Het nabijheidsvirus

De eenzaamheid van de stervenden

Het zijn geen virussen die mensen besmetten. Dat doen zij zelf, in zich uitbreidende netwerken van afhankelijkheid. Dat proces heeft oude wortels, maar vraagt ook om nieuwe noties van afstand en nabijheid.

Zandvoort, mei 2012

Tijdens één persconferentie, zo’n drie maanden terug, hief het kabinet-Rutte het publieke leven op. Opvallend hoe moeiteloos dat ging. Zonder gemor of protest – dat volgde pas toen de maatregelen juist weer werden versoepeld. Het laat zien hoe dwingend angsten zijn; en hoe vreemd wanneer ze weer wegebben. Zo kwam alles weer krakend op gang, een metertje hier en een openstelling daar.

Toch is de radicale transformatie van het leven en samenleven, zoals die bijna overal ter wereld werd ingezet, nog niet voorbij. Sommige virologen zien dit als een generale repetitie voor nog omineuzer uitbraken die zullen volgen. Vooralsnog blijft de burgerlijke nabijheid geprotocolleerd en gesanctioneerd door de staat: is het niet met plaktape of overreding, dan met boetes of, uiteindelijk, geweld. Voor een democratisch land als Nederland waar, om Gerard Reve te citeren, elke ongewassen aap met een bord voor dit of tegen dat het verkeer mag versperren en ’s avonds reeds zijn smoel op de teevee ziet, was dit alles ongehoord. Even bevonden we ons in een dictaturette. Geen echte, omdat het overheidsingrijpen hier in hoge mate steunt op Selbstzwang en gezond verstand.

Ondertussen is de hele grammatica van het sociale verkeer herschreven. Subtiele en situatiegebonden regels voor en verwachtingen over interactie, ruimtegebruik en mobiliteit, al die diep ingesleten gewoonten en gedragspatronen zijn uit hun sluimeringen van vanzelfsprekendheid gehaald. De hele manier waarop mensen met hun lichaam omgaan en de drie dimensies met anderen delen: ze zijn van de ene op de andere dag tot probleem verklaard. Al die antropologische en mensenrechtelijke aspecten van afstand en nabijheid zijn op het procrustesbed van de veiligheid beland. Break the chain, smeekten Amerikaanse artsen die begin maart het aantal opnames op ic’s exponentieel zagen stijgen. Die keten verwijst naar het reproductiegetal R0, maar daarmee ook naar de afhankelijkheidsbetrekkingen op een kleine planeet: grootschalige netwerken van samenwerking en strijd die heel het leven en samenleven omvatten.

De veelgesmade internationale handelsketens zijn daar maar een onderdeel van, hoe bepalend ook; een veel wijder web van menselijke betrekkingen van transnationale nanny’s, langeafstandsfamilies, migranten, diplomaten, reizigers en culturele en wetenschappelijke uitwisseling vormen er de schragen van. Al zulke verbindingen vertrekken uit en komen samen in metropolen, die zowel een hoge bevolkingsdichtheid kennen als een hoog niveau van integratie met de rest van de mensheid. Daarom ook vonden de meeste besmettingen plaats in Madrid, Lombardije en New York en niet eerst in dicht opeengepakte favela’s en slums, hoe groot het risico daar nu nog steeds ook is: het risico te sterven aan nabijheid.

Robert Ezra Park, begenadigd voorman van de Chicago School, heeft er ooit op gewezen dat het territorium waarbinnen de strijd om het bestaan plaatsvindt zich alsmaar uitbreidt. Het is de nabijheid op de grootste maar tegelijk ook kleinste schaal die toeneemt, met alle gevolgen van dien. Het gevaar van oorlog en geweld is daarbij niet minder groot dan het gevaar van ziekten en epidemieën, aangezien microben op dezelfde manier reizen als mensen: ‘Het levensweb dat alle levende organismen in zijn mazen bevat wordt zo alsmaar hechter en strakker, waarmee in nagenoeg alle delen van de wereld de levende wezens onderling verbonden zijn geraakt. De vitale bindingen zijn tegenwoordig uitgebreider en intiemer dan ooit tevoren in de menselijke geschiedenis.’

—————

Zoals de historicus William McNeill heeft benadrukt is de menselijke soort een ziekte voor alle andere levende wezens. Maar de auteur van Plagues and Peoples (vertaald als Mensen en hun plagen) wees er omgekeerd ook op dat virussen en infecties niet simpelweg gelden als ‘externe’ verstoorders van de menselijke samenleving. Die twee zijn altijd al vervlochten geweest: de symbiose waar Robert Ezra Park van sprak. Over de zeer lange termijn bezien hebben microparasieten en de zoönotische epidemieën die zij veroorzaken de menselijke geschiedenis duurzaam beïnvloed, zoals omgekeerd de menselijke ontwikkeling die van parasieten steeds heeft beïnvloed.

In alarmistische termen gevat is dit wat het ‘antropoceen’ behelst: de kolonisering en bijna-verruïnering van de aarde door mensen. De eeuwenlange verstoring van diverse ecologische evenwichten laat zich zo begrijpen als een invasie, een alsmaar toenemende nabijheid tot dieren en overige niet-menselijke natuur. Maar door het antropoceen op te vatten als een strikt onderscheiden geologisch tijdperk, wordt daarmee de onjuiste suggestie gewekt dat mensen in eerdere tijden nog ‘in harmonie’ met de natuur leefden. Bovendien lijkt dat noodlottige tijdperk los van mensen zelf te staan, alsof zij toevallig onder dat gesternte leven zonder er invloed op te hebben.

Van daaruit is het een kleine stap om anderen het onheil in de wereld aan te rekenen. Wat autoritaire leiders en boetepredikers van nu gemeen hebben, is dat ze hun vitriool dopen in de oudtestamentische taal van schuld. Iemand of desnoods iets moet voor Covid-19 opdraaien: als het maar ver weg is, in krachtig enkelvoud. Donald Trump sprak al snel van het ‘Chinese virus’, Steve Bannon van een ‘Chinees Tsjernobyl’ en Matteo Salvini wees naar ‘de migrant’. Maar de meeste commentatoren en filosofen kwamen adem tekort voor j’accuses die zoiets als ‘de globalisering’ tot mikpunt hadden.

Nu is er geen reden om eraan te twijfelen dat het gevaarlijk is in wilde dieren te handelen of vleermuis te eten. En evenmin dat de grootschalige exploitatie van de natuurlijke omgeving de hele mensheid rechtstreeks bedreigt. Het probleem met ahistorische moraliseringen is echter dat ze, bewust of onbewust, vertrekken vanuit een bijbelse dichotomie tussen ‘zondige’ mensen en ‘moeder Aarde’. Eindeloos zijn dezer dagen de animistische variaties op het thema ‘de natuur slaat terug’ (paus Franciscus sprak van de woede der natuur). Dat mensen zelf dieren zijn, en zo deel uitmaken van diezelfde natuur, wordt in al zulke evangelische en veganistische projecties vergeten. De planeet zal het antropoceen wel overleven, de mensheid mogelijk niet.

Misschien is het ook beter om van de ‘antroposfeer’ te spreken, zoals de onlangs overleden socioloog Johan Goudsblom voorstelde. Daarmee is niet tijd de centrale noemer, maar een menselijk ‘regime’: het was niet de mens die de biosfeer exploiteerde, het waren specifieke mensen in specifieke verhoudingen met bijbehorende houdingen die dat deden. Zo opgevat, als specifieke organisatievorm, laat de antroposfeer zich ook beschrijven als sociaal-historisch proces van groeiende vervlechting: van mensen en andere levende wezens, maar vooral ook van mensen onderling.

De mensheidsgeschiedenis beschrijft een reeks van niet-lineaire en blinde processen van uitbreiding en groei, die telkens werden gevolgd door desintegratie en verval. Toch zijn de kleine horden van oermensen gaandeweg uitgewaaierd in en opgeslokt door steeds grotere en complexere eenheden: clans en stammen, staten en statenbonden. Die grillige ontwikkeling is ook de geschiedenis van zowel de natuurbeheersing als de verbreiding van besmettelijke ziekten. De eerste hominiden stonden al bloot aan tal van parasieten en infecties, maar zij moeten nog kerngezond zijn geweest – het evenwicht tussen parasieten en gastheren en tussen parasieten onderling bleef intact. Jagers-verzamelaars stonden al voor grotere virologische uitdagingen door hun intensieve omgang met kudden en groot wild.

Iemand of desnoods iets moet voor Covid-19 opdraaien, als het maar ver weg is, in krachtig enkelvoud

Pas met de sedentaire samenleving veranderde het ecologisch evenwicht doordat mensengroepen sterk in omvang toenamen toen ze zich verzekerd wisten van twee condities: militaire organisatie en surplusproductie. Beide waren niet mogelijk zonder een grotere controle over en cultivering van de natuur: een duurzamere bewerking van het land, het telen van gewassen en een intensieve houderij van met name zoogdieren. Zo veranderde niet alleen de verspreiding, maar ook de vatbaarheid voor ziekten. Mensen pasten zich aan de natuurlijke omgeving aan met hun immuunsysteem en door kleding te dragen, maar parasieten deden omgekeerd iets vergelijkbaars: het zogeheten parasitisme.

De opkomst van de agrarische samenleving heeft de verhouding van de menselijke tot de niet-menselijke natuur onmiskenbaar veranderd, maar van grote afstand bezien was dat niet meer dan een faseverschil of een schaalonderscheid ten opzichte van kleinschaligere manieren van samenleven. Ook jagers-verzamelaars lieten al slachtend en platbrandend hun ecologische voetafdrukken achter; verschillende bronnen memoreren hoe buffels en hele olifantenkuddes systematisch de dood in zijn gedreven. McNeill wijst erop dat tenminste enkele keren in de prehistorie waardevolle diersoorten bijna zijn uitgestorven. Onlangs nog ontdekte een team van wetenschappers dat ook in het Amazonegebied rond Bolivia zo’n tienduizend jaar geleden al maïs en cassave werden gecultiveerd.

—————
Amsterdam, juni 2014

De mythe dat pre-agrarische mensen nog ‘in harmonie’ met de natuur zouden hebben geleefd is de vrucht van een fundamentele misvatting. In alle voorgaande samenlevingen waren mensen voor hun voortbestaan primair afhankelijk van materiaal dat ooit had geleefd, plantaardig of dierlijk. Al in hun dageraad probeerden protomensen greep te krijgen op hun omgeving – om te overleven. Daarbij vormde de natuur de langste tijd een reusachtige bedreiging. Pas toen mensen in staat waren die in enige mate te beheersen, nam de kennis erover toe en de angst ervoor af. ‘De natuur’ werd zo steeds meer als zelfstandig domein ervaren. Maar zoals Norbert Elias heeft benadrukt is zowel de exploitatie van de natuurlijke omgeving als de romantisering ervan het product van een toenemende menselijke beschaving.

De eerste mensen waren pas in staat om de hun omringende natuur te beheersen toen zij leerden hun eigen natuur te beheersen, het inzicht dat Johan Goudsblom uitwerkte in zijn studie Vuur en beschaving. Dit is de geschiedenis van de controle over het vuur, maar dus ook van de beschaving; alleen door de regulering van hun gedrag en emoties waren mensen tot samenwerking in staat, waarmee ze zich emancipeerden van de niet-menselijke natuur. Zo creëerden ze onbedoeld de voorwaarden voor menselijke uitbreiding en ontwikkeling, en daarmee een steeds grotere nabijheid tussen mensen onderling.

Mensengroepen werden weerbaarder en productiever, maar tegelijk ook kwetsbaarder: wanneer het vuur zou doven, konden ze wilde dieren en rivaliserende groepen niet langer van zich afhouden. De afhankelijkheid van de vuurbeheersing en bijbehorende sociale en psychische controles nam dus sterk toe. In zekere zin lagen hier al de fundamenten voor de antroposfeer: uit eigen beweging zouden de eerste mensen hun nieuw verworven technieken en gedragsstijlen niet snel opgeven. Daarvoor waren ze al te zeer aangewezen op tal van nieuwe toepassingen die de vuurbeheersing bood, zoals alternatieve manieren van jagen, voedselbereiding, de bescherming tegen extreme kou en het smeden van wapens en gereedschappen.

Wat brandende toortsen echter niet konden voorkomen, was de overdracht van zoönotische ziekten. Met de sociaal-geneeskundige Thomas McKeown zou kunnen worden betoogd dat besmettelijke ziekten zich ongeveer hebben verbreid zoals talen dat deden: in uitwisselingen en vervlechtingen tussen vroege mensengroepen. Al tijdens hun trektochten over graasgebieden hebben jagers-verzamelaars blootgestaan aan zoönosen: schistosomiasis werd overgebracht door slakken, de vlektyfus door vlooien en luizen, de slaapziekte door tseetseevliegen. Deze laatste ziekte moet veel jagersvolken noodlottig zijn geworden toen ze hun tanden zetten in het vlees van antilopen, die trypanosomen als parasieten met zich meedroegen.

De afstand tot dieren werd met de opkomst van de menselijke beschaving dus ook steeds kleiner. Zo werden complexere samenlevingen steeds iets kwetsbaarder voor microscopisch onheil. Zonder het contact met ontelbare anderen zouden ziekten zoals de mazelen, pokken, kinkhoest, polio en bepaalde luchtwegaandoeningen zelfs helemaal niet hebben bestaan. McKeown noemt ze ‘menselijke ziekten’, omdat ze niet afhankelijk zijn van dierlijke gastheren. Maar alle besmettelijkheden bij elkaar, zoönotisch of niet, kunnen met McNeill worden begrepen als ‘beschavingsziekten’: juist het ontstaan van steeds omvangrijkere mensengroepen vormde de ideale kweek voor bacteriële infecties en virusinfecties.

Alleen wanneer mensen een radicaal andere plaats in de voedselketen innemen, dat wil zeggen eruit stappen, schrijft McNeill aan het einde van zijn boek, hebben zij de mogelijkheid om hun vatbaarheid voor microparasieten te beïnvloeden. Ondertussen moet dan ook de uitputting van hulpbronnen een halt worden toegeroepen én de bevolkingsgroei tegengegaan worden. Hoe cruciaal ook, de valse tegenstelling tussen mens en natuur blijft hiermee intact. Het biedt nog altijd ruimte voor het moderne gebed om de natuur ‘weer haar gang te laten gaan’. Maar behalve dat de natuur al geruime tijd deel uitmaakt van de antroposfeer is zo’n ‘vrijlating’ onder de huidige klimatologische omstandigheden niet raadzaam.

De beschavingsgeschiedenis leert dat mensen pas de controle over natuurlijke processen verkrijgen wanneer zij de controle over elkaar en zichzelf vinden – alleen met grootschalige coördinatie kunnen grootschalige rampen bestreden worden.

—————

Hoe virulent het coronavirus ook is, het zijn mensen die het de wereld insturen. Het zijn omvattende mensenrelaties die een enkele aansteking omsmeden tot epidemieën en pandemieën. Daarmee zijn de genetische eigenschappen van virionen, de virusdeeltjes, net zo belangrijk als de sociale en psychische eigenschappen van mensen. Hun gedrag en mentaliteit, de manier waarop ze met elkaar en zichzelf omgaan evenals de veranderingen daarin, zijn van grote invloed op zowel de verbreiding als de bestrijding van infecties.

Een toenemende nabijheid gaat gepaard met nieuwe begrenzingen om oude identiteiten te beschermen

Het is misschien op tal van gronden laakbaar om in wilde dieren te handelen, laat staan ze te eten, maar die praktijken bestaan al lang en golden als tradities die door cultuurrelativisten en romantisch-etnografen in hun lokale context werden begrepen. Door de snelle uitbreiding van verbindingen hebben wet markets echter een ‘glokale’ betekenis gekregen, met een onbedoelde doorkruising van een lokale en globale realiteit. Net als alle andere plagen die over de aarde razen doen virussen niet aan nationale grenzen: terwijl politici hun pleisters van renationalisatie plakken, schreeuwt de mensheid mondeloos om mondiale actie.

In de afgelopen eeuwen zijn geografische en temporele grenzen alsmaar poreuzer en relatiever geworden, een proces van mondialisering dat zelf weer aanzienlijk oudere wortels heeft. Transnationale bindingen hebben een ‘compressie van ruimte en tijd’ op gang gebracht die bijna overal ter wereld bestaande structuren en levensstijlen hebben getransformeerd. Bovenal zijn mensen zelf veranderd: de manier waarop ze met elkaar en zichzelf omgaan en hoe ze zichzelf zien, als deel van een eeuwig en star universum of juist los ingeweven in veranderlijke patronen. Hoe groter en gevarieerder de wereld, om het met de Amerikaanse socioloog David Riesman te zeggen, hoe meer mensen zich op anderen moeten oriënteren – ze zijn ‘other-directed’. Het is simpelweg niet meer mogelijk om anderen op afstand te houden. Nabijheid is niet alleen een naakt feit, maar is als houding ook diep verankerd in de persoonlijkheid.

Waar zij in vroeger eeuwen waren ingesnoerd in de gemeenschap van familie en dorp, daar beschikken moderne mensen over een fijnzinnige ‘sociale radar’: een persoonlijkheidsstructuur of mentaliteit die correspondeert met een veranderlijke maatschappelijke structuur. Vrijwel niemand maakt nog deel uit van slechts één groep; het aantal sociale kringen waarin een individu zich beweegt neemt gestaag toe. De transportmiddelen maar ook het internet hebben aan die beweging een grote versnelling gegeven. Wat voorheen nog achter gesloten deuren bleef, ook de slaapkamerdeuren van beroemdheden, dringt nu tot elke huiskamer door.

Bijna alles wat ooit ver en vreemd was, is dichterbij gekomen. Nog maar een ruime eeuw geleden werden ‘inboorlingen’ tijdens wereldtentoonstellingen tentoongesteld alsof het dieren waren. Rond dezelfde tijd, zo merken vader en zoon McNeill in hun studie The Human Web op, had een Ier nog nooit een niet-Ierse niet-katholiek ontmoet en had een Chinees zich nog nooit een voorstelling gemaakt van niet-Chinese culturen. Nu is dat alles ondenkbaar: het is even pijnlijk als absurd, een aanwijzing dat de wederzijdse identificaties enigermate zijn toegenomen.

Zelfs binnen een klein land als Nederland hadden de streken en provincies eind negentiende eeuw nog nauwelijks een beeld van elkaar. Door de vele taalbarrières en sterk afwijkende streektalen verliep het verkeer tussen de gewesten moeizaam. Het besef te behoren tot één land bestond nog amper, zo hebben de geografen Hans Knippenberg en Ben de Pater op indringende wijze getoond. Mensen uit Zeeland, Friesland of Gelderland, en meer nog uit het ‘buitenland’ van de Generaliteitslanden Brabant en Limburg, konden geen hoge ambten bekleden. En toen moest de sociale apartheid genaamd verzuiling nog komen.

Zo is het bijna overal gegaan: mensen integreerden op steeds grotere schaal, en zonder het te willen (en vaak ook zonder het te weten) raakten zij steeds afhankelijker van elkaar. Maar zoals Riesman benadrukt zijn open en flexibele bindingen inherent kwetsbaar. Waar in traditionele samenlevingen schaamte en schuld domineerden, daar huist in moderne betrekkingen angst. Een toenemende nabijheid gaat dan ook gepaard met nieuwe afstanden en begrenzingen om oude identiteiten en loyaliteiten te beschermen. Van die dynamiek is de huidige wereldsamenleving een sinistere illustratie. Alle noties van dichtbij en veraf staan nu weer ter discussie: niet omdat mensen zo verschillen, maar juist omdat ze alsmaar dichter bij elkaar zijn gekomen. Het is de grootste en gevaarlijkste bron van conflicten.

In westerse samenlevingen is dat te zien aan de omgang met nieuwkomers. Die zou nog kunnen herinneren aan de afstandelijke en vernederende bejegening van arbeiders en verschoppelingen eind negentiende, begin twintigste eeuw. Afstand, in sociaal-psychische en hygiënische zin, moest welgestelde burgers beschermen tegen het ‘sociaal besmettingsgevaar’ dat uitging van lagere klassen met hun ‘inferieure’ levensstijlen. Pas met de verzorgingsstaat kwam aan zulke contrasten stilaan een einde, en nu behoort tachtig procent van de Nederlanders tot een brede middenklasse. Hun relatieve eensgezindheid vormt de inzet van conflicten over de vraag wie hier ‘het eerst’ was; maar in de kern gaan die over streng bewaakte noties van afstand en nabijheid. Het beheer over het eigen lichaam, de mate van bedekking of blootheid, het taboe op en de schaamte over openbare intimiteit, de suggestie van ‘lagere emoties’ en hun besmettelijkheid, zeker bij gehuwde vrouwen: dat zijn geen religieuze afstandsmaten, het zijn codes van zedigheid en zedelijkheid die juist door de toegenomen nabijheid tot spanningen en conflicten leiden.

De huidige pandemie zou de dynamiek van in- en uitsluiting kunnen intensiveren in een golf van renationalisatie en wraak; nu de menselijke nabijheid letterlijk gevaarlijk is geworden, kunnen medische nood en ideologische waan gemakkelijk versmelten. Maar wellicht kan bij de ontkroning van het nu woekerende virus de internationale samenwerking en bijbehorende mentaliteit ook gedeeltelijk worden gerepareerd, beschadigd als zij zijn door polarisering en isolationisme. Linksom of rechtsom, de hele wereld is nu getuige van een abrupte onderbreking in een langdurig proces van toenemende nabijheid op vele fronten. Social distancing, zoals het onhandig heet, is het rotsblok op de rails van zich uitbreidende relaties op de grootst denkbare (mondiale) schaal, maar tegelijk ook kleinst denkbare (mentale) schaal.

—————

Beschaving betekende lange tijd een strikte afstand tussen mensen onderling en van henzelf tot hun eigen gevoelens en impulsen. Al zulke geboden en verboden van mijding en distantie zijn voor de meeste mensen nu ver weg en vreemd, hoe dominant ze ook geweest zijn. Bijna iedereen lijkt vergeten hoe vrouwen lange tijd als handelingsonbekwaam golden, hoe kinderen tegen de twee belangrijkste mensen in hun leven ‘u’ zeiden terwijl hun wil op autoritaire wijze ‘werd gebroken’ – alsof de huidige nabijheid er altijd is geweest.

De socioloog Cas Wouters heeft belangwekkend onderzoek verricht naar de groeiende intimisering en informalisering in de afgelopen decennia, met name in relaties tussen de seksen en de generaties. Zulke veranderingen doen beseffen dat de huidige afstandspandemie niet minder dan een intermenselijk drama is; in de eerste plaats voor alleenstaanden, armen, psychiatrisch patiënten, kinderen in onveilige gezinnen, hoogbejaarden in verpleeghuizen. Haast iedereen bevond zich in een schilderij van Edward Hopper, merkte The Guardian onlangs op.

Mensen zijn er niet voor gemaakt om solitair te leven; ze hangen van onnoemelijk veel anderen af voor hun levensonderhoud, zin en lijfsbehoud. Om het met Norbert Elias te zeggen: ze zijn homini aperti, die zich voortdurend oriënteren op anderen. Maar de maatregelen ter bestrijding van de coronapandemie veronderstelden een homo clausus: ‘intelligent’ opgehokt in huizen (en soms huwelijken), op afstand van dierbaren en talloze anderen. Veel verhoudingen zijn digitaal in de lucht gehouden, maar voor echte intimiteit bestaat geen bevredigend alternatief. Het terugdringen van de besmettingsgraad berust dan ook op een diabolische logica: om kwetsbaren te beschermen, moeten ze worden gemeden als de pest. Een virologisch generatieconflict staat reëel contact in de weg, om van andere vormen van toenadering nog te zwijgen.

Hoezeer moderne verhoudingen en bijbehorende houdingen zijn gestoeld op nabijheid kan vooral blijken uit de pijnlijkste verwijdering die in korte tijd heeft plaatsgegrepen: die tussen de gezonden en de stervenden. Terwijl publieke en politieke aandacht zich veelal richtte op de kwantitatieve aspecten van de crisis, uitgedrukt in obsessieve puntgrafieken, omineuze curves en de utilitaire prijs van een mensenleven (tachtigduizend euro), werden de kwalitatieve aspecten van ziek zijn en sterven schroomvallig veronachtzaamd. Ze verdwenen weer ouderwets achter de maatschappelijke coulissen.

Opeens was een wat verouderde titel van Elias weer hoogst actueel: De eenzaamheid van de stervenden in onze tijd. Naarmate de bestaanszekerheid en de levensverwachting toenamen, medische zorg zich ontwikkelde en ook seksuele taboes sneuvelden, aldus Elias, werden de dood en het sterven steeds meer verdrongen. Onbedoeld werd zo de afstand tussen levenden en stervenden weer groter; de stervenden ontvingen minder de steun en genegenheid die ze in hun laatste fase zo nodig hebben.

Hoeveel ‘waardiger’ de stervensbegeleiding en mogelijkheden voor euthanasie de afgelopen decennia ook zijn geworden, en hoe ver weg de oude protocollen van afstand en flinkheid, de afgelopen maanden was het een beroerde tijd om dood te gaan. Duizenden coronapatiënten lagen op intensive cares als late melaatsen, verstoken van intimiteit en troost. Alleen een zuurstofslang verbond hen nog met de levenden, terwijl verpleegkundigen er als bebrilde ruimtewezens langs ritselden. Het tart alle moderne beschavingsnormen, gebaseerd op nabijheid.