontlenen aan verschillen in inkomen, maatschappelijke positie of talent, maar aan burgerrechten als stemrecht of vrijheid van meningsuiting, waarover iedereen in dezelfde mate beschikt. Rawls omzeilt hiermee inderdaad het probleem dat ongelijkheid en status hand in hand gaan, maar hij ontneemt tegelijkertijd het woord «status» haar betekenis, omdat mensen zich juist vergelijken op de punten waarop ze wél verschillen. In reactie op deze kritiek stelde Rawls dat hij niet van zins was psychologische inzichten tot toetssteen van zijn concept van burgerschap te maken. Net als populaire psychologen als Diekstra en Fromm wil hij niet zien hoe mensen werkelijk in elkaar zitten.

Wie dit wél doet, ziet dat Dick Advocaat niet gelukkig is met zijn tanende status. Maar hij kan zich tegelijk afvragen of er een rem zit op het gebrul van columnist en voormalig voetballer Jan Mulder, die als vaste stamgast bij Villa BvD dagelijks onbedaarlijk de faam van de bondscoach afbreekt. Zal de terechte angst dat de goegemeente op een dag meer schande van hem spreekt dan van de bondscoach, hem ertoe brengen iets minder zichzelf te zijn? Het is te hopen. En ook te verwachten, niet omdat hij naar een «norm» of «waarde» wil leven, maar omdat hij streeft naar eer, net als iedereen. Je bent niet voor niets dagelijks op de buis.