De eco-economische opstand

Hij is ervan overtuigd dat er een grote eco-economische opstand zal komen. Nou ja, het duurt nog wel een eeuw, maar de voortekenen zijn er al. In gesprek met Willem Hoogendijk.

‘OPSTAND MOET ER KOMEN!’ schreef hij onlangs in een opinierend artikel in Trouw. We moeten afkicken van alle postindustriele heilsverwachtingen rond economische groei, schaalvergroting en globalisering. Een opstand van werklozen, gemarginaliseerden en mensen van goede wil moet een eind maken aan de voortgaande roofbouw op mens en milieu. De gestaalde kaders van de consumptiemaatschappij - politici, captains of industry en biefstuksocialisten - zullen een stap opzij moeten doen.
Opruiende taal, die nog maar weinig wordt gehoord in deze tijden van privatisering, bezuinigingsdwang en lage-lonenpsychose. Maar Willem Hoogendijk, milieuactivist van het eerste uur en adviseur van de Stichting Milieu Educatie, is geduldig als een kabouter. Het zal nog wel een eeuw duren eer de wereld is doordrongen van de samenhang tussen milieubehoud en bevrijding van de arbeid, maar niettemin ziet hij zulke denkbeelden veld winnen in de vakbeweging, onder studenten en uitkeringstrekkers en zelfs binnen het establishment: 'Ik hoorde laatst dat Akzo-topman Loudon ook al voorstander is van de ecotax.’
Zijn eigen visie legde hij neer in The Economic Revolution, waarvan het eerste deel is vertaald onder de titel Economie ondersteboven (uitgeverij Van Arkel, 1994). Het tweede deel, De grote ommekeer, zal later dit jaar verschijnen. Hoogendijk onderschrijft de stelling van de econoom Galbraith dat economie een kwestie is van je boerenverstand gebruiken, en dat betekent in de eerste plaats afstand nemen van de economische groei.
Hoogendijk: 'Economische groei wordt meestal verdedigd met het argument dat de mens oneindige behoeften heeft. Maar er is ook sprake van een opstuwing van de behoeften. Ten eerste zijn veel van onze behoeften niet echt, maar afgeleid. Als je werkt in Amsterdam en gaat wonen in Purmerend, ga je meer gebruik maken van vervoermiddelen. Om je was op tijd droog te krijgen, koop je een wasdroger, die weer extra energie verbruikt. Dan heet het dat de energiebehoefte is toegenomen, maar veel komt dus voort uit externe dwang. Een groot deel van ons inkomen vloeit ook weg naar banken, concerns en fondsen. Dat geld zien we weer terug in de vorm van kantoorkolossen, winkelcentra en andere megaprojecten die ook nog eens arbeid overbodig maken. Wie heeft daar om gevraagd?’
Volgens Hoogendijk leidt het dolgedraaide geldsysteem alom tot groeidwang: 'Stilstand betekent voor een onderneming achteruitgang. En zelfs de geldschieter moet groeien, want als het inkomen van een kapitaalverschaffer stabiel blijft, verliest hij aan de vermogenskant. Zo wordt iedereen gedwongen tot groei: instellingen moeten groeien, gemeenten moeten groeien om een grotere rijksbijdrage in de wacht te slepen, enzovoort. Niet alle groei is natuurlijk verwerpelijk, en rente heeft natuurlijk de verdienste dat we sparen en niet klakkeloos consumeren. Maar onze groei is ontaard in woeker, die niet aan onze behoeften beantwoordt.’
Zijn onze behoeften niet vooral irrationeel, gedreven door het verlangen naar macht over de materie en over andere mensen, of gewoon door afgunst?
'Kijk, in zekere zin zijn we kuddedieren die elkaar nadoen. Het schijnt dat in Japan iedereen evenveel wil hebben als zijn buurman, terwijl wij in het Westen juist allemaal meer willen dan onze buurman. Veel behoeften zijn ook een vorm van compensatie. Als je voldoening vindt in je werk, heb je minder behoefte je te omringen met allerlei gadgets. Je moet - zoals Godfried Bomans ooit zei - een andere bodem onder het bestaan van de mensen schuiven, zodat er een andere cultuur ontstaat. Een cultuur waarin je compensatie krijgt op een ander vlak: in zinvol werk, in relaties, in je woonwijk, stad of streek die weer levendig wordt.
Het terugdringen van onze opgeschroefde binnenlandse en internationale arbeidsdeling zou ook een enorme culturele verrijking zijn. Nederland is natuurlijk een zeer open, afhankelijke economie. Mij staat een gedecentraliseerde economie voor ogen, die minder afhankelijk is van andere landen, meer zelfvoorzienend is. Kijk alleen eens naar de culturele eenzijdigheid die is ontstaan doordat we allerlei takken van bedrijvigheid zijn kwijtgeraakt, zoals textiel en scheepsbouw. Dat is een verarming van de maatschappij, van onze cultuur, van de vaardigheden en van de beschikbare kennis.’
Vergt de terugkeer naar een rustiger, soberder leven geen enorme hoeveelheid moderne technologie?
'Welnee, juist een arbeidsintensievere technologie! De ecotax is helemaal gericht op het duur maken van milieu en energie, en het goedkoper maken van arbeid. Veel van de ware kosten voeren we momenteel niet op in onze economische berekeningen. Dat is natuurlijk ook een machtskwestie, een kwestie van belangen. De ver voortgeschreden arbeidsdeling in de wereld is eigenlijk heel onvoordelig. Dat geldt ook voor onze monoculturisering: de afhankelijkheid van een paar exportprodukten maakt onze economie uiterst kwetsbaar. Laten we om te beginnen eens de energie een reele prijs geven, dan worden alle economische plaatjes op slag anders. Momenteel rust er niet eens een accijns op kerosine.’
Welke internationale consequenties heeft dat? Moeten sommige landen hun grenzen gaan sluiten om hun duurzame markten te beschermen?
'Ik denk natuurlijk in langzame processen. Wat mij betreft wordt de Europese Unie vandaag opgedoekt en gaan we allianties aan met gelijksoortige landen. Dan zouden we bijvoorbeeld met pakweg Sicilie en Noorwegen handel opzetten, met landen die ook op de eco-toer zijn. Noem het eco-allianties. Binnen de Europese Unie moeten landen als Duitsland en Nederland hun milieunormen verzachten, Italie en Portugal zouden ze moeten optrekken. Eigenlijk heeft zoiets als ecotax pas zin in Oeso-verband, met alle grote industrieblokken tegelijk, die dan aan hun invoer dezelfde milieu-eisen zouden moeten stellen als zij aan hun eigen produkten stellen. Zo oefen je druk uit op de niet-Oeso-landen.’
Maar derde-wereldlanden missen de technologie om milieuvriendelijk te produceren. Die worden dan toch kapot geconcurreerd?
'Daar zou je ze dan ook mee moeten helpen, door overdracht van technologie. Vaak is er ook sprake van westers kapitaal dat in een derde-wereldland produceert om niet aan onze eisen te hoeven voldoen. En ach, toen Japan en Californie milieu-eisen gingen stellen aan auto’s werd er ook hevig tegengesputterd, maar nu produceert iedereen schonere auto’s. En landen kunnen gebruik maken van onze remmende voorsprong om zelf speerpunttechnologieen te ontwikkelen, zoals Japan heeft gedaan.’
HOE ZIET U DIE maatschappelijke protestbeweging ontstaan, waartoe u opriep?
'Wat ons als milieubehouders helaas het meest geholpen heeft zijn rampen. Pas als het water uit de kraan niet meer te drinken is, gaan de mensen wat dieper nadenken. De energiecrisis van 1973 gaf ook zo'n stoot tot nadenken: de auto is zuiniger geworden, in bedrijven wordt tegenwoordig goed gelet op energieverbruik. Ik denk dat de huidige hardnekkige werkloosheid veel mensen opnieuw doet nadenken over ons systeem. De kritiek daarop was tijdelijk verzwakt door de instorting van de Berlijnse Muur en van de staatssocialistische economieen, maar nu kunnen we de oude kritiek weer oppakken en er nieuwe aan toevoegen, met name onder de druk van de werkloosheid. Ik denk dat er op den duur een alliantie moet komen van mensen, groeperingen en instellingen die actief bezig zijn op het sociale en het groene vlak: werkgelegenheid, economie en milieu.’
En hoe ziet die 'opstand’ er dan uit?
'Als ik van een noodzakelijke revolutie spreek, bedoel ik niet machtsgrepen en guillotines. Ik ben voor de geweldloze, gandhiaanse methode. Zo'n organisatie kan leren van hoe de socialistische beweging begon: met cooperaties, een eigen blad, met vorming en voorlichting binnen de eigen kring. Naar mijn idee hebben we zeker nog een eeuw nodig, vooropgesteld dat de natuur ons die tijd gunt. Toch zie je hier en daar al protesten, voornamelijk in de vorm van gekerm. Verder dan gekerm komt het ook niet, totdat mensen gaan zien dat het ook anders kan. Dat we op bepaalde machten greep kunnen krijgen, dat er alternatieven zijn.
Voorlopig verkeren we nog in het stadium van gelatenheid. De tweedeling in de samenleving wordt door de tevredenen, door de mensen met een baan, nog helemaal niet gevoeld. Maar als we inderdaad de heiltech-staat krijgen die veel economen voorstaan, en die staat blijkt helemaal geen heil te brengen, dan zullen op termijn grotere groepen zich gaan roeren en zich gaan bezighouden met de alternatieven. In eerste instantie zullen buitenparlementaire groepen, die nu al her en der ontstaan, elkaar moeten vinden.’
Ziet u daaruit een nieuwe partij ontstaan?
'Nou, niet te gauw hoop ik, dat lijkt mij de dood in de pot. Het nadeel van partijen is dat ze meteen de boel naar zich toetrekken. Het moet allemaal ten goede komen aan de partij.’
U RIEP WEL DE PVDA begin dit jaar op om in de oppositie te gaan, en die groepen en ideeen te bundelen.
'Dat was ingegeven door de verkiezingstijd. Mensen als Woltgens en Rottenberg durfden wel eens over “krimp” te praten, wat ik moedig vond. Je hoort zulke geluiden trouwens ook bij het CDA: de “economie van het genoeg” heet het daar. En veel mensen van GroenLinks en De Groenen zijn natuurlijk al in die zin buitenparlementair actief. Bij de vakbonden begint het ook te leven, vooral bij het kleinere CNV waar de ethische component wat sterker leeft. Het liefst zou ik zien dat er binnen de grote partijen en vakbonden groepjes komen zoals in de jaren zeventig - bijvoorbeeld de kritische vakbeweging - die binnen zo'n organisatie blijven en daar de discussie voeren. Welbeschouwd heeft de afdeling Milieu van het ministerie van Vrom toch een beetje de status van een actiegroep, extern, maar ook intern. Er zijn ook banken en verzekeringsmaatschappijen die milieu-eisen gaan stellen aan bedrijven.
Onlangs is door een biologe, mevrouw Hoppener, het Netwerk Gezondheid en Milieu opgezet dat de samenhang tussen ziekte en milieuschade gaat onderzoeken. En laatst ben ik naar een demonstratie geweest van mensen uit midden-Limburg, waar die vuilverbrandingsoven gepland was. Het zag zwart van de mensen voor het provinciehuis in Maastricht. Ik dacht: verrek, het lijkt wel of de kernenergietijd terugkomt.’
De sobere, 'gezellige, oppassende samenleving’, die u in uw boek noemt, doet sterk denken aan een dorp met grote sociale controle, waar de mensen elkaar vanachter kopjes eikeltjeskoffie nauwlettend in de gaten houden.
'Ik zit sinds enige jaren bij het Kritisch Landbouwberaad. Dat is opgericht omdat boeren zelfmoord pleegden omdat de produktiedwang hen boven het hoofd groeide. En ik denk aan de jongeren van tegenwoordig die vaak vereenzamen. Dan zie ik toch liever een maatschappij waarin de mensen zich meer aan elkaar gelegen laten liggen. Dat hoeft niet te ontaarden in een Castro-achtige samenleving, waar mensen in buurtcomites op elkaar letten.’
Geen eco-fascisme dus. Maar hoe moet het met het kosmopolitische element? Het massatoerisme heeft toch, ondanks alle verdwazing en vervuiling, veel mensen vertrouwd gemaakt met andere landen en volken. Bijvoorbeeld met Joegoslavie, zodat Nederlanders nu bereid zijn om Joegoslavische vluchtelingen op te nemen.
'Hoe ging men naar Joegoslavie? Met de caravan. En dat kan natuurlijk zo blijven, maar misschien niet elk jaar. Keynes zei: “Laat ideeen en mensen zoveel mogelijk reizen, maar de goederen niet.” Een soberder gemeenschap hoeft helemaal niet benauwend te worden, die kan ontzettend leuk zijn. Men doet veel meer samen. In het moderne Zweden waren er al vroeg woonvormen van ouderen en jongeren door elkaar, helemaal geen benauwde toestand. Maar ik verdedig een extreem kabouterachtig standpunt om andere standpunten minder extreem te doen lijken. Dat doe ik al vijfentwintig jaar. De belangrijkste overweging is dat mijn kleinkinderen en de jouwe anders geen leven zullen krijgen. Jonge mensen die net van school komen en aan een carrie`re beginnen, die zijn natuurlijk vaak roomser dan de paus. Voor hen is economische groei heilig. Maar wie zelf kinderen heeft, gaat er anders tegenaan kijken. Ik denk dat menig directeur thuis wel eens een pittig gesprek heeft met zijn kinderen.’