Klaus Mann, 1933 © Annemarie Schwarzenbach / Swiss National Library

In Mefisto beschrijft Klaus Mann de bliksemcarrière van Hendrik Höfgen: van saloncommunist tot een door de nazi’s gevierd acteur. 75 jaar na verschijning staat Höfgen model voor opportunisme en vrijages met de macht in alle tijden. Bovendien is Mefisto een boeiend hoofdstuk in de Duitse cultuurgeschiedenis, waarin uiteindelijk de vrijheid van kunst won.

‘Een klein pact met de duivel’, schreef de Duitse historicus Sebastian Haffner, ‘en men behoorde niet meer tot de gevangenen en vervolgden, maar tot de overwinnaars en vervolgers. Dat was de eenvoudigste en grootste verleiding.’ Het is een verleiding die Hendrik Höfgen niet kan weerstaan.

Mann roept een sfeer van dreiging op, te midden van pluche en premières, in het Berlijn van 1936. ‘Deze mooi uitgedoste mensen vertonen een vrolijkheid die bepaald geen vertrouwen schenkt. Ze bewegen zich als marionetten, merkwaardig trekkend en hoekig. Hun ogen hebben iets dreigends, hun ogen hebben geen heldere blik, er staan angst en wreedheid in te lezen.’ Mann beschrijft die spanning voelbaar, net zoals hij ziet wat er achter de schermen gebeurt. Het corps diplomatique drinkt champagne, het publiek schuift lekkere hapjes naar binnen – kleine tanks van Lübecker marsepein – de nieuwe elite viert feest op kosten van het volk. Intussen worden acteurs en kunstenaars ‘gesensibiliseerd’ om de nieuwe machthebbers welgevallig te zijn.

‘Ik mag niet klagen, het gaat met ons allemaal echt goed’, laat mevrouw Höfgen, moeder van intendant Hendrik Höfgen, op zo’n feestelijke avond weten. Hij behoort tot de kunstenaars die de ‘persoonlijke vriendschap’ van de minister-president genieten, al haalt Höfgen zijn neus op voor diens ‘plebejische partijgenoten’.

Hendrik Höfgen is een van de meest besproken figuren van de hoofdstad. Hij is 39 jaar, maar ziet eruit als vijftig. Een vaal gezicht, een hoornen bril, een kale schedel. Een trotse kin die hij naar voren strekt. Hij spreekt met een geraffineerde, geschoolde metalen toon die tot in de verste uithoeken van de zaal te horen is.

Eerst stelt hij scherp: ‘Alle nazi’s zijn schoften. Als je je met een van hen inlaat, wordt je naam bezoedeld.’ Zijn vrouw verwijt hij geen stelling te nemen. ‘Je zou ertoe in staat zijn aan de fascistische terreur nog interessante kanten te ontdekken.’ Maar de zucht naar roem in de hoofdstad knaagt aan hem. ‘Hij is gewetenloos’, zegt een tegenspeler, ‘een heel slecht mens.’ Al snel daarna strijden film en theater om zijn kostbare talent. Om carrière te maken en aan de top aan te komen, sluit hij een pact met de duivel.

Zijn triomf wordt de rol van Mefistofeles in de nieuwe Faust-enscenering van het Berlijnse Staatstheater ter gelegenheid van Goethe’s honderdste sterfdag. De voorstelling is een sensatie. ‘De kaalgeschoren schedel is, net als het gezicht, wit gepoederd; de wenkbrauwen zijn grotesk omhooggetrokken, de bloedrode mond is tot een starre glimlach verlengd, op het brede stuk tussen de ogen en de kunstig verhoogde wenkbrauwen schitteren honderd verschillende kleuren.’ Alleen al zijn gezicht wordt een duivels icoon. Zijn kleedkamer wordt een heiligdom. Höfgens Mefisto is een griezelig elegante grappenmaker, die Goethe’s beschrijving van zijn drama – ‘een zeer ernstig spel’ – bevestigt. Als geen ander voelt Mefisto-Höfgen sympathie voor het bedrog van de nazi’s. Hij ziet een verwantschap tussen zijn gemene grappen en de nieuwe machthebbers, die de schuld van de brand van de Rijksdag in de schoenen van de communisten schuiven – en ermee wegkomen. Mefisto begrijpt de nazi’s, en de nazi’s begrijpen Mefisto. De minister-president, die de Faust-enscenering bezoekt, meent dat in iedere Duitser iets van Mefisto schuilt. In zijn loge schudden de kunstenaar en de vette reus in het bonte uniform elkaar de hand. De zaal mompelt respectvol. Het pact met de duivel is gesmeed.

Literair is er veel te genieten. Mann gebruikt hyperbolen. ‘Geen keizer ter wereld was ooit fraaier ingeluid’, schrijft hij als de naar Göring gemodelleerde generaal-vlieger, bijgenaamd ‘de dikke’, op zijn verjaardagsfeest verschijnt. De man heeft ‘benen als pilaren waarop hij zich langzaam voortbewoog’. Handbewegingen, kinnen en lippen beschrijft Mann even treffend als gevoelens en karaktereigenschappen. Daarvan komen er veel langs, van gemakzucht tot gemeenheid, van sentimentaliteit tot spilzucht. In de Duitse literatuurgeschiedenis behoort de roman tot de hoogtepunten van de emigrantenliteratuur van uit nazi-Duitsland gevluchte schrijvers.

Klaus Mann schreef Mefisto in 1936 in Amsterdam, onderbroken door reizen naar het buitenland. Hij zette de werkelijkheid naar zijn hand. Voor Hendrik Höfgen stond Gustaf Gründgens model, de intendant van het staatstheater in Berlijn, die onder bescherming van Göring stond. Klaus Mann kende Gründgens en zijn manier van bewegen: Gründgens was korte tijd getrouwd met Klaus’ zus Erika.

Pas je je idealen aan? Praat je machthebbers naar de mond? Dat zijn de vragen waar het in deze roman over gaat

Manns vriend Hermann Kesten, die in de jaren dertig de Duitse afdeling van de Amsterdamse uitgeverij Allert de Lange leidde, raadde Mann aan een roman te schrijven over ‘een homoseksuele carrièremaker in het Derde Rijk’. Klaus Mann schreef Mefisto. Overigens schuwde Mann de beschrijving van homoseksualiteit niet. Zijn Der fromme Tanz behoort tot de eerste werken in de Duitse literatuur over de liefde van een man voor een man.

Klaus Mann had het op z’n zachtst gezegd niet makkelijk. Als zoon van de beroemdste Duitse schrijver van zijn tijd, Thomas Mann. Als drugsverslaafde. Als homoseksueel. Hij pleegde in 1949 zelfmoord in Cannes.

Je zou denken dat het werk van een schrijver die zo boeiend en interessant is als Klaus Mann na zijn dood geen strobreed in de weg wordt gelegd. Maar zo ging het niet. De jonge Bondsrepubliek was tot in de jaren zeventig conservatiever dan we soms geneigd zijn te denken. Natuurlijk, West-Duitsland was vanaf 1949 een democratie. Maar wat te denken van het volgende?

Al vlak na de oorlog kreeg een verbaasde Klaus Mann van zijn uitgever in München te horen dat het moeilijk zou zijn de roman uit te geven. ‘Meneer Gründgens speelt hier in München al een zeer betekenisvolle rol.’ Tien dagen voor zijn dood schreef Mann terug: ‘Ik weet niet wat me meer raakt: uw laagheid of de naïviteit waarmee u deze toegeeft.’ Het enige wat de Duitsers spijt, concludeerde Klaus Mann, is dat de oorlog verloren is.

In de jaren zestig, na Gründgens’ dood, spande zijn adoptiefzoon een proces aan tegen Manns uitgever. Hij wilde dat het werk niet zou worden uitgegeven; het zou Gründgens’ reputatie bezoedelen. De Hamburgse rechtbank gaf hem in 1966 gelijk, en dat gebeurde nog een keer in 1968, nadat de uitgever om revisie van het oordeel had gevraagd. ‘Het kan niet zo zijn dat elke in zijn beroep ijverige bekwame man in zijn eer wordt aangetast omdat hij niet in 1933 en later is geëmigreerd, maar ook onder het nieuwe regime zijn beroep uitoefende.’

Zelfs de hoogste instantie die de wetten van de Bondsrepubliek hoort te verdedigen, het Bundesgerichtshof, stak in 1971 geen vinger uit voor de vrijheid van kunst. Het oordeel van de drie rechters leek vooral een voor de nazi’s gevluchte kunstenaar te berispen. ‘Het grote publiek is er niet in geïnteresseerd een fout beeld over de verhoudingen in het theater na 1933 vanuit het perspectief van een emigrant te krijgen.’

Pas in 1981 kwam uitgeverij Rowohlt, zonder enige aankondiging in een catalogus, met een pocketuitgave en vond de roman zonder hindernissen zijn weg naar de West-Duitse lezer. Het is een weinig verheffende episode in de cultuurgeschiedenis van de Bondsrepubliek.

De nieuwe Nederlandse uitgave is verschenen in de reeks Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland, die een dossier over Klaus Mann en zijn roman op haar website heeft geplaatst. De vertaling van Juliana Hoenselaars leest prettig en het boek bevat een nawoord van Gerrit Bussink, gelauwerd vertaler uit het Duits.

Wat me bij hernieuwde lezing opviel: Mefisto gaat niet alleen over een historische situatie, maar over alle omstandigheden waarin mensen die verder willen zich laten corrumperen. Hermann Kesten schreef: ‘In de komediant tekent Klaus Mann het type van de meeloper, een uit het miljoen van medeschuldigen die geen misdaad begaan, maar die het brood van de moordenaars eten; die niet de schuldigen zijn, maar schuldig worden.’ Dat is de grote reikwijdte en kracht van deze roman die doorklinkt in de ondertitel: Roman van een carrière. Het voorbeeld van een kunstenaar in het Derde Rijk is een toespitsing onder extreme omstandigheden; de thematiek is tijdloos, of beter gezegd tijd-overstijgend. ‘Iedere persoon in dit boek stelt een type voor en is geen portret’, schreef Klaus Mann.

Pas je je idealen aan? Praat je machthebbers naar de mond? Vanaf wanneer begin je een rol te spelen en te acteren? Dat zijn de vragen waar het in deze roman over gaat. Het is de kracht van literatuur om die vragen zo indringend te stellen dat zij van alle tijden zijn. Bij Mefisto en bij Mengelberg, bij het Berlijn van de jaren dertig en de Bondsdag van nu, en net zo goed in het Torentje bij de toeslagenaffaire; overal waar verlangen naar macht groter is dan het geweten.