Muziektheater - Een Javaanse L’Histoire du soldat in Nederland

De edele wilde en het bederf

De Javaanse versie van Stravinsky’s Soldat is een eindafrekening met de koloniale cultuurpolitiek. Over ‘hoge’ cultuur die zogenaamd gecompromitteerd wordt door ‘het lagere’.

Medium 3 een javaanse l histoire du soldat fotograaf joris jan bos
Wieteke van Dort (tweede van links) met Javaanse dansers in de voorstelling Een Javaanse L’Histoire du soldat © Joris Jan Bos

Voor misschien wel de twintigste keer in Nederland staat er een bewerking van Stravinsky’s L’Histoire du soldat (1918) op de planken. Onder regie van Gerard Mosterd presenteert het New European Ensemble Een Javaanse L’Histoire du soldat, te zien in twintig steden en met de aftrap – hoe kan het anders – in Den Haag. De interpretatie lijkt deze keer te gaan om een apotheose van de Indische dekolonisatie – de culturele dekolonisatie wel te verstaan, een langlopend proces.

Het verhaal is even universeel als simpel. Een berooide soldaat – in deze versie Yusuf genaamd – is te voet op weg naar huis wanneer hij de Duivelin tegenkomt, die hem een verleidelijk voorstel doet: in ruil voor de viool van de soldaat geeft de Duivelin hem een boek, waarmee hij de toekomstige beurskoersen kan achterhalen. Maar met zijn viool blijkt de soldaat ook zijn ziel weggegeven te hebben: het geldelijk fortuin dat hij verwerft maakt hem niet gelukkig. Om zijn oude zorgeloosheid en zijn geliefden te hervinden onderneemt de soldaat vreemde avonturen, waarin hij de Duivelin te slim af probeert te zijn. Ondanks successen, zoals zijn huwelijk met de Prinses, lukt dat uiteindelijk niet; Yusuf kan de Duivelin niet weerstaan.

Het verhaal wordt uit de doeken gedaan door de Verteller, die de centrale rol in het stuk speelt. Daarnaast wisselen surrealistische en slapstickachtige elementen elkaar af in de voorstelling; hoge cultuur en lage cultuur lopen door elkaar heen, dansers maken suggestieve bewegingen – soms alleen met uitgelichte handen of voeten –, begeleid door expressionistische klanken.

Stravinsky schreef het stuk aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, toen Europa in chaos verkeerde en de culturele sector bijna non-existent was. Hij koos daarom voor een kleine bezetting en een eenvoudig verhaal met een strekking die overal van toepassing is: geld maakt niet gelukkig, maar corrumpeert de ziel. Componist Stravinsky en librettist Charles-Ferdinand Ramuz spraken de wens uit dat hun low-budgetcreatie tot in de verre toekomst en over de hele wereld zou worden opgevoerd, telkens aangepast aan lokale culturele en politieke omstandigheden – als een pop-upvoorstelling avant la lettre. Dat is ook gebeurd: er schijnt zelfs een Inuit-versie van Soldat te bestaan. In Nederland zijn inmiddels vele opvoeringen geweest, vooral door amateurgezelschappen die werden aangetrokken door de sociaal-kritische strekking én de grote technische uitdaging die dit modernistische stuk altijd heeft betekend voor regie, musici en spelers.

L’Histoire du soldat heeft, in verschillende versies, tussen 2011 en 2014 in Indonesië louter uitverkochte zalen getrokken – een kunststukje in een land waar de infrastructurele risico’s bij het ondernemen van een multidisciplinaire theatertournee aanzienlijk zijn en chaos dus op de loer ligt. Gerard Mosterd, die zowel in Indonesië als in Nederland tekende voor regie, choreografie, kostuums en lichtontwerp, oogstte lof voor zijn inzet van klassiek Javaanse dansers van naam. Hoewel ze zijn getraind als hofdansers, met de langzame, gracieuze en beheerste bewegingen van dien, bleek de combinatie met de explosieve, individualistische maar minutieuze bewegingstaal die hoort bij Stravinsky’s muziek een schot in de roos voor uitvoerenden én publiek. Ook in de nieuwste versie, die op 16 maart in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag in première ging, excelleren de drie Javaanse klassieke dansers (Rury Avianti, Siko Setyanto en Hendro Yuliyanto), evenals de musici van het New European Ensemble.

De bekende Indonesische journalist, dichter en mensenrechtenvoorvechter Goenawan Mohamad haalde ooit in een essay een berucht voorval aan uit het begin van de twintigste eeuw: een Javaanse jongeman had een Nederlandse opvoeding genoten, met veel succes zijn schoolopleiding afgesloten, was beleefd en voorkomend en sprak prachtig Nederlands. Toen hij terugkeerde naar het huis van zijn ouders wilde hij uit respect een bezoek afleggen aan de resident (koloniale bestuurder) ter plaatse; hij werd tot hem toegelaten en beging toen de immense, onvergeeflijke fout om de resident in het Nederlands aan te spreken… ‘Inlanders’ mochten zich immers alleen in het hoog-Javaans uitdrukken ten overstaan van een Nederlander, hoe goed hun beheersing van de vreemde taal ook was. Overtreding van deze regel werd door het koloniale gezag als een grove belediging opgevat.

Deze paradox van onderwerping, schreef Goenawan Mohamad, staat symbool voor de hele cultuurpolitiek van het koloniaal bewind. ‘Den Javaan’ moest, als ‘edele wilde’, beschermd worden tegen het bederf van culturele besmetting; in hoeverre een Javaan ‘Nederlands’ kon en mocht worden – door officiële ‘gelijkstelling’ – werd bepaald door de koloniale autoriteit en niet door hemzelf. Wat een mooi toeval dus dat juist Goenawan Mohamad de tekst heeft geschreven (naar Ramuz) van Een Javaanse L’Histoire du soldat (hier bewerkt door Bo Tarenskeen). Want het is niet alleen het thema van het stuk (geld!), maar vooral de rolverdeling in bredere zin die deze versie tot een onontkoombare eindafrekening maakt met de koloniale cultuurpolitiek. Kenmerkend voor deze productie is dat die gezamenlijk wordt gedragen door Indonesiërs (de ‘inlanders’ van weleer), Europeanen en Indo’s, dezelfde demografische mix die destijds de koloniale bevolkingssamenstelling uitmaakte (minus de ‘Vreemde Oosterlingen’).

‘Inlanders’ mochten zich alleen in het hoog-Javaans uitdrukken ten overstaan van een Nederlander

De gouden greep om de 73-jarige Indische Wieteke van Dort de centrale rol van Verteller te laten vertolken plaatst de voorstelling in precies díe context die Stravinsky en Ramuz voor ogen hadden: die van een oeuvre risqué, bij voorbaat omstreden. In dit geval: ‘hoge’ cultuur die zogenaamd gecompromitteerd wordt door ‘het lagere’.

Wieteke van Dort is het meest bekend geworden door haar vertolking van ‘tante Lien’, de rol van een kwebbeltante met een dik Indisch accent, die in haar eigen televisieshow (rond 1980) alleen ‘Indische mensen’ ontving, te midden van schalen kroepoek en katjang. Vooral binnen delen van de Indische gemeenschap gingen de gêne en de woede om de ‘platte’ tante Lien op tv diep – zij waren niet ‘zulke’ Indo’s maar spraken abn; zij waren beschaafd en geassimileerd, gelijkgesteld zelfs. Deze uiting van cultural cringe – het diep van binnen gevoelde en als vanzelfsprekende minderwaardigheidscomplex over de eigen cultuur – werd in die jaren gedeeld door blanke Indische Nederlanders. De Indische tongval werd breed veroordeeld.

In Een Javaanse L’Histoire du soldat vertolkt Van Dort als Verteller zeer overtuigend ook de rol van Duivelin, die ze – als enig karakter in haar verhaal – van een gemeen vet Indisch accent voorziet. Veertig jaar na het ‘tante Lien-schandaal’ en ruim zeventig jaar na het verlies van de kolonie zou mogen worden verwacht dat hier geen gevoeligheden meer over spelen. Toch voelde Mosterd haarfijn aan dat het Indische accent nog steeds als theatraal taboe wordt gezien en dat het koloniale concept van ‘culturele besmetting’ geenszins overboord is gegaan. In recensies in NRC Handelsblad (Kester Freriks) en Theaterkrant (Henri Drost) werd naar aanleiding van de Indische tongval respectievelijk gerept van een ‘sfeer vervuld van nostalgie en tempo doeloe, van pedis en ketoembar… een pijnlijke misrekening’ en van een ‘faustiaanse uitverkoop aan de plaatselijke pasar malam… nostalgisch zwelgen’.

Mooi dat hiermee recht wordt gedaan aan Stravinsky’s uitgangspunt voor het stuk, het opzoeken van de controverse. Maar het is evengoed schokkend dat de anekdote van Goenawan Mohamad, over de Javaanse jongeman, in een andere gedaante maar met dezelfde strekking opgeld doet in 2017: een taalverbod in (post)koloniale context. Het bestaansrecht van het Indische accent is in het serieuze Nederlandse theater nog steeds omstreden en dat is een ontkenning én een miskenning van de koloniale werkelijkheid – te meer omdat de Indische manier van spreken aan het uitsterven is. Dat het juist de Duivelin is die in Soldat met een Indisch accent spreekt, lijkt, toepasselijk genoeg, te maken te hebben met het eeuwige buitenstaanderschap van zowel Satan als de Indo (gesitueerd in Nederlands-Indië). En misschien ook met het oude beeld van de Indische vrouw als een op seks beluste, ordinaire en verraderlijke maar verleidelijke demon, als een bedreigster van het Hollandse huwelijk – zij is zo onder meer neergezet door Hella Haasse in de roman Sleuteloog (2002).

Wat gehoopt mag worden is dat dit stuk toch een einde helpt maken aan de vaak clichématige manier waarop in Nederland lang is aangekeken tegen Indonesische en Indische podiumkunst. Daarin klonken maar al te vaak oude echo’s door van enerzijds bewondering voor de edele wilde en zijn kunst (‘authentiek’ en ‘subliem’) en anderzijds afkeer van de bastaard en haar commerciële schnabbel (‘plat’ en ‘goedkoop’). Javaanse hofdansvoorstellingen mochten bijvoorbeeld vanouds rekenen op serieuze en vaak idolate aandacht van het publiek, terwijl een fenomeen als krontjong pas sinds relatief korte tijd in bredere kring wordt erkend als een belangrijke en interessante kunststroming – om over hawaiian nog maar te zwijgen.

Dat de – Indische – Gerard Mosterd blind is voor elk onderscheid tussen hoge en lage cultuur blijkt uit de grote lijn en uit details, zoals een Indische raptekst uit de mond van de Verteller en het feit dat we de virtuoze musici als schimmige figuranten zien participeren in het stuk.

Het meest treffend aan Een Javaanse L’Histoire du soldat is misschien de wonderbaarlijke tijdigheid van de voorstelling – ingeklemd tussen het verschijnen van Rémy Limpachs De brandende kampongs van Generaal Spoor en de geplande samenwerking tussen Nederlandse en Indonesische historici bij het onderzoek naar Nederlandse oorlogsmisdaden tijdens de koloniale oorlog, een unicum. Het is ontroerend om te zien dat de nazaten van de usual suspects uit de grimmige nadagen van het koloniale project nu, 72 jaar later, gezamenlijk tot het maken van een bijzondere, geëngageerde en fantasierijke voorstelling in staat zijn, waarin eindelijk alle stemmen – de Europese, de Indonesische, de Indische – tot hun recht komen. Daarvoor is het niet nodig om te weten dat schrijver Goenawan Mohamads vader, beschuldigd van guerrilla-activiteiten, door de Nederlanders is geëxecuteerd in 1946, of dat de vader van Verteller Wieteke van Dort in dat jaar is doodgeschoten door de Indonesiërs, zomaar. Maar voor wie het weet krijgt de voorstelling, die over de keerzijde van geldbezit gaat, een pregnantere lading.


Een Javaanse L’Histoire du soldat *is op tournee van 16 maart t/m 29 april.

Lizzy van Leeuwen werkt aan een biografie van de danser en choreograaf Indra Kamadjojo (pseudoniem van Leo Broekveldt, 1906-1992)*