De eenzaamheid van de aarde

Dat er wetenschappelijk gezien vaak veel aan schort, zal het publiek worst zijn. De science-fictionfilm is populairder dan ooit. Omdat de special effects zo betoverend zijn? Of omdat het idee dat we alleen rondzweven in het heelal ons beangstigt? Nog een maandje wachten en de meest recente buitenaardse invasie is ook in de Nederlandse bioscopen te zien.
OP DE AVOND VAN 4 juni 1996 begon in 2881 bioscopen in de Verenigde Staten de science-fictionfilm Independence Day te draaien, een als bloedstollend bedoelde thriller over de invasie van de aarde door vijandige buitenaardse wezens. Drie dagen later restten van alle voorgaande bezoekersrecords slechts rokende puinhopen; zelfs die andere grote SF-film, Jurassic Park, tevens de vorige recordhouder, kon niet tippen aan de bijna honderd miljoen dollar die Independence Day in het eerste weekend opbracht.

Zo'n resultaat mag, zelfs voor Amerika, spectaculair genoemd worden, een grote verrassing is het niet. Het succes van Independence Day - die vanaf 4 oktober ook in de Nederlandse bioscopen te zien zal zijn - is het voorlopige hoogtepunt van een ontwikkeling die al zo'n vijftien jaar aan de gang is.
Vanaf het eind van de jaren zeventig is science fiction sterk gegroeid in populariteit. Het begon met de Star Wars- trilogie van George Lucas (1977) en de Mad Max-films van Mel Gibson (1979), en het ging via de mierzoete alle- buitenaardsen-zijn-knuffelbaar-SF van Steven Spielberg (Close Encounters of the third kind, E. T., Batteries not included), de crypto-SF van Arnold Schwarzenegger en andere vechtmachines (Terminator en Total Recall) naar de technisch perfecte en vaak evenredig kille produkties van de laatste jaren. Waaronder nu dus Independence Day.
Het thema van Independence Day, de invasie van de aarde door monsterlijke aliens, is een van de alleroudste in de SF. De Engelse schrijver H. G. Wells komt waarschijnlijk de eer toe dat hij als eerste aan niet- menselijke beschavingen de rol gaf die later zo'n cliche zou worden: onze tegenstanders in de strijd om het kosmisch overleven. Wells’ The War of the Worlds, voor het eerst gepubliceerd in 1898, werd in de hoorspelversie van Orson Welles (producent en hoofdrolspeler) de meest beroemde radiouitzending ooit. Op 30 oktober 1938 veroorzaakte het verhaal massale paniek onder het Amerikaanse radiopubliek. Meer dan een miljoen luisteraars geloofde dat het hoorspel een live-reportage was van een invasie door Martianen. Achteraf is het moeilijk te geloven dat een zo duidelijk als fictie gepresenteerd verhaal, waarin binnen enkele minuten de gebeurtenissen van vele uren plaatsvinden, voor waar zou kunnen worden aangezien, maar het geeft goed aan hoe ontvankelijk veel mensen zijn voor de thema’s van SF. (Voor degenen die denken dat we tegenwoordig minder naief zijn: naar aanleiding van Independence Day verscheen in het tijdschrift USA Today een artikel dat onderzocht of de Verenigde Staten wel een verdedigingsplan hebben voor het geval er werkelijk een buitenaardse invasie zou plaatsvinden. Een dergelijk plan bleek niet te bestaan.)
H. G. Wells komt ook de eer toe dat hij het buitenaardsenthema zijn eerste en ad nauseam nagevolgde vorm heeft gegeven: een plotselinge, verraderlijke invasie, een bittere strijd die de aardbewoners dreigen te verliezen, en een onverwachte factor die de weegschaal op het nippertje in de richting van de dappere aardse verdedigers doet doorslaan, meestal een deus ex machina - in War of the Worlds een dodelijk aards virus waar de Martianen stom genoeg geen rekening mee hebben gehouden. In Independence Day is het al niet anders, zij het dat de redding in dit geval komt van een pittoresk stel Amerikaanse helden (een blanke hier, een zwarte daar) en niet van een virus. Dat toont natuurlijk ook beter op film.
AMERIKANEN HEBBEN ALTIJD al van SF - en records - gehouden. Het genre is grotendeels daar ontstaan. Maar science fiction beleeft niet alleen in Amerika een revival. In ons werelddeel is het aantal televisieseries met een SF-thema opgelopen tot minstens twee per dag. De oer-SF-serie Superman kreeg een grondige facelift, ook met het oog op de Europese markt (waarvoor Lois Lane van zeurderige love interest tot intelligente, geemancipeerde carrierevrouw werd geboetseerd), de spectaculaire space opera’s uit Hollywood doen het hier ook uitstekend en de SF-boeken en -tijdschriften - met name die welke gebaseerd zijn op de series en de films - verkopen weer als in de jaren vijftig, de hoogtijdagen van pulpmagazines als Amazing Stories, Analog en Astounding.
De echte science fiction-aficionados, de trekkies, de fanzine-verzamelaars en -makers, de bezoekers van World Con en de Philip K. Dick-fanaten zullen de hernieuwde populariteit van SF ongetwijfeld met een scheef oog bekijken, net als trouwe voetbalsupporters wanneer iedereen ineens achter hun winnende club blijkt te staan. Maar de opmars van de nieuwe helden lijkt voorlopig niet te stuiten: Luke Skywalker, E. T., Superman na zijn facelift, Robocop en natuurlijk de bemanning van het Starship Enterprise.
Na het fenomenale succes van de serie Star Trek aan het eind van de jaren zestig en de eindeloze reruns en slappe films die van het originele thema werden getrokken, werd in 1987 begonnen met een nieuwe tv-serie, Star Trek: The Next Generation. Vergeleken met de nieuwe versie is het oude Star Trek, met kapitein James T. Kirk, de hypochondrische dokter McCoy en de stoicijnse ‘anderling’ mr. Spock een lachwekkend ouderwets maaksel, met die bordkartonnen decors en die vlezige acteurs, maar niettemin hebben de afleveringen ervan inmiddels cult- en campstatus bereikt en zijn de vervolgserie Star Trek: The Next Generation en de spin-off daarvan, Deep Space Nine, bijna net zo populair als de oude serie toen.
De befaamde introductie aan het begin van elke aflevering van Star Trek ('These are the voyages of the starship Enterprise. It’s mission: to find out new life, new civilizations. To boldly go where no man has gone before’) bleek bij de nieuwe serie, die tachtig jaar na de oude is gesitueerd, iets gewijzigd: het was geworden 'to boldly go where no one has gone before’, waarmee vanaf het begin duidelijk werd dat The Next Generation vooral niemand tegen de schenen wilde schoppen. Dat is helaas duidelijk merkbaar: de helden in de serie zijn zonder een enkele uitzondering sympathiek, hyper-intelligent, emotioneel stabiel en zo plat als egeltjes op de A4. Ze hebben het temperament van een geknipte kater en rondzwerven door het heelal in hun gezelschap is net zo spannend als een avondwandelingetje door de buurt.
Het lijkt er sterk op dat de schrijvers van de serie zich nog steeds houden aan de richtlijnen van de bedenker van Star Trek, de in 1991 overleden Gene Rodenberry. Zijn Star Trek-bijbel Shared Worlds bevat zeer gedetailleerde lijsten met wat kan en wat niet kan in Star Trek-scripts. De serie lijdt daarnaast aan de typisch Amerikaans eigenschap van het zich liberaal voordoen, maar tegelijkertijd het angstvallig vermijden van werkelijk belangrijke zaken. Zo bevinden zich aan boord van de Enterprise vertegenwoordigers van vele verschillende rassen - behalve de zwarte hoofdtechnicus Geordi Laforge en de Aziatische Deanna Troi ook buitenaardsen als de Klingon-vechtersbaas Worff - maar binnen deze smeltkroes vinden nooit conflicten plaats die te maken hebben met ras. Het lijkt of het rassenprobleem in de verre toekomst geen rol meer speelt, maar dat is waarschijnlijk eerder te danken aan de instructies van de produktiemaatschappij dan aan de ruimdenkendheid van toekomstige generaties.
Veel van de tv-series die op dit moment worden uitgezonden - Babylon 5, Deep Space Nine, V, Robocop en het belachelijke Space Precinct van de BBC - zijn even slap: niet meer dan sjablonen met een hoog gehalte aan fasers afvurende ruimteschepen en groteske buitenaardsen, maar zonder oog voor de ongekende mogelijkheden van ware SF.
Het op SBS6 vertoonde en na een seizoen al mislukte Space: Above and Beyond is een schrijnend voorbeeld. Prachtig vormgegeven, met spectaculaire technische stunts en fraaie acteurs - speciaal gecast om ook met zweet en modder op hun gezicht nog aantrekkelijk te tonen -, is het toch niet meer dan een twintig-in-een-dozijnserie, een typisch Amerikaanse schiet- en-vechtgeval waarin terloops het Vietnam- trauma wordt geheeld. De slagvelden op verre planeten lijken sprekend op wat we kennen uit post- Vietnamfilms, de straaljagers zijn vervangen door snelle ruimtejagers, en ook in de verre toekomst is er napalm. Veelzeggend is de bijnaam van de aliens waartegen gevochten wordt: de Chigs. De bijnaam van Vietnamezen indertijd was Chinks. Ditmaal winnen de Amerikanen overigens wel.
EEN GELUKKIGE UITZONDERING is The X-files, ook van Amerikaanse makelij. Er komt geen ruimteschip, faserpistool of tijdreis in voor, maar het is science fiction van de bovenste plank. Uiterlijk een gewoon detective- verhaal, speelt deze serie op een knappe manier met de verborgen angsten van de kijker: dingen die regeringen voor ons verzwijgen, onstuitbare epidemieen die kunnen uitbreken, enge geluiden in de nacht, ecologische rampen en wederom: buitenaardsen.
Tijdens de eerste grote populariteitsgolf van het SF-genre, eind jaren veertig, was de bedreiging van onze beschaving door buitenaardse mogendheden een alles overheersend thema in SF-tijdschriften, -boeken en -hoorspelen. Niet zo verwonderlijk voor een wereld die nog maar kort geleden onder de voet was gelopen door barbaarse horden (buitenaardse wezens zijn in vroege SF vrijwel zonder uitzondering barbaars, wreed, vastbesloten om de hele wereldbevolking uit te moorden, fysiek afzichtelijk en net iets minder intelligent dan de gemiddelde aardbewoner), en in de jaren van de Koude Oorlog die daarop volgden was het aliens-thema niet minder actueel. De verbeelding van Russische en/of Chinese werelddominantie in de science fiction van de jaren vijftig is even doorzichtig als dromen van veertienjarige meisjes over treinen die met grote snelheid tunnels in- en uitrijden.
Een minstens even fascinerend thema in science fiction is gebaseerd op speculatie over de toekomstige technologische mogelijkheden van de menselijke beschaving. De meeste schrijvers van SF gaan ervan uit dat de enorme technologische vooruitgang die we deze eeuw hebben geboekt, logischerwijs moet leiden tot de ontdekking van de sneller-dan-het-licht-ruimteschipaandrijving rond het jaar 2010, vergevorderde telepathische begaafdheid (inclusief telekinese en gedachtenlezen) rond dezelfde tijd, en tijdreizen, och, misschien een tiental jaren later. Op zich is daar niets mis mee, speculatie is de basis van alle science fiction, maar het is jammer dat juist de interessante mogelijkheden van zulke ontdekkingen nauwelijks geexploiteerd worden. Sneller- dan-licht-aandrijving bijvoorbeeld wordt vrijwel uitsluitend gebruikt om het reizen naar andere planeten plausibel te maken, maar er zijn weinig verhalen of films die zich bezighouden met de fascinerende consequenties daarvan: dat bij een snelheid groter dan het licht de tijd stilstaat of zelfs achteruit gaat lopen.
Het lage wetenschappelijke niveau en de opzichtige blunders van veel SF is er verantwoordelijk voor dat het genre als geheel zo'n slechte naam heeft. Vaak niet eens onterecht: een populaire opvatting, vaak verbeeld op de omslagen van oude pulptijdschriften, was dat van buitenaardse wezens die met begerige ogen naar half ontklede vrouwelijke astronauten kijken. Een biologisch absurdisme dat op hetzelfde peil staat als mannelijke kosmonauten die geil worden van inktvissen.
Een overbekende blunder is van Jules Verne, die een gigantisch kanon bedacht om zijn reizigers mee naar de maan te schieten, daarbij het feit negerend dat de acceleratie niet meer van ze zou overlaten dan dunne rode vegen op de wand van de cabine.
De geschiedenis van science fiction is vol van dergelijke voorbeelden: schrijvers die parsecs gebruiken als eenheid van snelheid in plaats van afstand ('Hoe hard gaan we nu?’ 'Twintig parsecs per uur, kapitein. We zijn er zo’), die gewicht verwarren met massa (zodat de helden in hun verhalen een ruimteschip van een paar ton met een vinger kunnen verplaatsen) en van geniale wezens met een IQ van 917, alsof dat exacte getal wat zou betekenen.
En ondanks alle vooruitgang in techniek en special effects is hedendaagse SF vaak wetenschappelijk nog net zo naief als vroeger. In de nieuwe Star Trek-serie wordt de bemanning nog altijd uit hun stoelen gekatapulteerd wanneer het schip - in een aanval of een meteorietenstorm - door elkaar wordt geschud. Dit werpt de vraag op waarom in een beschaving die technisch zo ver is, het eenvoudige concept van de veiligheidsgordels vergeten is. Een ander hinderlijk terugkerend anachronisme is het geluid van explosies in een heelal dat, zoals toch al enige tijd bekend is, een vacuum is. Kennelijk verkeren producenten en filmmakers in de veronderstelling dat hun publiek verontwaardigd de bioscoopzaal uit zal stuiven of naar een ander kanaal zal zappen als de knallen niet te horen zijn.
Het gros van de science-fictionfilms en -series, zo mag de conclusie luiden, is van een genant niveau. Maar toch mag de onbenulligheid en commercialiteit van veel moderne SF geen reden zijn om het genre als geheel met het grofvuil mee te geven. Op zijn best is science fiction namelijk een fascinerende zijtak van literatuur en film, waarbij de ongebreidelde fantasie, de vaak verfrissend anarchistische denkbeelden en de brutaliteit van veel werk minstens even fascinerend zijn als de thematiek. Een thematiek die daarnaast een goed inzicht geeft in actuele maatschappelijke ontwikkelingen. Zo moet de bemanning van het Starship Enterprise tegenwoordig uitzonderlijk vaak uitrukken om de een of andere planeet te redden van een milieuramp of problemen van overbevolking, problemen die in de vroegere serie hoegenaamd niet speelden - het heelal is een stuk smeriger dan dertig jaar geleden.
HET ZIJN NIET DE MINSTE schrijvers die zich op serieuze wijze met SF hebben beziggehouden: behalve bekende voorbeelden als George Orwell (Nineteen Eighty- Four), Aldous Huxley (Brave New World) en Kurt Vonnegut (Slaughterhouse Five) ook schrijvers die bekender zijn door hun 'gewone’ werk: Thomas Pynchon, de ook in Nederland zeer populaire Paul Auster (In the Country of Last Things, 1987), William Kotzwinkle (met het definitieve boek over de gruwelen van vivisectie, Doctor Rat) en Jerzy Kosinski. In de verhalen in Cockpit verplaatste hij zich al in de richting van SF, maar het thema van Being There is het mooiste voorbeeld van wat goede science fiction kan zijn: een regering en een politiek systeem waaruit alle betekenis verdwenen is, en daarin een geisoleerd opgegroeide hoofdpersoon, Chance, wiens door de media gevormde leegte de verlangens en ontgoochelingen van een wereld weerspiegelt. Aan de lezer om uit te maken of die wereld ver in de toekomst ligt of angstig dichtbij.
Nederlandse auteurs die science fiction schreven (al noemen ze het zelf nooit zo) zijn er genoeg: Bordewijk, met zijn overbekende toekomstfantasie Blokken, Belcampo, Hugo Raes, Ward Ruyslinck, Harry Mulisch (De toekomst van gisteren), Tonke Dragt (Torenhoog en mijlen breed, een van de beste boeken over telepathie die er bestaan), Jan Gerhard Toonder (Opstaan op zaterdag) en Gerrit Krol met zijn - overigens onleesbare - De man achter het raam.
Dat science fiction aan schrijvers veel te bieden heeft moge duidelijk zijn, maar daarmee is nog niet verklaard waarom het momenteel ook bij zo'n groot publiek populair is.
Daar mogen we allereerst Hollywood voor bedanken. De verbluffende technische innovaties in de filmindustrie van de laatste jaren zijn het meest geschikt om te worden gebruikt in spektakelfilms, en aan spektakel ontbreekt het in SF zelden. Ook hebben de grote studio’s genoeg zakeninstinct om een rage te voelen aankomen en te voeden. Independence Day is nog lang niet het eindpunt - Paul Verhoeven is bezig met de verfilming van Robert Heinleins Starship Troopers, en dat is nog maar een van de tien grootse SF- produkties die de komende twee jaar op stapel staan. Het zal overigens interessant zijn om te zien wat Verhoeven maakt van Heinleins omstreden roman. Bij de verschijning in 1959 kreeg het boek al felle kritiek: het zou een militaristisch en zelfs fascistisch wereldbeeld propageren. Misschien dat Verhoeven van plan is dat beeld wat te nuanceren.
Een andere reden waarom toekomstfantasieen zo populair zijn, is ongetwijfeld de komende eeuwwisseling. De eerste januari van het jaar 2000 wordt ook buiten het rijk van de science fiction beschouwd als een magische datum, maar de SF is daar grotendeels verantwoordelijk voor. Wie voortdurend in de toekomst kijkt, ziet die datum levensgroot opdoemen. SF-schrijver Arthur C. Clarke was niet voor niets de eerste die erop wees dat het nieuwe millennium eigenlijk pas een jaar na 1 januari 2000 begint.
Maar misschien de belangrijkste oorzaak is dat we steeds meer het gevoel krijgen dat we alleen zijn in het heelal. Dat nergens in die onmetelijke uitgestrektheid wezens te vinden zijn met wie we zouden kunnen communiceren of die ons zouden kunnen helpen. Dat we het helemaal zelf moeten opknappen. Zoals Damon Knight zei: 'De sterren staan ver, het leven is kort, en het huis krijgt altijd een percentage. De Mens op zich is al zo onwaarschijnlijk dat als hij niet bestond, de mogelijkheid van zijn bestaan de discussie niet eens waard zou zijn.’
Die klap zal onze fantasie moeten opvangen. Als er daarbuiten geen leven is, bedenken we het zelf wel, en of het uit de ruimte komt of kunstmatig geschapen is, zal ons een zorg zijn.
Misschien zei daarom een schaakexpert na afloop van de match Kasparov-Deep Blue in de Volkskrant van 20 februari: 'Het wachten is alleen nog op een computer met bewustzijn.’
Misschien dat zovelen daarom ontvoerd worden door vliegende schotels, en dat bijna de helft van alle Amerikanen ervan overtuigd is dat vliegende schotels bestaan. Misschien dat daarom de opwinding over eventueel leven op Mars zo groot is.
Misschien ook is het daarom dat de aankondiging van de tv-serie Babylon 5 zo omineus klinkt. Als een groot rond ruimtestation dat sprekend op de aarde lijkt in beeld schuift en een diepe, neerslachtige stem ons erop wijst hoe alleen we zijn: 'Humans and aliens, wrapped in 2 million 500.000 tons of spinning metal - all alone in the night.’