Op zoek naar de echte Keynes

De econoom met drie gezichten

Eerst werd hij aanbeden, daarna verguisd, en sinds de kredietcrisis wordt John Maynard Keynes weer alom bejubeld. Maar wat weten we eigenlijk van de beroemde econoom – die overigens nooit economie studeerde? ‘Ik werk voor een regering die ik haat, voor doelen die ik crimineel acht.’

Medium hh 1296617255

‘Wat een uitzonderlijk hoofdstuk in de economische vooruitgang van de mens was dat tijdperk dat eindigde in augustus 1914’, schreef John Maynard Keynes kort na de Eerste Wereldoorlog. Schoorvoetend erkende hij dat de meerderheid van de mensen misschien in bittere armoede had geleefd – maar tóch: ‘Elke man met de capaciteiten of een karakter dat het gemiddelde oversteeg, kon ontsnappen naar de midden- en hogere klassen. Hen bood het leven – tegen geringe kosten en voor de minste moeite – gemakken, comfort en voorzieningen die het voorstellingsvermogen van de rijkste en machtigste koningen van vroeger eeuwen te boven gaan.’

Keynes kon het weten. Het verloren leven waar hij in Economic Consequences of the Peace zo opgetogen en tegelijk weemoedig over schreef, was zíjn leven geweest. Het was de overzichtelijke wereld van Cambridge waar alles leek te draaien om kennis vergaren, om een beschaafde gedachte-uitwisseling van liberale mannen onder elkaar. Een bestaan waarin geld – net als bedienden – zo vanzelfsprekend was dat het afwezig leek. Waar eindeloze vakanties werden doorgebracht in Italië, Frankrijk of Marokko. Maar het was voor Keynes bovenal het sociale en culturele leven van de sociëteiten en genootschappen, waar avond na avond werd gedebatteerd, gefilosofeerd en geonaneerd met telkens weer nieuwe jaargangen frisse, jonge knapen.

Die vergane wereld was zijn wereld. In de drie decennia die volgden zou John Maynard Keynes een pedante provocateur worden genoemd, een intellectuele beeldenstormer zonder respect voor tradities. Een enkele keer werd hij zelfs voor revolutionair uitgemaakt. Niets was minder waar. Wat hem dreef, was de herinnering aan het vooroorlogse Engeland. De rest van zijn leven zou hij zijn niet geringe capaciteiten inzetten om dat verloren paradijs in volle glorie te herstellen.

Keynes is terug. Natuurlijk, dat was hij al na het uitbreken van de kredietcrisis in 2008, toen regeringen en centrale banken over de hele wereld in paniek naar zijn ideeën grepen. ‘An old economist finds new rock-star status’, kopte de Christian Science Monitor. Van de Verenigde Staten tot Zuid-Korea, van Duitsland tot China werden voor honderden miljarden aan steunmaatregelen aangekondigd om de nakende depressie te lijf te gaan.

Na die korte lente van het keynesianisme leek de belangrijkste econoom van de twintigste eeuw zelfs al weer even uit de mode. De austerians kregen de overhand. Zij vestigden de aandacht op begrotingstekorten en de noodzaak van bezuinigingen. Vijf jaar later is duidelijk dat het pleit allerminst beslecht is. De enorme weerstand ten spijt blijkt de comeback van Keynes meer dan een kortstondige bevlieging. Datgene wat doorgaat voor zijn gedachtegoed heeft zich definitief genesteld in de hoofden van politici, economen en burgers.

Soms toont het zich in concreet regeringsbeleid. Denk aan de gedurfde stappen die de vorig jaar aangetreden Japanse regering van Shinzo Abe neemt om de kwakkelende economie in beweging te krijgen. De combinatie van forse investeringen in publieke werken en de geldpers aanzetten om de koers van de yen te drukken, is bekend komen te staan als ‘Abenomics’. Volgens The Economist is het gewoon jatwerk. Abe ontleent zijn ideeën aan Keynes. Op andere plekken trekt het keynesianisme aandacht als (gematigd) alternatief. In Europa, bijvoorbeeld. Terwijl steeds meer economen en instituties waarschuwen voor deflatie in de eurozone omarmen oppositiepartijen van links tot rechts Keynes in hun strijd tegen de uitzichtloze bezuinigingspolitiek. In eigen land lijkt de SP Marx te hebben ingeruild voor Keynes.

In de jaren zeventig constateerde Milton Friedman dat ‘we’re all Keynesians now’, een uitspraak die later ten onrechte is toegeschreven aan Nixon. Zo ver gaat het deze keer niet. Maar zijn enorme populariteit roept wel degelijk de vraag op over welke Keynes we het hebben. ‘Het is tijd om de echte Keynes naar voren te schuiven’ in plaats van de ‘deprimerende karikatuur’, betoogde Will Hutton al in november 2008 in The Observer. Maar wie is die ‘echte Keynes’?

Wat doorgaat voor Keynes’ gedachtegoed heeft zich definitief genesteld in de hoofden van politici, economen en burgers

Is het keynesiaans om de economie te overspoelen met goedkoop geld, zoals de Amerikaanse Fed heeft gedaan? Of gaat het om directe investeringen van de overheid in publieke werken? Is Keynes liberaal of socialist, rechts of links? En hebben we het nou over een wilde, ontembare denker? Of over de grondlegger van een naoorlogse bureaucratie, waarin economen slechts hier en daar op een knop hoefden te drukken om continue groei te garanderen?

Ook de economische wetenschap is hopeloos verdeeld. Je hebt ‘neo-keynesianen’, maar ook heel veel ‘nieuwe keynesianen’. Volgens de post-keynesianen zijn dat overigens nep-keynesianen. Alleen bij aanvallen van buitenaf is er iets van overeenstemming waar te nemen. Zoals toen Niall Ferguson, echtgenoot van Ayaan Hirsi Ali, vorig jaar voor een relletje zorgde. Keynes maalde niet om spilzieke overheden en torenhoge begrotingstekorten, aldus de aan Harvard verbonden economisch historicus. Misschien kwam dat door zijn homoseksualiteit? Keynes had tenslotte geen kinderen om wier toekomst hij zich druk hoefde te maken.

Fergusons beschuldiging is een verre echo van wat de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter in 1946 schreef bij het overlijden van Keynes: ‘Hij was kinderloos en zijn levensfilosofie was in essentie een kortetermijnfilosofie.’ Eerder al legden zijn tegenstanders een verband tussen Keynes’ bandeloze moraal en zijn verwerping van de gouden standaard. Helaas voor Ferguson had hij de feiten niet op een rijtje. Keynes was biseksueel. Zijn vrouw Lydia had een miskraam gehad – maar eigenlijk was de hele redenering te belachelijk om serieus op in te gaan. Nee, zo luidde de conclusie dan ook. Ferguson maakte een karikatuur van Keynes. Zo was hij niet. Maar dat maakt alleen maar nieuwsgieriger naar het antwoord op die andere vraag.

Wie was Keynes dan wel?

Er is amper een tijd geweest dat John Maynard Keynes níet van grote hoogte neerkeek op de rest van Engeland. Of beter gezegd, zo begint Robert Skidelsky zijn veelgeprezen biografie: op de rest van de wereld. Als het om de opvoeding van Keynes gaat, is ‘rimpelloos’ een understatement. Bij hem geen getroebleerde jeugd die zijn karakter zou tekenen, geen armlastig milieu waaraan hij zich moest ontworstelen, zelfs geen scheiding of sterfgeval in de familie. Zijn ouders waren rijk en slim; Keynes zou nog rijker en slimmer worden. De verwachtingen waren hoog; Keynes zou ze meer dan waarmaken. Nooit was er een grote teleurstelling. Nergens een plotselinge breuk. Zou je Keynes’ vroege biografie samenvatten in een grafiek, dan was het resultaat een kaarsrechte, almaar stijgende lijn.

De jonge Keynes heeft iets van een intellectueel kindsterretje, maar dan zonder de gebruikelijke rehab aan het einde. Zorgvuldig gecoacht door zijn vader won hij op school (Eton) en later op de universiteit (Cambridge) alle prijzen, competities en beurzen die er waren. Wiskunde was zijn sterkste vak, filosofie zijn grote liefde. Maar niet alleen zijn denkkracht was enorm. Keynes bleek ook in praktische zin razendsnel, een eigenschap die hem later als academisch bestuurder, topambtenaar en succesvol zakenman van pas zou komen. Hij was iemand die dingen voor elkaar kreeg. Een Macher, zoals de Duitsers het noemen.

Is het verwonderlijk dat Keynes de politieke en economische opvattingen overnam van zijn milieu, dat hem zo gunstig gezind was? Zijn leven lang zou hij een man van het midden blijven. ‘Ik geloof dat, man voor man, de middenklasse en zelfs de hoogste klassen superieur zijn aan de arbeidersklasse’, schreef hij later. Van de conservatieve denker Edmund Burke leerde hij argwaan te koesteren tegen grote idealen en vergezichten. De toekomst was veel te onzeker om grote offers in het heden te rechtvaardigen. In zijn reactie op misstanden toonde hij zich daarentegen een typische vooruitgangsoptimist. Onrechtvaardige situaties waren zelden het gevolg van gevestigde belangen of maatschappelijke tegenstellingen. Ze kwamen voort uit een gebrek aan inzicht. Dat leidde tot domme beslissingen – iets waarvoor Keynes altijd wel een praktische oplossing paraat had.

Je vraagt je af hoe uit zo’n succesvol maar saai leven een woeste denker van het formaat van de latere Keynes kon voortkomen

Je vraagt je af hoe uit zo’n succesvol maar saai leven een woeste denker van het formaat van de latere Keynes kon voortkomen. Zijn levensloop biedt drie verklaringen. Ten eerste is er Keynes’ privé-leven. In politiek opzicht mocht hij verre van rebels zijn, onder vrienden toonde hij zich wars van conventies. Dat ging verder dan zijn voorkeur voor schunnige grappen en sappige roddels. Hij omringde zich met schrijvers, intellectuelen en artiesten. Van grote invloed was zijn betrokkenheid bij de Bloomsbury-groep, de toonaangevende culturele kring waar onder anderen Virginia Woolf deel van uitmaakte. In hun opvattingen over het goede leven waren ze net zo elitair als Keynes zelf. Toen zijn vriend Lytton Strachey tijdens de Eerste Wereldoorlog gevraagd werd waarom hij niet meevocht voor de beschaving antwoordde die: ‘Mevrouw, ik bén de beschaving waarvoor ze vechten.’ Met de Bloomsbury’s deelde Keynes ook een vrije seksuele moraal. Na jarenlange scharrels en relaties met mannen kreeg hij in de jaren twintig ineens een relatie met een springerige Russische balletdanseres, Lydia Lopokova. Ze trouwden in de zomer van 1925.

Niet toevallig ging zijn onalledaagse levensstijl gepaard met een zeldzaam brede vorming: de tweede verklaring. Keynes was geen specialist. Dat wilde hij ook niet zijn. Keynes hield van ballet en opera, hij verzamelde kunst (waaronder werken van Cézanne, Degas en Picasso) en schreef boeken over filosofie. Min of meer toevallig belandde hij bij zijn uiteindelijke vakgebied. ‘Ik beleef steeds meer plezier aan economie, en ik denk dat ik er vrij goed in ben’, meldde hij terloops aan een vriend. Maar de grootste econoom van de twintigste eeuw zou nooit de moeite nemen om een universitaire graad in de economie te behalen. Hij was een zij-instromer.

Zijn brede ontwikkeling en eigenzinnigheid maakten dat Keynes een open blik had. Op zichzelf verklaren die eigenschappen nog niet waarom hij gaandeweg buiten de gebaande paden trad. ‘Ik haat alle priesters en protectionisten’, betoogde de jonge Keynes. Nog in de jaren twintig was hij ervan overtuigd dat de economische wetenschap grotendeels ‘af’ was. Slechts de concrete toepassing moest hier en daar nog wat uitgewerkt worden. Tien jaar later verwierp hij het gehele bouwwerk van de klassieke economie, sprak hij zich uit tegen vrijhandel en vóór een veel omvangrijkere rol van de overheid in de economie. Wat was er in de tussentijd gebeurd? Het antwoord op die vraag is de derde en belangrijkste verklaring voor wat later bekend kwam te staan als de ‘keynesiaanse revolutie’. De sleutel om zijn transformatie te begrijpen, ligt buiten Keynes zelf. Hij was het niet die plotseling veranderde. Het was de wereld om hem heen. De wereld die hem zo rijkelijk bedeeld had, en die hij koste wat het kost wilde bewaren, zélfs als hij daarvoor de nodige liberale heilige huisjes omver moest blazen. Zo begon Keynes’ tocht in de intellectuele wildernis.

Het moderne kapitalisme ontbeert een geest, meende Keynes. Juist dat ontbreken van een gloedvol verhaal maakte het in zijn ogen zo kwetsbaar. ‘Zo’n systeem moet enorm, niet slechts een beetje, succesvol zijn om te overleven’, schreef hij in 1925.

Wat Keynes vanaf 1914 zorgen baarde, was dat dat succes steeds langer uitbleef. Het begon met de Eerste Wereldoorlog. Die maakte Keynes van dichtbij mee. Niet in de loopgraven, maar vanuit Londen. Bij het uitbreken van de gevechten had hij gehoor gegeven aan het verzoek van de Treasury, het Britse ministerie van Financiën, om zijn hersenen ter beschikking te stellen van het vaderland. Hoewel Keynes plezier beleefde aan het politieke spel ontwikkelde hij een steeds grotere afkeer van de massaslachting. ‘Ik werk voor een regering die ik haat, voor doelen die ik crimineel acht’, schreef hij eind 1917 aan zijn voormalige grote liefde, de schilder Duncan Grant. Tegenover zijn moeder toonde hij zich nog zwartgalliger. ‘Mijn Kerstgedachten zijn dat het nog langer voortduren van de oorlog (…) waarschijnlijk het einde betekent van de sociale orde zoals we die hebben gekend. De vernietiging van de rijken zal best aangenaam zijn; ze hebben het verdiend. Wat me beangstigt is het vooruitzicht van algehele verarming.’

De opgekropte frustratie kwam naar buiten in zijn Economic Consequences of the Peace, dat zou uitgroeien tot een internationale bestseller. Als een ware Cassandra waarschuwde hij daarin voor de gevolgen van het verdrag van Versailles van 1919. Keynes was aanwezig bij de onderhandelingen. Hij vreesde dat de loodzware vredesvoorwaarden die de geallieerden Duitsland oplegden een duurzame vrede onmogelijk maakten. ‘Hij is gedesillusioneerd’, observeerde Virginia Woolf na zijn terugkeer. ‘Hij gelooft niet meer in de stabiliteit van de dingen waarvan hij houdt. Eton is verdoemd, net als de heersende klassen en misschien ook wel Cambridge.’

Zo erg bleek het allemaal niet. Maar van een terugkeer naar het zorgeloze, vooroorlogse Engeland was geen sprake. Na de oorlog kwam Groot-Brittannië, dat enorme schulden was aangegaan bij de Amerikanen, in een depressie terecht. Dat was de twijfelachtige verdienste van de leidende politici en economen. Zij wilden zo snel mogelijk terug naar de gouden standaard. Het resultaat was een blijvend hoge werkloosheid, deflatie en pessimisme. Toen in 1929 na de beurscrash op Wall Street ook de rest van de wereldeconomie in een depressie belandde, had Groot-Brittannië daar al ruim een decennium ervaring mee. Het kan verklaren waarom de aanval op de economische orthodoxie uitgerekend in Engeland begon.

Het kapitalisme was niet ziek, vond Keynes. Het was instabiel, en daar kon wat aan gedaan worden

De debatten tussen de Britse economen in de jaren twintig zijn ronduit fascinerend. De meningsverschillen die onze politiek sinds 2008 in hun greep hebben, blijken weinig meer dan een herhaling. Ook toen was de hamvraag: stimuleren of bezuinigen? Ook toen klonk het argument dat een overheid, net als een gezin, het huishoudboekje op orde moet hebben. Keynes weerlegde dat op overtuigende wijze. Hij betoogde dat wat voor afzonderlijke burgers werkt niet vanzelfsprekend goed is voor de maatschappij als geheel. Een typische fallacy of composition. Zelfs het bezwaar van de huidige generatie rechtse economen dat hogere overheidsuitgaven contraproductief zijn omdat ze het vertrouwen van burgers ondermijnen, passeerde al in de jaren twintig de revue. Als rationele consumenten of producenten zouden zij weten dat begrotingstekorten in het heden onvermijdelijk tot hogere belastingen in de toekomst zullen leiden, was de gedachte. Daardoor zouden zij nu alvast de hand op de knip houden.

Te midden van die hevige discussies ontwikkelde Keynes zoekend en tastend zijn eigen alternatief. Hij was het niet eens met de socialisten, die de finale crisis van het kapitalisme verwachtten. Maar hij deelde ook niet de mening van veel rechtse economen, in wier ogen de malaise een heilzame kuur was voor de daaraan vooraf gegane hausse. Het kapitalisme was niet ziek, vond Keynes. Het was instabiel, en daar kon wat aan gedaan worden. Voor dat doel bleek de gangbare, klassieke economische theorie onbruikbaar. Die ging slechts op voor de zeldzame situatie waarin sprake was van volledige werkgelegenheid. Structurele werkloosheid zoals Engeland die sinds de Eerste Wereldoorlog kende, kon volgens de economen uit deze school daarom eigenlijk niet bestaan. Het was de onwil om in te zien dat hun theorieën niet strookten met de voor iedereen zichtbare werkelijkheid, die volgens Keynes fataal was voor het gezag van de economie.

Opnieuw visionaire woorden, maar het zou verkeerd zijn om Keynes als een profeet neer te zetten. Ontelbare keren sloeg hij de plank faliekant mis. Zo voorspelde hij na de Russische Revolutie dat het bolsjewistische experiment een tijdelijk delirium zou blijken; het product van ‘de ontberingen en specifieke temperamenten van Slaven en Joden’ (enig antisemitisme was Keynes niet vreemd). Ook de crash in Wall Street in 1929 zou slechts van korte duur zijn. Het liep anders.

‘De moeilijkheid ligt niet in de nieuwe ideeën’, schreef hij zes jaar na die gebeurtenis in zijn standaardwerk, de General Theory of Employment, Interest, and Money. De echte uitdaging was ‘het ontsnappen aan de oude ideeën die, voor degenen die zijn opgevoed zoals de meesten van ons, zich uitstrekken tot in elke hoek van onze geest’. Keynes’ eigen ontsnapping aan de klassieke economische theorie ging met horten en stoten. Een tijdje was hij zeer te spreken over protectionistische maatregelen, ter bescherming van de eigen, Britse industrie. Ook zag hij goedkoop geld als panacee. Doordat de rente laag werd gehouden, zouden de economische problemen vanzelf verdwijnen. Maar tegen de tijd dat zijn General Theory verscheen, was hij op andere gedachten gekomen. Hij zag om zich heen dat investeerders in tijden van crisis, zelfs als de rente extreem laag was, op hun geld bleven zitten. Om die liquiditeitsval te omzeilen, restte de overheid niets anders dan zelf geld te investeren in de economie. Met werkgelegenheidsprojecten moest de depressie bestreden worden. Het liefst zag Keynes wegen, spoorlijnen, parken, scholen of ziekenhuizen verrijzen. Maar, grapte hij in zijn klassieker, ook ‘piramides bouwen, aardbevingen, zelfs oorlogen’ waren geschikt om de vraag te stimuleren. Nog een knipoog van Keynes: laat het ministerie van Financiën bankbiljetten in lege flessen stoppen, verberg die in oude kolenmijnen, gooi er een flinke laag vuilnis overheen, en laat dat vervolgens geheel volgens de principes van laisser faire opgraven door commerciële bedrijven. In tijden van crisis, zo wilde hij maar zeggen, was alles beter dan niets doen.

Medium mw03627

In een lezing ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van Keynes’ General Theory vertelde Paul Krugman de fictieve anekdote van een museumbezoeker. Bij het portret van George Washington vraagt hij aan de suppoost of de eerste president van de Verenigde Staten er in werkelijkheid zo uitzag. Het antwoord: dit is hoe hij er nú uitziet. Hetzelfde gold wat Krugman betrof voor Keynes: ‘Het gaat erom wat we met Keynes doen, niet wat hij “echt” bedoelde.’

Toch is datgene wat we met Keynes doen moeilijk los te zien van de vraag naar wat hij werkelijk vond. Krugman zelf onderscheidde drie verschillende interpretaties. De eerste, meest beperkte, is die van Keynes als de econoom die wees op de gevolgen van starre lonen. Omdat die in slechte tijden niet snel genoeg dalen, aldus economen als Robert Barro, kan de markt haar louterende werk niet doen en ontstaat er werkloosheid.

De oprichting van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds droegen onmiskenbaar Keynes’ stempel

De tweede stroming, waartoe Krugman zichzelf rekent, ziet in Keynes’ standaardwerk bovenal een weerlegging van de wet van Say. Die luidt kort gezegd dat elk aanbod zijn eigen vraag schept. Nee, toonde Keynes aan: in tijden van crisis blijft de vraag ver achter bij het aanbod. Sleutelen aan de aanbodzijde van de economie – lagere lonen, flexibeler ontslagrecht, betere scholing – haalt in zo’n situatie weinig uit. Het is de haperende vraag waar het om gaat. De overheid moet die aanzwengelen.

Een derde en laatste groep economen wordt door Krugman de ‘hoofdstuk-twaalvers’ genoemd. In dat schitterende hoofdstuk van de General Theory schrijft Keynes over de ‘animal instincts’. Hij analyseert de ‘golven van optimistische en pessimistische sentimenten’ die de beurskoersen doen schommelen. Elders vergelijkt hij de psychologie achter financiële zeepbellen met een stoelendans. Natuurlijk zijn er naast de domme kudde ook intelligente investeerders die snappen dat het feest niet eindeloos kan doorgaan. Zij weten dat er straks te weinig stoelen zijn; dat er verliezen zullen worden gemaakt. Maar zij zouden een dief van hun eigen portemonnee zijn als ze niet probeerden zo lang mogelijk met de muziek mee te dansen, om vervolgens nét op het juiste moment een stapje opzij te doen.

Het is dit meer psychologisch en filosofisch gekleurde hoofdstuk waarin sommige van zijn volgelingen de aanzet zien tot een radicalere Keynes. Een Keynes voor wie het kapitalisme niet wordt gekenmerkt door een natuurlijke hang naar evenwicht, maar door een grillige, instabiele aard. Keynes als een soort Galileo Galilei, die met een economische Umwertung aller Werte het gangbare denken op z’n kop zet.

Wie van de drie is de ware Keynes? Het antwoord is: allemaal. De brave econoom die het vooral bij de ‘sticky wages’ liet, is de Keynes van voor het einde van de jaren twintig. De twee andere gezichten – Keynes als de econoom van de vraagzijde, en de man van de animal spirits – verschijnen beide in de General Theory. Tot een definitieve keuze zou het nooit komen.

Toen Keynes vlak na de oorlog op 62-jarige leeftijd stierf, liet hij behalve een miljoenenvermogen, een indrukwekkende kunstverzameling en een bibliotheek met zeldzame boeken en manuscripten ook een even indrukwekkend als incompleet oeuvre na. Niet lang na het verschijnen van de General Theory in 1936 was hij getroffen door een hartaanval. Na zijn ziekbed werd zijn aandacht grotendeels opgeslokt door actuele kwesties: de Tweede Wereldoorlog, en de financiële wereldorde die daarop moest volgen. De Amerikanen schoten zijn idee voor een supranationale munt, de Bancor, af. In plaats daarvan zou de dollar het ankerpunt worden van het naoorlogse monetaire stelsel. Maar de afspraken van Bretton Woods, waaronder de oprichting van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds, droegen onmiskenbaar zijn stempel. In elk geval was een herhaling van het rampzalige verdrag van Versailles vermeden.

Zijn vroege dood is voer voor ‘wat als’-speculaties. Waar was Keynes aanbeland als hij was doorgegaan op zijn kruistocht tegen de economische orthodoxie? Zou hij zich verzet hebben tegen de inkapseling van zijn gedachtegoed door grauwe technocraten in de jaren vijftig en zestig? Wie in alle eerlijkheid zijn leven beschouwt, moet toegeven dat het antwoord waarschijnlijk niet zo spectaculair is als sommigen hopen. Ja, Keynes was een buitengewoon brede, creatieve en soms spannende denker. Maar al in de conclusie van de General Theory doet hij een handreiking naar zijn meer behoudende collega’s. Vanaf het moment dat het keynesiaanse stimuleringsbeleid erin geslaagd is volledige werkgelegenheid te herstellen, aldus Keynes, ‘verschijnt de klassieke theorie weer op het podium’. Dat klinkt niet als een afrekening.

Het is geen verrassing. Keynes was geen vijand van de heersende orde. Het verschil met critici als Friedrich Hayek was dat hij, om de liberale samenleving te beschermen tegen de communistische verleiding, bereid was enig water bij de wijn te doen. Alleen zo kon volgens hem ‘de vernietiging van de bestaande economische orde’ voorkomen worden. Als Keynes al iets van een groter ideaal had, dan lag het in een wat ruimer toelatingsbeleid voor het elitaire luilekkerland dat hij voorafgaande aan die verschrikkelijke Eerste Wereldoorlog had leren kennen. Lezen, bridgen en luieren dus. Het is het lonkende perspectief dat hij schetst in zijn sinds kort zeer populaire tekst over de ‘Economic Possibilities for our Grandchildren’. ‘Zijn utopia’, schreef biograaf Skidelsky, ‘lijkt een uitgebreid Bloomsbury aan de top en brood en spelen voor de massa’s. Het is een paradijs van vrije tijd.’


Beeld: (1) John Maynard Keynes (rechts) en Duncan Grant, begin twintigste eeuw (National Portrait Gallery, Londen). (2) Bridgeman Art Library / HH