Economendebat tussen Rick van der Ploeg en Arnold Heertje

De economie is overal

Econoom en voormalig staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg (46) is weer hoogleraar. Arnold Heertje (68), hoogleraar geschiedenis van de algemene economie, keerde, om het goede voorbeeld te geven, terug naar school en staat er als leraar voor de klas («Het is een schande dat veel middelbareschoolleraren niet meer academisch zijn geschoold»). Twee keer schreven ze samen een nota. Nu zijn ze van plan om samen een boek te schrijven, waarvan ook voormalig minister Willem Vermeend enkele hoofdstukken voor zijn rekening zal nemen. Afgelopen week schreven ze kritische artikelen over het economisch beleid van de nieuwe regering.

Rick van der Ploeg beklaagde zich over het verlaten van de Zalmnorm. De nieuwe regering belooft een overschot van één procent van het nationale inkomen, onafhankelijk van wat er met de economie gebeurt. Volgens de systematiek van de Zalmnorm is dat «je reinste onzin». «Onderhandelaar Zalm heeft dus zelf zijn eigen norm om zeep geholpen», aldus Van der Ploeg. In moeilijke tijden moet de staatsschuld juist enigszins oplopen. Belastingverlagingen hebben geen zin.

Ook Arnold Heertje liet van zich horen. Hij schreef dat Heinsbroek niet is toegerust voor zijn taak als minister van Economische Zaken. Zijn blunders van de afgelopen dagen «verraden een niveau van economiebeoefening dat mijn leerlingen uit de derde klas van het Vos sius-gymnasium geruime tijd ontstegen zijn».

Dat vraagt om uitleg. Maar een gesprek over stringent begrotingsbeleid, de recente prijsstijgingen en de val van de beurskoersen is voor beide economen onvermijdelijk ook een gesprek over de kwaliteit van het onderwijs, investeringen in de zorg, de welvaartsbeleving van toekomstige generaties, de parlementaire enquête naar de bouwfraude, enzovoort. De professoren benadrukken dat economie om de behoeftebevrediging van mensen gaat, «in de breedste zin van het woord».

Arnold Heertje: «Men denkt dat de economie over het financieringstekort gaat, of over de lonen en de rentevoet. Maar dat is maar een klein deel ervan. Economie gaat om de behoeftebevrediging van mensen. Dat impliceert een ruim welvaartsbegrip. Het gaat, kortom, om de kwaliteit van het bestaan. Dus om het niveau van het onderwijs, de schoonheid van het landschap, de waterproblematiek; om alles wat wij van waarde achten. In de politiek, maar ook onder het kiezersvolk, bestaat een veel te eenzijdige oriëntatie op groei, waardoor lange termijnaspecten buiten beeld blijven. Waarom zouden we ons bijvoorbeeld alleen zorgen moeten maken over de mensen van nu, zoals periodieke groeicijfers doen? Ook de toekomstige generaties zijn belangrijk. En waarom gaat het bij economische groei altijd om Nederlanders? Is de ontwikkeling in de rest van de wereld niet ook belangrijk voor Nederlanders?»

Rick van der Ploeg: «Door die enge benadering van de economie leek het dit keer tijdens de verkiezingen niet over de economie te gaan. Maar dat is schijn. ‹Vol is vol› is een economische bewering, of je het wilt of niet. Immigranten, legaal of illegaal, leveren een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie. In het Gooi zouden de captains of industry zich geen raad weten zonder hen. Dat geldt ook voor tuinders, of in de bouw. In alle arbeidsintensieve bedrijfstakken zijn de baten van een ontspannen immigratiebeleid groot. Wat mij ergerde aan de verkiezingen, en ook aan mijn eigen partij, is dat niemand een economische analyse van de immigratiepolitiek durfde te agenderen. Mensen als Jan Pronk daargelaten probeerde iedereen zo streng mogelijk te klinken. Iedereen stopte zijn kop in het zand, terwijl het onzin is te denken dat je de deur dicht kunt doen en dat de immigratieproblematiek dan verdwijnt. In Afrika groeit de bevolking nog steeds explosief, zelfs als je corrigeert voor de immense aidsepidemie. De immigratiegolf vanuit Afrika naar landen als Nederland is gigantisch, veel groter dan de druk aan het einde van de negentiende eeuw vanuit Europa op het Amerikaanse continent. De verschillen in bevolkingsgroei en welvaart tussen Afrika en Europa nu en die tussen Amerika en Europa toentertijd zijn meer dan twee keer zo groot. De vraag luidt niet of we mensen binnen willen laten, maar wat voor mensen wij hier nodig hebben in de toekomst. Als je door Marokko reist, zie je alleen maar jonge mensen. Terwijl Rusland, Oost-Europa en wij in West-Europa oud zijn en snel vergrijzen. In Italië worden er 0,7 kinderen per paar geboren. Dan slinkt de bevolking in rap tempo. Tenzij je nieuwe mensen krijgt. We moeten onszelf de vragen stellen: wat betekent de vergrijzing voor de pensioenen? Waar willen we ons geld beleggen? Zou het rendement misschien wel in het jonge Zuiden kunnen liggen? Of moeten we die jongeren hiernaartoe halen om groei te blijven realiseren? Dat is allemaal economie, net als de overstromingen van de laatste weken. Men zal niet lang meer kunnen volhouden dat die niets te maken hebben met de massale en groeiende CO2-uitstoot. Het kan niet lang meer duren of men ziet dat de kwaliteit van leven niet verdisconteerd wordt in die jaarlijkse groeicijfers. Zeker niet sinds de Jakarta’s en Mexico City’s van de wereld een negatieve arbeidsproductiviteitsgroei laten zien ten gevolge van de vervuiling. De gifwolken boven de miljoenensteden van China zullen hun directe economische effect niet missen, laat staan de invloed op de welvaartsbeleving van de inwoners. Samen met Arnold Heertje maak ik me boos over het compleet verdwijnen van milieukwesties van de politieke agenda. Men zegt dat de economie nu voorrang krijgt, maar het milieubeleid is economie.

Natuurlijk heb ik felle kritiek op de financiële koers van het kabinet en de bezuinigingen, maar ik wil daarmee absoluut niet het begrotingsbeleid verheffen tot het belangrijkste wat er is. Dat is het niet. Absoluut niet. Veel belangrijker is de gedachte achter de economie. In de jaren tachtig en negentig begon een tijdperk van materialisme en ongebreideld winstbejag. In dit tijdperk van absoluut individualisme wilde men niet alleen winsten, maar zelfs winstgroei. Iedereen joeg elkaar daarmee op. Maar op een gegeven moment heeft bijna iedereen zijn Saab, zelfs zijn tweede Saab en zijn zomerhuisje in Ibiza en vier verre vakanties per jaar. Je werd een sukkel als je je verdiepte in een economisch, of laten we zeggen theologisch proefschrift, want dan was je een dief van je eigen portemonnee. Samen met de beursval lijkt die houding nu langzaam te verdwijnen. Men begint in te zien dat morele waarden als betrouwbaarheid, spaarzin en matigheid van groot belang zijn voor het goed functioneren van de vrije markt en een kapitalistisch ingerichte samenleving. Het louter najagen van eigenbelang is niet voldoende. Soms kom je op een verjaardagsfeestje iemand tegen die je trots vertelt dat hij zijn woning waar hij vijfhonderd gulden voor betaalt, onderverhuurt voor tweeduizend gulden. Ik heb dan altijd de neiging om te zeggen: ‹Wat een klootzak ben jij.› Want zo iemand besteelt natuurlijk een ander. Hij hoorde natuurlijk niet in die woning van vijfhonderd. Die mentaliteit is funest, want de vraag blijft natuurlijk of je elkaar kunt vertrouwen. Als jij investeert in een bedrijf, dan wil je ervan op aankunnen dat de cijfers kloppen, zeker als een onafhankelijk accountantsbureau de zaak heeft gecheckt. Niet alleen door 11 september maar juist door die beursschandalen is de aandelenmarkt ingestort. Het vertrouwen sijpelde uit de markt. Normen en waarden zijn essen tieel, óók voor economen. Niet voor niets waren de grondleggers van de economische wetenschap moraalfilosofen, zoals Adam Smith en John Stuart Mill, en zoals tegenwoordig iemand als Amartya Sen. Met die ongebreidelde zucht naar winst ondermijn je het cement van de samenleving.»

Arnold Heertje: «Er is een hele generatie opgegroeid die louter groei meemaakte en geen tegenslagen heeft gekend. Vanaf halverwege de jaren tachtig kon het niet op. Ik heb meegemaakt dat een project te min werd bevonden omdat het minder dan twintig procent rendement beloofde. Daar deed men het niet meer voor. Wat dat betreft vind ik de huidige periode en de val van de beurskoeren een uitermate positieve en gunstige correctie. Het zet mensen weer op de grond. Ze zijn wat voorzichtiger met investeringen en uitgaven. Ze sparen wat meer en lossen wat schulden af. De huidige verliezen dienen ook het inzicht dat het in de wereld niet alleen om geld en rendement gaat. Ook de aanslagen op het WTC hebben in grote mate aan die heroriëntatie bijgedragen. Men stelt zichzelf weer vragen over de kwaliteit van het leven. Vrede is uiteindelijk belangrijker dan een winstpercentage.

Wat het louter financiële betreft denk ik dat we het ergste hebben gehad. De beurs is een informatiesysteem en zegt dus alleen maar wat zich onderliggend in het economische proces afspeelt. Meer niet. Het geeft antwoord op de vraag welke bedrijven en sectoren het goed doen, en welke heel slecht. Wie is er betrouwbaar, wie is er goed? Ik ben optimistisch: de investeringsmogelijkheden zijn nog lang niet op, zoals Keynes en Den Uyl wel hebben gedacht — en John Stuart Mill in het midden van de negentiende eeuw. Zij dachten dat de wereld af was. Dat blijkt altijd een vergissing. De technologie schrijdt voort en de aard van de mens zorgt ervoor dat er altijd economisch aantrekkelijke toepassingen worden gevonden.

De puur op het eigenbelang gerichte mentaliteit is voor de economie niet zo’n groot probleem als Rick zegt, omdat de economische theorievorming van de laatste jaren heel ver is gekomen in het ondervangen van puur egocentrisch gedrag. Om ongewenst calculerend gedrag te voorkomen, zijn in de theorie al vele verkeersdrempels ontworpen voor het maatschappelijk economisch verkeer. Het probleem is veeleer dat de voorstellen uit de theorie niet meer doorstromen naar het beleid en de publieke opinie. Dat was anders na de Tweede Wereldoorlog, met de keynesiaanse en macro-economische gedachtegang. Iedereen kende de theorie: ambtenaren, ministers, vakbondsleiders. Er bestond een duidelijke link tussen beleid en theorie. Inmiddels is de theorie steeds geavanceerder geworden, maar de beleidsmakers kennen zelfs de eenvoudigste inzichten ervan niet meer.»

Van der Ploeg: «Dat is waar. Maar een groter probleem vind ik nog dat het er niet meer toe doet hoe je een economisch standpunt onderbouwt. Nu roep je maar wat, en dat is het dan. Dat vindt men mooi genoeg. Terwijl er in de economie van alles is uit te leggen. Je kunt bijvoorbeeld niet de files oplossen door het autorijden goedkoper te maken, zoals de huidige regering doet. De teruggave van het kwartje van Kok is natuurlijk bizar. Als de vraag naar aardbeien toeneemt, worden ze op de vrije markt ook duurder. Er is schaarste op de markt en je maakt de prijs van het product lager. Absurd. Zoiets is natuurlijk in strijd met de meest basale economische lessen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is in Nederland een traditie ontstaan dat politici zich op economisch gebied laten adviseren. Die wordt nu in korte tijd om zeep geholpen, door de Heinsbroeken en Bomhoffs en door zo’n man als De Vries, die als eerste daad het besluit van Pronk terugdraait om scherper te controleren op giftige stoffen in de haven. Zonder enig argument. Het is de economie van de borreltafel. Misschien is het niet modieus, maar persoonlijk hecht ik aan onderbouwingen en argumenten.»

Dat die argumenten niet altijd doordringen tot de politieke top hebben Heertje en Van der Ploeg aan den lijve ondervonden. De nota’s die zij samen schreven, haalden weinig uit, al maakte Van der Ploeg deel uit van het kabinet.

Arnold Heertje: «Na ons stuk uit 1994, waarin we een breder welvaartsbegrip verdedigden, zijn we nog in het Torentje geweest voor een intensief gesprek met een paar bewindslieden en Wim Kok. Kok wisten we te overtuigen, maar hij kon er uiteindelijk toch niet mee uit de voeten en liet zich door de cijfers en de verkeerde mensen weer in die enge conceptie van economie sleuren. Met de andere nota over publiek-private constructies heeft hij al helemaal niets gedaan. Terwijl die nog altijd van even groot belang is. We moeten namelijk af van het denken in de ouderwetse tegenstelling overheid-markt. De intellectuele uitdaging is erin gelegen te bedenken hoe publiek-private constructies eruit moeten zien. De NS zullen bijvoorbeeld nooit een bedrijf zijn in de oude zin van het woord, simpelweg omdat ze de enige op het spoor zijn. Het is een publiek-private constructie, net als Akzo. Zo’n bedrijf opereert wel op de markt, maar is gebonden aan allerlei regels van de overheid. Het geldt ook voor Schiphol, of KPN. De vraag is voortdurend: wat is nu de verstandigste vorm van een publiek-private constructie? We missen expertise op dat gebied in Nederland, maar willen dat maar niet toegeven.»

Rick van der Ploeg: «Het merkwaardige is dat juist de VVD die private ondernemingen in het publieke domein trekt. VVD-politici zeggen in verkiezingstijd dat ze van en voor de vrije markt zijn, maar in werkelijkheid verstoren ze de markt bij voortduring omdat ze als overheid ondernemer willen spelen. Toen ik financieel woordvoerder was in de Kamer moest er ongeveer een miljard worden gespendeerd aan een tweede sluis bij IJmuiden. Als dat nodig is, zo meen ik, dan zullen de havenbaronnen wel een lening bij de bank vragen en tegen de politiek zeggen: wij hebben een miljard bijeengeraapt om een sluis te maken. Mag dat? De overheid geeft vervolgens toestemming. Maar zo gaat het niet. Er wordt een lobby-actie op touw gezet om de overheid over te halen de sluis te bouwen. Die betalen wij dus, de belastingbetalers. Terwijl we dat geld ook aan onderwijs hadden kunnen uitgeven, of aan de zorg. Hoe weet de overheid dat een sluis een zoveel betere investering is? De overheid moet geen ondernemer proberen te spelen. Dat loopt altijd mis, dat zie je nu met de bouwfraude. Het is hetzelfde met de Betuwelijn en de aanleg van de Tweede Maasvlakte. Als die echt de moeite waard zijn, dan waren de havenbaronnen en het bankwezen zelf wel over de brug gekomen. Nu betaalt de belastingbetaler alles: de aanleg én de compensatie voor de natuur. Het kost het bedrijfsleven niets! Als je alle kosten en baten tegen elkaar afstreept, was de aanleg van die Tweede Maasvlakte natuurlijk absoluut niet maatschappelijk wenselijk. Ik schaam me ervoor dat een kabinet waar ik in zat voor zoiets heeft gekozen. Het is natuurlijk voor een groot deel de schuld van de VVD. Niet alleen houden ze allerlei kartels in stand, van notarissen tot en met cd-boeren, ze begrijpen ook de economie verdomd slecht. Anders dan hedendaagse sociaal-democraten zeggen ze: ‹Wij van de VVD weten beter dan de economische marktkrachten waar het rendement valt te behalen.› Terwijl je er ook nog eens oneerlijke concurrentie mee creëert. Want je pakt geld en talent van de ene sector of bedrijfstak en geeft het aan een andere, hoe je het ook bekijkt. Dat is dus slechte economie.

Het lokt bovendien een wachtstrategie uit van potentiële gebruikers. Die wachten tot de prijs van deelname wordt vastgesteld, en omdat het een afgang betekent voor de overheid als niemand gebruik maakt van een haven of spiksplinternieuwe treinrails wordt de prijs, voor deelname, uiteindelijk heel laag gesteld.

(tegen Heertje): Al die zorgen om de Betuwelijn… Je had er zonder twintig jaar jonger uitgezien!»

Heertje: «Ja, ik zou het compensatiebeginsel moeten laten gelden. Zeker nu het alleen maar erger wordt. Er zou achthonderd miljoen uit de private sector komen. Dat blijkt er nu niet te zijn. Tegelijkertijd nemen de kosten van de aanleg nog dagelijks toe en de verwachte opbrengsten dagelijks af.»

Van der Ploeg: «En alle risico’s liggen bij de overheid, niet bij het bedrijfsleven. Overigens speelde Bomhoff bij de aanleg van de Betuwelijn een uiterst dubieuze rol. Ik ben op dit gebied een beetje een expert, dat kan ik best zeggen, en die studie van Bomhoff, daar deugt echt helemaal niets van. Nee serieus, daar zou de professor in een beetje gezond werkcollege een vette onvoldoende voor hebben gekregen. Op een wetenschappelijk onverantwoorde manier probeerde hij grote economen als Romer en Lucas naar de Nederlandse situatie te vertalen.»

Heertje: «Het was gewoon bedrog!»

Van der Ploeg: «Het was niet een van zijn voltreffers. En dan druk ik me vriendelijk uit.»

Heertje: «Hij heeft zich voor het karretje van die Rotterdamse industriëlen laten spannen.»

Van der Ploeg: «Dat is niet vreemd. Ook in de PvdA-fractie had je schoorsteensocialisten als Vreeman en Veenstra. Wim Kok behoorde daar eigenlijk ook toe. Die zeiden: ‹Er komt gewoon een spoorlijn, want dat is goed voor het goe derenvervoer. Niet lullen over vervuiling, want er moet brood op de plank.› Er waren er te weinig — ja, Pronk op zijn manier, maar toch te weinig — die tegenwicht konden bieden. In naam van de werkgelegenheid werden, en worden nog altijd, industrieën verdedigd die producten fabriceren met een heel lage toegevoegde waarde. Daar moeten we vanaf! Nederland zit in de verkeerde bedrijfstakken. Wij kunnen, bij wijze van spreken, nog wel meer liters yoghurt maken, met heel kleine winstmarges. Maar we kunnen ook van die kleine Yakult-dingetjes maken, waarvan de omzet misschien minder is, maar waarvan de prijs- en winstmarges gigantisch zijn en de schadelijke effecten voor het milieu veel lager. En daar komt nog bij dat we in Nederland nog altijd aardgas subsidiëren ten behoeve van de tuinbouwsector, terwijl de zon in Marokko gratis is, of die in Griekenland. We hebben quota ingesteld die het maximale aantal tomaten vanuit Mexico beperken. Dan moet je ook niet raar opkijken als Marokkanen hun heil hier zoeken.»

Heertje: «Wij leggen de nadruk op processen met een lage financiële toegevoegde waarde die ook nog eens slecht zijn voor natuur en milieu. Terwijl er betere alternatieven voorhanden zijn. Neem Schiphol. Houd op met die uitbreiding. Onzin! Maak daar een kwalitatief goede luchthaven van, een dure, kennisintensieve, in plaats van een overvolle, met alle problemen van dien. Men denkt vaak dat het óf groei is, óf bescherming van natuur en milieu. Maar dat is helemaal niet zo. Het gaat om kennisintensieve, hoogwaardige groei.»

Van der Ploeg: «Over die omslag is de laatste jaren te weinig gesproken, ook in het kabinet. Onderschat niet de ijzersterke lobby vanuit de landbouw, vanuit de grote bedrijven, van regionale kamerleden. Bij economisch beleid is het vaak zo dat de voordelen verspreid zijn over een groot diffuus deel van de samenleving, terwijl de pijn vaak gevoeld wordt door een klein aantal monopolistische groeperingen, die dankzij hun monopolie een grote politieke invloed kunnen uitoefenen. Onder Wijers werd wel even de burger vooropgesteld, in plaats van het bedrijfsleven. Dat is onder Jorritsma teruggedraaid. Als je dan zei, ook als lid van de regering, dat bepaalde infrastructuren moeten worden opengesteld voor andere concurrenten omdat dat beter is voor de consument — denk bijvoorbeeld aan de kabel — dan kwam het grote verzet altijd van Economische Zaken, dat een monopolie wilde beschermen.»

Zowel Van der Ploeg als Heertje is uitgerust met een grote drang tot onderwijzen. Ze wed ijveren om spreektijd en als ze eenmaal het woord hebben, staan ze dat niet snel weer af. Alleen de kwestie van de huidige prijsstijging, enkele maanden na de invoering van de euro, schuiven beiden bijna ongemerkt voor zich uit. Toch moeten de economen er na bijna twee uur aan geloven. Heertje is de eerste om toe te geven dat hij het «effect van de vervanging van de munt» niet had voorzien: «Wij als economen hebben onderschat wat het betekent dat geld onder meer de functie van rekeneenheid heeft. Het misbruik dat van de muntwisseling wordt gemaakt, is ook veel groter dan ik had voorzien. Kijk, ik ben totaal niet prijsbewust. Ik heb geen flauw idee hoeveel de koffie kost die hier voor me staat. Maar het viel me na enkele maanden wel op dat het bosje bloemen dat ik wekelijks voor mijn vrouw koop in plaats van zeventien gulden nu tien euro kost. Sindsdien hoor ik van anderen dat sommige prijzen zelfs zijn verdubbeld.»

Rick van der Ploeg: «Bij een verandering van de munt bestaat enige tijd onderzekerheid over relatieve prijzen, en dan is het makkelijk om de consument voor het lapje te houden. Door verwarring kunnen bedrijven prijzen omhoog gooien zonder daarvoor onmiddellijk te worden gestraft. Dat duurt een aantal maanden en dan bladdert het af, omdat de consument doorheeft waar hij wél wordt bedot en waar niet. Men mijdt nu al de horeca. Die zal zich spoedig aanpassen. Ik vind eerlijk gezegd dat het nogal meevalt. Het is juist verbazingwekkend hoe snel men zich aanpast aan de euro.»

Arnold Heertje: «Je onderschat het! Er zijn mensen in grote schuldproblemen geraakt. Echt. Dat is ook logisch, denk alleen maar aan bijstandsmoeders. Mensen die binnen twee weken door het geld heen zijn waar ze doorgaans een maand mee deden.»

Rick van der Ploeg: «Nu overdrijf je echt. Het is niet zo dat een gulden een euro is geworden. Oké, in de horeca. Maar daar zie je nu al dat de prijs maal het aantal verkochte drankjes hetzelfde is gebleven. Kortom, bij veertig procent prijsverhoging van een glas bier worden er veertig procent minder glazen bier verkocht en blijven de totale inkomsten voor de caféhouder grofweg hetzelfde.»

Heertje: «Toch is er een gigantische prijsstijging aan de gang. Je ziet dat niet direct terug in de officiële cijfers, omdat er sprake is van een vertragingseffect en wellicht ook van een indexcijferprobleem: mensen gaan nu al uitsparen door naar de Aldi te gaan in plaats van Albert Heijn, of ze kopen generieke in plaats van merkgoederen. Dat kan het inflatiecijfer vertroebelen. Ik heb het gevoel dat wij economen niet genoeg onderkennen hoe groot de impact van deze gigantische prijsstijgingen is. Biertjes zijn soms vijftig procent duurder, terwijl we macro-economisch al geweldig lawaai maken bij een verschil in enkele procentpunten. Voor mij zijn die prijsstijgingen een mysterie. Ik snap het gewoon niet.»

Van der Ploeg: «Eigenlijk snap ik het ook niet zo. Maar ja, misschien moet je niet onderschatten wat voor een gigantische verandering de invoering van een nieuwe munt betekent. Mijn Engelse grootmoeder rekende nog vijftien jaar na de invoering van het decimale stelsel alle afstanden om naar het twaalfgetallenstelsel. Ik merk dat ik zelf ook nog altijd omreken naar de gulden. Dat is verkeerd, want juist een econoom hoort niet te denken in termen van geld. De econoom ziet relatieve waarde: één biertje is twee kopjes koffie. Eén jasje als dit is gelijk aan drie overhemden. Geld is slechts het uitdrukkingsmiddel van de relatieve prijsverschillen. Psychologen hebben aangetoond dat men prijzen toetst aan zo’n tien bekende referentieprijzen, producten als jasjes of kopjes koffie. Dat doe ik zelf ook. En ik anticipeer ook op die kennis. Voor mijn koffie verkeerd ga ik al naar een goedkoper etablissement dan voorheen.»

Heertje: «…»

Van der Ploeg: «Ja, ik ben wel prijsbewust. En enorm gierig!»