De recessie komt hoe dan ook

De economie bent u zelf

Na 11 september waarschuwden commentatoren voor een zware recessie in de VS. Peptalk, renteverlaging en lastenverlichting moeten de beurskoersen overeind houden en de consument tot meer bestedingen verlokken. Maar de huidige economische problemen zijn niet het resultaat van de aanslagen.

Dalende beurskoersen en luchtvaartmaatschappijen die honderdduizend ontslagen aankondigen en om ruim twintig miljard dollar overheidssteun vragen. Dat waren de meest zichtbare directe economische gevolgen van de aanslagen in de Verenigde Staten. Meteen kwam ook een stroom analyses en inschattingen op gang over de verdere implicaties van de gebeurtenissen. Niet alleen de directe materiële schade — die is uiteindelijk marginaal — maar de reacties van consumenten en producenten zouden van groot belang zijn. Ebt als gevolg van de aanslagen het vertrouwen in de toekomst weg en neemt de onzekerheid over de dag van morgen toe, dan zal minder gekocht en geïnvesteerd worden en dreigt een mondiale recessie, zo is de toonzetting.

In een poging dit dreigende gevaar af te wenden, zetten centrale bankiers en beleids makers verschillende instrumenten in. Allereerst een flinke dosis peptalk. Om de mensen vertrouwen in de toekomst en in de economie te laten behouden — of terug te geven — wordt benadrukt dat de huidige problemen slechts van korte duur zullen zijn als investeerders en consumenten flink geld blijven uitgeven. Oftewel: de economie bent u zelf.

Behalve voor de koers van aandelen in de wapenindustrie is spreken over oorlog dan natuurlijk niet erg behulpzaam. Ook de daaraan gekoppelde oproep aan de partijen op Wall Street, voorafgaand aan de heropening van de beurs, om de situatie niet te misbruiken voor woekerwinsten, haalde weinig uit. «Patriottisme is prachtig, maar je hebt een hele wereld die haar stem uitbrengt op de markt en sommige leden van de wereld gemeenschap zijn nerveus», verklaarde een woordvoerder van Nasdaq dit voorspelbare gedrag in The Wall Street Journal.

Het hemd is nader dan de rok, dus de vijfduizend bedrijven van de belangrijkste aandelenindex van New York werden in een week tijd 1,4 biljoen (veertienhonderd miljard) dollar minder waard. Dat is zeker geen reden tot paniek, vindt VS-minister O'Neill van Financiën, want koersen gaan nu eenmaal omhoog en omlaag: «Ameri kanen moeten niet angstig reageren op lagere koersen, maar zich verheugen over het feit dat de beurs open is en dat er een koper is voor elke bieder.»

Wat goed is voor de beurs is goed voor ons allemaal, is er jarenlang ingeramd. Omdat ruim zestig procent van de diensten en goederen door consumenten afgenomen wordt, is nu erg belangrijk hoe John en Jane Doe, ook wel Mr. en Mrs. America genoemd, reageren op de aanslagen en de daaropvolgende gebeurtenissen. Omdat de hoogte van de beurskoersen zeer bepalend schijnt te zijn voor het welzijn van de mens, lijkt het echter onwaarschijnlijk dat zij zich juist nu geroepen voelen om de creditcards nog eens aan te spreken voor een extra middagje shoppen. En van de eigenaars van aandelen valt zo'n koopimpuls al helemaal niet te verwachten; zij zien hun virtuele vermogen met vele procenten dalen en moeten wellicht zelfs aandelen verkopen als onderpand of aflossing voor in betere tijden aangegane leningen. Economen schatten eerder dat elke dollar stijging van de gekapitaliseerde beurswaarde tot ongeveer vier cent extra consumptie leidt. Als het omgekeerde ook geldt, zal dus alleen het verlies op Wall Street in de eerste week na de aanslagen al ruim vijftig miljard dollar minder aan consumptieve bestedingen tot gevolg hebben.

Voor de Federal Reserve (FED) en de Europese Centrale Bank (ECB) was de vrees voor dit negatief vermogenseffect aanleiding tot meer dan peptalk. Direct na de aanslagen waren al grote bedragen aan de banken ter beschikking gesteld om acute problemen in het financiële stelsel te voorkomen; kort voor de heropening van Wall Street verlaagden de centrale banken de rente met een half procent. Het reële effect van die renteverlaging op de economie zal pas over een aantal maanden waarneembaar zijn, maar gezien de timing werd hiermee vooral een direct psychologisch effect beoogd. Aan handelaren op de beurs werd het signaal afgegeven dat ondernemingen tegen geringere kosten kunnen gaan investeren. Verondersteld wordt dat zulk nieuws positief uitwerkt op de beurskoersen, waarin immers alle beschikbare informatie over de toekomst verwerkt wordt. Als de beursindices als gevolg daarvan minder dalen of zelfs stijgen, kan dat weer een positieve stimulans vormen voor het bestedingsgedrag van consumenten.

Het is een redenering met nogal wat aannames, maar FED-voorzitter Greenspan heeft al eerder laten merken bij het uitstippelen van zijn rentebeleid erg veel belang toe te kennen aan de beurskoersen. Voor de ECB, die tot nog toe veel minder scheutig was met renteverlagingen om de afnemende groei in Europa te pareren, is het stimuleren van de economie via de beurskoersen nieuwer. Volgens Het Financieele Dagblad is deze strategie van de centrale banken overigens niet zonder risico voor het financiële systeem: «Als de indruk ontstaat dat deze hun beleid vooral op de aandelenkoersen baseren, is het met het vertrouwen (van de financiële markten — rw) op de langere termijn snel gedaan.»

Financiële steun en belastingverlaging voor bedrijven zijn het derde instrument dat wordt ingezet tegen de economische gevolgen van de aanslagen. Het is niet denkbeeldig dat de regering van de VS daarvoor een greep zal doen in de sociale kassen, want door een omstreden belastingverlaging is de bodem van de Amerikaanse schatkist in zicht. De Europese Commissie staat open voor financiële steun aan de Europese luchtvaartindustrie en studeert op de voors en tegens. De regering-Bush is al veel verder. Overwogen wordt de winstbelasting en de belasting op vermogenswinst te verlagen, en concreet is al voorgesteld om ten minste acht miljard dollar te fourneren voor een reddingsplan voor de Amerikaanse vliegmaatschappijen. Dat voorstel zal het ongetwijfeld halen, hoewel tijdens een hoorzitting van het Amerikaanse Congres over dit voornemen kritische vragen werden gesteld over de sociale begeleiding bij de aangekondigde massaontslagen, waar sommige maatschappijen geen geld voor zeggen te hebben. Er waren ook vragen over de hoogte van de directiesalarissen bij de maatschappijen en over de — al weinig florissante — winstperspectieven in de luchtvaartbranche vóór de aanslagen.

De luchtvaart is natuurlijk niet de enige branche waarmee het niet goed ging vóór de catastrofe op 11 september. Nadat eerder de dotcom-zeepbel al uiteenspatte, raakte ook de telecomsector, met economisch meer gewicht, in de problemen. De Financial Times rekende begin september voor dat in het voorafgaande half jaar gemiddeld elke zes dagen een grote telecom-operator failliet is gegaan, waardoor wereldwijd een half miljoen mensen hun baan verloren. De gecombineerde mondiale beurswaarde van de telecombedrijven en producenten van telecomapparatuur daalde van het hoogtepunt van 6.300 miljard dollar in maart 2000 in anderhalf jaar naar 3.800 miljard dollar: «Het waardeverlies van alle Aziatische beurzen samen tijdens de Aziatische financiële crisis van de jaren negentig was, om dit bedrag in perspectief te plaatsen, 813 miljard dollar.» De problemen zijn daarmee nog lang niet voorbij, want de telecomsector kampt met een enorme overcapaciteit. Dat is ook in veel andere sectoren het geval. Autofabrikanten hebben eveneens personeelsreducties aangekondigd en de staalindustrie kampt met een mondiale overcapaciteit van 250 miljoen ton per jaar, oftewel bijna een derde van de wereldproductie.

De VS balanceerden vóór 11 september al op de rand van een recessie en de groei in Europa liep toen ook al verder terug. Japan koerste al af op een minimale groei of zelfs krimp, en andere Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen klaagden ook over stagnerende exportmarkten. De actuele economische problemen zijn niet het resultaat van de aanslagen in de VS, maar krijgen door die aanslagen een extra duwtje. Op 1 augustus schreef Het Financieele Dagblad reeds dat de huidige economische neergang doet denken aan de jaren dertig. De Financial Times meldde al op 31 augustus dat het Internationaal Monetair Fonds waarschuwt voor een mondiale recessie zoals begin jaren tachtig en begin jaren negentig, in een uitgelekte conceptversie van de World Economic Outlook. En VN-organisatie Unctad meldt in haar vorige week verschenen elfde World Investment Report, dat vóór de aanslagen werd gemaakt, dat de wereldwijde stroom aan buitenlandse directe investeringen dit jaar voor het eerst sinds 1991 zal afnemen, met zo'n veertig procent.

Over de vermeende bijzondere economische wetmatigheden van de «nieuwe economie», waardoor voor diepe recessies niet meer gevreesd zou hoeven worden, is al geruime tijd niets meer vernomen. Net als in de «oude economie» bepaalt nog steeds elk bedrijf op eigen houtje wat het op welke wijze in welke hoeveelheid wil produceren, en al die individueel rationele keuzes leiden op macro-niveau regelmatig tot irrationele uitkomsten. Overproductiecrises zijn inherent aan het kapitalisme en leiden tot een periode van herstructurering met grote maatschappelijke kosten en veel menselijk leed, waarin de opgebouwde overcapaciteit vernietigd wordt en de overblijvende bedrijven weer voldoende ruimte en rentabiliteit krijgen. Maar er «bestaat niet zoiets als een gratis lunch», zei ooit Chicago-econoom Milton Friedman, dus de rekening voor een recessie en het inzakken van de beurskoersen komt ergens terecht. Ook wat dat betreft is de «nieuwe economie» minder bijzonder dan tot voor kort wel werd gepropageerd, want de prijs ervan wordt ook vandaag nog primair betaald door de honderdduizenden die ontslagen worden en/of failliet gaan in de rijke landen of emerging markets. Nieuw is dat de verschuiving van ingelegde pensioenpremies (zie «Aandelenbeurzen versus pensioenen» op deze pagina’s) en spaargelden naar aandelen, en de sterk toegenomen fixatie op shareholder value, nieuwe groepen potentiële slachtoffers toevoegen aan deze historische constante.

Aandelenbeurzen versus pensioenen

In 1980 zat nog maar vier procent van de beleggingen van Nederlandse pensioenfondsen in aandelen, maar dat percentage is sindsdien snel gestegen. Beleggen in aandelen raakte sindsdien bij institutionele beleggers sterk in de mode, en bijna de helft van de bij Nederlandse pensioenfondsen ingelegde duizend miljard gulden is inmiddels op de beurs belegd. Deze koerswijziging richting mondiaal casino is een riskante strategie, want zoals Charles Kindleberger al schreef in zijn standaardwerk Manias, Panics and Crashes: A History of Financial Crises: willekeurige oorzaken kunnen paniek en krachs op financiële markten in gang zetten, met mogelijk vernietigende gevolgen voor degenen die niet op het hoogtepunt uit de markt stappen.

Die keerzijde dringt zich nu in alle hevigheid op, want door de daling van de beurskoersen hebben de Nederlandse pensioenfondsen tientallen miljarden guldens verloren. De Volkskrant schat het verlies alleen al in de afgelopen twaalf maanden op ruim 160 miljard gulden en schrijft dat hogere pensioenpremies onvermijdelijk lijken. Het Financieele Dagblad rept daarnaast over mogelijke kortingen op pensioentoeslagen, want bij de pensioenfondsen is de alarmfase ingetreden. De dekkingsgraad schommelde in 2000 nog rond de 130 procent, maar gaat nu zeer snel richting 100 procent, het minimum dat voor de toezichthoudende Pensioen- en Verzekeringskamer acceptabel is. Het einde van de koersdalingen lijkt bovendien nog niet in zicht. De onzekerheid is groot, omdat niemand weet wat de door de regering-Bush aangekondigde langdurige oorlog tegen het terrorisme allemaal teweeg gaat brengen. En ondanks de daling met tientallen procenten sinds begin 2000 zijn de beurskoersen volgens de Financial Times nog steeds zeer hoog.

In zijn onlangs verschenen boek The Cold War in Welfare: Stock Markets versus Pensions vergelijkt pensioendeskundige Richard Minns verschillende pensioenstelsels. Nederland rekent hij — samen met de VS, Engeland, Canada, Zwitserland, Japan en andere — tot het Anglo-American Stock-market-model, dat door onder meer de Wereldbank wordt gepropageerd. Minns concludeert dat de gepercipieerde voordelen van dit model gebaseerd zijn op een theorie waarvoor onvoldoende bewijs is; dat de veronderstelde opbrengsten maar in geringe mate een relatie hebben met reële productieve activiteiten; dat de feitelijke sociale opbrengsten veel lager zijn dan de financiële opbrengsten; dat er belangrijke negatieve neveneffecten zijn, zoals een toename van niet-gebonden vluchtkapitaal; en dat het model eraan bijdraagt dat de macht en invloed van financiële markten en instellingen ten opzichte van regeringen toeneemt. (rw)