Susan Sontag

De edele, kalme dood

New York, 1999 © Leemage / HH

‘Ziekte vormt de schaduwzijde van het leven, het ingezetenschap van een duisterder rijk. Iedereen die geboren wordt is ingezetene van twee rijken – hij is zowel ingezetene van het rijk der gezonden als het rijk der zieken.’ De eerste zinnen van Ziekte als metafoor, dat in 1977 verscheen, zijn meteen vintage Susan Sontag. Ze zijn ferm, apodictisch zelfs. Sontag valt ermee met de deur in huis; tegelijkertijd zijn de gebeeldhouwde zinnen koel, afstandelijk. De alinea erna sluipt de ‘ik’ erin, maar dan vooral om aan te geven dat het boek níet persoonlijk gaat worden: ‘Ik wil niet gaan beschrijven wat het emigreren naar het rijk der zieken eigenlijk is, en wat het betekent om daar te leven.’

Pas elf jaar later, in Aids en zijn metaforen, bekent Sontag dat ze Ziekte als metafoor schreef nadat ze zelf kanker kreeg. Ze wilde iets bijdragen, blikt ze terug, maar vond het niet zinvol een boek te laten verschijnen met een verhaal in de ik-vorm, ‘over hoe iemand te horen kreeg dat hij of zij kanker had, huilde, worstelde, getroost werd, leed, moed vatte… ofschoon dat mijn verhaal was’. Ironisch voegt ze daar nog aan toe: ‘Voor leesgenot zou ik willen verwijzen naar andere schrijvers.’

In Aids en zijn metaforen rept Sontag ook expliciet van de ‘overgrote woede’ die ze voelde toen ze kanker had, en die haar afleidde van de angst en wanhoop over de sombere diagnose die de artsen haar over haar ziekte gaven. De woede betrof de reputatie van de ziekte, die het lijden van patiënten heviger maakt, en die hen met afschuw en schaamte over hun ziekte opzadelt. Die reputatie is verklonken in de metaforen waarin over ziekte, en zeker een ziekte als kanker, wordt gepraat. Vandaar dat ze in Ziekte als metafoor wil aantonen dat ziekte géén metafoor is, géén figuurlijk begrip en dat ze zich in het boek ten doel stelt de ziekte te zuiveren van metaforisch denken.

Ze is haar ziekte met haar grote intellect te lijf gegaan

Als je weet dat Susan Sontag zelf kanker had toen ze haar grote essay over ziekte schreef, en je je ook nog realiseert dat ze voor haar genezing de zwaarste vorm van chemotherapie onderging, besef je dat Ziekte als metafoor een wonderlijk boek is. Het is niet alleen ogenschijnlijk koel van stijl, het is ook uitermate erudiet. Sontag is ervoor in de wereldliteratuur gedoken: van Tolstoj tot Kafka, van Mansfield tot de gebroeders Goncourt, van Dickens tot Thomas Mann, ze haalt een hele bibliotheek overhoop om te laten zien met wat voor metaforen schrijvers ziekte hebben omkleed. Ze is haar ziekte met haar grote intellect te lijf gegaan. Maar onder de onthechtheid smeult de woede – over hoe er over de ziekte gepraat wordt, maar uiteindelijk ook over de ziekte zelf.

Intellectueel gezien is Ziekte als metafoor een belangwekkend en prikkelend essay. Sontag vergelijkt erin minutieus hoe tuberculose en kanker metaforisch worden geduid. Terwijl tbc de lijders eraan mooier en etherischer maakt, de ziekte hen met hun bleekheid en koortsgloed zelfs een bovennatuurlijke sereniteit geeft, wordt kanker gezien als een demonische bezetenheid – tumoren zijn ‘kwaadaardig’ of ‘goedaardig’, net als duistere machten – die moet worden uitgedreven. Kanker geldt als een malicieuze, onoverwinnelijke vijand in plaats van als gewoon een ziekte. Tegenover de edele, kalme dood door tbc staat de laag-bij-de-grondse, martelende kankerdood. En waar tbc wordt gezien als een teveel aan hartstocht, wordt kanker in verband gebracht met een gebrek daaraan. Tuberculose staat voor een teveel aan vitale energie; kanker voor seksuele geremdheid en het onderdrukken van gevoelens. Kanker is ‘het loon der verdringing’.

Sontag beschrijft hoe tbc in de negentiende eeuw als een romantische aandoening werd beschouwd. Het was een tijd waarin goede gezondheid niet chic was en het juist als modieus gold als je er bleek en afgetrokken uitzag. De ‘tuberculose-look’ was, aldus Sontag, het eerste voorbeeld van de uitgesproken moderne gewoonte om jezelf een imago toe te meten. Kanker staat voor een ander soort moderniteit, en dan voor de afwijzing daarvan: de twintigste-eeuwse ‘homo economicus’ wordt geacht onbegrensd te consumeren, maar de kankerpatiënt stelt grenzen aan de groei, waardoor die naar binnen slaat en in het lichaam voor een woekering zorgt.

Een deel van de betekenisgeving die het metafoorgebruik over ziekte verraadt, is vermakelijk. Zeker als het om een ziekte gaat die nagenoeg achter ons, dat wil zeggen het Westen, ligt, zoals tbc. Sontag wijst er ook op dat metaforen vooral welig tieren als de precieze bron van de ziekte onbekend is en er geen genezing bestaat. De romantisering van tuberculose hield ook op toen de ziekteverwekker werd gedetecteerd. De metaforen over kanker kunnen voortwoekeren, omdat het geen ziekte is met een eenduidige oorzaak en er nog steeds een oorlog tegen ingezet moet worden: de ‘kwaadaardige’ cellen moeten worden ‘vernietigd’. Aids en zijn metaforen is alleen al een veel minder boek omdat het gedateerd is: aids is in veel landen een chronische aandoening geworden en geen epidemie meer.

Sontags woede geldt vooral de metaforen die de schuld van de ziekte bij de zieke zelf leggen, en die voor schaamte en dus ook voor verheviging van de pijn zorgen. En al wordt kanker tegenwoordig niet meer geweten aan het verdringende karakter van de patiënt, in onze door gezondheid geobsedeerde tijd is de ziekte nog steeds met schuld omgeven. Metaforen uitbannen is een illusie, maar Sontag maakt ons er wel bewust van hoe beladen ze kunnen zijn. Dat is nog steeds een nuttige les.