De eenling en de anderen

Nico Keunings biografie van de onnavolgbare, niet geëngageerde en een beetje gekke schrijver Willem Brakman roept een verloren tijdperk van ‘echte’ literatuur op.

Willem Brakman, Boekelo, 2003 © Friso Keuris / De Beeldunie

Iets als een autobiografische roman bestaat niet. Dat is de eerste aantekening die ik maakte in de kantlijn van Een ongeneeslijk heimwee, het boek dat Nico Keuning schreef over leven en werk van Willem Brakman (1922-2008). Aanleiding: Debielen en demonen, een vroege Brakman uit 1969, wordt door Keuning ‘misschien wel de meest autobiografische en realistische roman’ in dit oeuvre genoemd. Biograaf Keuning stipt in één moeite door de verschillen tussen roman en werkelijkheid aan. In tegenstelling tot de hoofdpersoon heeft de schrijver ‘nooit in het verzet gezeten als de verspreider van “verboden krantjes”, heeft hij nooit een Duitse officier begraven en blijken zijn seksuele avonturen louter op erotische fantasieën te berusten. Een inhaalslag op papier.’

Het is typerend voor deze biografie. Hier hebben we het leven en daar hebben we het werk en dat schuiven we eens fijn in elkaar – zo kun je omschrijven hoe Keuning dit klusje aanpakt. Een kenmerkend zinnetje in Een ongeneeslijk heimwee na het samenvatten van een bepaald tafereel in een roman is: ‘Precies zoals het in werkelijkheid is gegaan.’

Ergens ben ik daar heel erg tegen. Het gevaar bestaat dat stelselmatig de raadselachtigheid van literair werk teniet wordt gedaan. Maar in het geval van Brakman werkt dat een tikkeltje anders. Hij is een bijzonder lichamelijke schrijver. Er zijn weinig Nederlandse auteurs die je zó dicht op de huid van een personage kunnen brengen. Je wórdt het personage: je kijkt door zijn ogen, je hoort wat hij hoort, je voelt wat hij voelt. Het is alsof hij en jij er echt zijn, in deze fantasiewereld, die in niets verschilt van de werkelijke wereld, die beeldend wordt opgeroepen door iemand die paradoxaal genoeg helemaal in zichzelf op lijkt te gaan en zich dus wél in een compleet andere wereld lijkt te bevinden. En zo’n ‘personage’, als je dat zo kunt zeggen, was de mens Brakman blijkbaar zelf ook. Nooit eerder las ik een biografie over iemand die zozeer in zichzelf verzonken was en voor wie de werkelijkheid die zich overal om hem heen bevond en de romans die hij schreef zo sterk, zo naadloos in elkaar overliepen. Vandaar dat deze aanpak hier werkt.

Je zit het intussen allemaal met open mond van verbazing te lezen. Aan de ene kant beschikt de mens en schrijver Brakman over een volstrekt redelijke kant. Schrijven over de oorlog is voor Brakman taboe, constateert Keuning. Dat is niet helemaal waar – zie hierboven – maar specificeren we het, dan klopt het. Keuning citeert Brakman: ‘Ik kan toch moeilijk een verhaal schrijven en zomaar iemand een verleden geven in Auschwitz. Ik zou het niet in mijn hersens halen daarover ooit een verhaal te schrijven. Je hoeft niet alles meegemaakt te hebben om erover te kunnen schrijven, maar dát wel. Daar geldt een uitzondering.’

Je zou hopen dat alle schrijvers er zo over dachten, maar helaas. Er zijn romans waarin onbekommerd fictieversies worden geboden van vernietigingskampen. Tegenover deze verstandige redenering van Brakman staat dat zijn studie mede werd gefinancierd met geld dat ter beschikking werd gesteld door twee broers die na de oorlog werden veroordeeld voor collaboratie; het betrof geld dat ze uit dankbaarheid aan Brakmans moeder gaven omdat die als verpleegster in de strafgevangenis van Scheveningen vlak na de oorlog een baan had en haar werk in hun ogen zo goed deed.

Het beeld ontstaat van iemand die helemaal opgaat in zichzelf, iemand die verdwijnt in zijn eigen geest en zijn eigen herinneringen. Monomaan

De op deze eigenaardige wijze bekostigde studie verloopt overigens bepaald niet in een rechte lijn – uiteindelijk deed Brakman geneeskunde – en Brakman wordt ook niet wat hij wíl worden. Hij maakt in deze biografie al snel een tamelijk getikte indruk. Bij wijze van introspectie laat hij zijn handschrift analyseren door een grafoloog. In de kantlijn schreef ik: het wordt allemaal gekker en gekker. ‘Wisselende zelfhandhaving’, concludeert de grafoloog onder andere.

Brakman wil geen arts zijn, het enige wat hij op een gegeven moment ambieert is in zijn kamertje zitten om daar ongestoord en in volkomen stilte te kunnen schrijven. Als hij maar niet met mensen hoeft om te gaan. ‘Als hij iets niet kan, is het luisteren’, noteert Keuning. En iets verderop: ‘Sociaal gedrag is nu eenmaal niet zijn sterkste kant.’ Het beeld ontstaat van iemand die helemaal opgaat in zichzelf, iemand die verdwijnt in zijn eigen geest en zijn eigen herinneringen. Monomaan. Een soort autist. Iemand die zich uitsluitend kan handhaven als hij de kloof tussen de eenling die hij is en de anderen, de botsing tussen verbeeldingskracht en werkelijkheid in zijn voordeel weet te beslissen, door die ander gewoon te negeren.

Keuning beschrijft die strijd overtuigend, en hier komen we ook ergens míjn Brakman op het spoor. Brakman ging ik lezen tijdens de laatste jaren van mijn studie Nederlands op aanraden van mijn docent moderne letterkunde Frans de Rover. Brakman stond en staat als notoir moeilijk of onnavolgbaar bekend – Frans zei, en dat stond haaks op dat beeld, dat hij de enige Nederlandse auteur was om wie hij onbedaarlijk moest lachen. Ik las De oorveeg (1984), mijn eerste Brakman, en kwam erachter dat Frans gelijk had. Brakman is een van de grootste geestige schrijvers in de Nederlandse literatuur. Na mijn studie moest ik vrijwel meteen in militaire dienst (lichting 88-5). Tussen mij en het leger gaapte een ravijn, maar het leek me flauw om me aan deze plicht te onttrekken. Wat mij door die periode heen heeft gesleept was, buiten dat ik over een enorm talent met vuurwapens bleek te beschikken, Brakman en zijn humor en zijn vermogen je naar een compleet andere wereld te verplaatsen die op een merkwaardige manier wel echt aanvoelde. Misschien heeft het er ook mee te maken dat ik net als Brakman geboren en opgegroeid ben in Den Haag, een stad die hij in zijn werk onbedaarlijk mythologiseerde.

Een tijdje heb ik Brakman niet meer gelezen, maar tijdens het lezen van de biografie kwam ik erachter hoeveel invloed hij nog op mijn eigen werk heeft. Ik zette een kruisje bij het volgende citaat uit een interview met hem: ‘(…) de geluiden van de zee, kleine lantarens en dat nichtje met het witte truitje in dat smalle straatje; een avondlijk beeld, dat als het ware bol stond van de weemoed en waar alles al in zat.’ Het is een nichtje dat weer opduikt in mijn eind vorig jaar verschenen roman List en leed, waarin ze een sleutelrol vervult. Brakman had de gewoonte de namen van mensen die hij in zijn romans liet opdraven als personages niet te veranderen: dokter Van Heel bleef gewoon dokter Van Heel. Het is het gegeven dat List en leed op gang brengt: mijn hoofdpersoon, een schrijver, beseft nadat hij zijn nieuwe roman bij zijn redacteur heeft ingeleverd dat hij de namen van zijn personages niet heeft veranderd. Ik herken vrijwel alles van Brakman in mijn eigen werk. Het spel van fictie en werkelijkheid. De familieleden die boos op je worden. Schoonzus Co wil dat haar man Jack (de broer van Brakman) een rechtszaak tegen Wim (zoals hij in de familie heette) aanspant – hij doet dat overigens niet. De inzet van intertekstualiteit. Keuning: ‘Het (impliciet) verwijzen van Brakman in zijn romans naar andere literatuur of schilderijen vormt een vast procedé van zijn schrijverschap.’

Brakman was bepaald geen geëngageerd schrijver. Keuning constateert dat de maatschappelijke realiteit of politieke ontwikkelingen überhaupt nauwelijks een plaats krijgen in dit oeuvre. Bij Brakman in de jaren zestig geen rookmagiërs, selfkickers, flowerpower, studentenrevolutie of popmuziek. ‘Wim leest geen krant.’ Dat zinnetje staat aan het einde van een hoofdstuk waarna het hoofdstuk ‘Een autonome wereld’ volgt.

Brakman creëerde inderdaad die eigen wereld, en de manier waarop hij dat deed doet me sterk denken aan andere lievelingsschrijvers van mij, zoals John Banville en P.G. Wodehouse. Die worden door Keuning niet genoemd, maar de ‘Engelse’ komedie van Brakman vertoont overeenkomsten met het humoristische werk van de laatste. En de broeierige lichamelijkheid heeft Brakman gemeen met Banville. Waarmee ik niet wil suggereren dat Brakman daar de mosterd vandaan haalde. Hij las veel, maar ging zijn eigen gang. Broer Jack volgde als jongen een cursus korte verhalen schrijven. Brakman verbaasde zich daarover, want schrijven kon je niet op een cursus leren: ‘Wat hij leerde was het soort proza pennen dat met de laatste zin sterft. Margriet-proza.’

Op een gegeven moment kruipt de nostalgie in dit boek. Het is alsof de titel niet alleen slaat op Brakmans verlangen naar zijn jeugd in Den Haag, of zoals hij die zich herinnerde, maar dat die ook een verloren tijdperk oproept van ‘echte’ literatuur waarin stijl, literaire referentie, structuralistische verteltechniek en verbeelding aan de macht zijn. Maar waar ook het al dan niet bewust opbouwen van een handig netwerk – de vriendschappen tussen schrijvers, recensenten en juryleden – al volop in zwang is, wat dit boek op een bepaalde manier toch weer modern maakt. Brakman was een eenling, maar hij beschikte wel degelijk over handige contacten. De keurige stijl van Keuning werkt in dit geval goed. Brakman zélf was al gek genoeg.