Opheffer

De eerste, de beste, de knapste

In mijn jeugd was competitie een woord met een «foute» betekenis. Je deed niet mee aan de competitiedrift die er heerste. Mijn ouders voedden mij op met die competitiedrift; ze spiegelden zich aan Amerika. Je moest altijd proberen harder te werken dan de ander, beter te zijn, meer te doen et cetera. Het leven was een race en je moest in de top eindigen. De enige redding voor Nederlanders met een kleurtje, overigens.

Wij, kinderen, vonden dat belachelijk en verzetten ons daartegen.

Kijk je nu om je heen dan is alles competitie. Bijna elk televisieprogramma wordt bedacht rond het begrip competitie. Het is ook vanzelfsprekend: iets scoort als het een wedstrijd is. Geen voorbeeld meer van stijldansen, nee, wie is de beste stijldanser; een competitie tussen kunde en roem. Geen gewone zanger of zangeres meer, nee, we kijken wie de beste is; zie Idols. Wie is de beste bejaarde, wie overleeft het beste, wie weet de ander uit te schakelen, wie is het sympathiekst? Wie is de leukste boer, de knapste presentator?

Ik laat studenten journalistiek wel eens vraaggesprekken van de televisie analyseren en laat ze dan tellen hoe vaak de kampioensvraag komt: wie vind je de beste trainer, welke drie schrijvers hebben je het meest beïnvloed, geef eens een top drie aan van de beste wetenschappers.

Het is veelzeggend dat literaire prijzen worden bekendgemaakt bij RTL Boulevard. Het is veelzeggend omdat het in wezen een idiote competitie is: wie heeft dit jaar het beste boek geschreven volgens een jury die veel commerciële invloed heeft, maar verder niks. Worden er literaire criteria aangelegd, zo ja welke en waarom? Het is allemaal diffuus, het zijn spelregels die ter plekke worden verzonnen, en daarom is het uitstekend geschikt voor Boulevard, een programma dat het bij uitstek moet hebben van de beroemdste, de mooiste, de leukste en de smerigste. De heersende mode is altijd de overtreffende trap. Wie geen kam pioen is, is derhalve een verliezer, een loser – het Engelse woord schijnt schrijnender aan te geven wat voor een enorme mislukkeling je bent. «Loser!»

De vraag wat kwaliteit precies is, doet absoluut niet meer ter zake, want we weten blijkbaar wat kwaliteit is: de beste, de eerste, degene die het meest verkoopt.

De beste namens wie? De eerste volgens wie? Waarom is degene die het meest verkoopt de beste? Deze relativeringen worden altijd aangedragen door degene die geen kampioen is, en we hebben daar dan altijd enig mede lijden mee. Maar hebben ze ongelijk?

Onlangs gaf ik college over Karel en Gerard van het Reve. Ik probeerde uit te leggen waarom deze schrijvers goed zijn. Ter voorbereiding had de groep een boek van beide schrijvers moeten lezen. Vervolgens gingen we erover praten. De studenten hadden veel bezwaren. Karel schreef over onderwerpen die niet meer ter zake deden zoals het communis me – waarom moeten we hem dan lezen? En Gerard, wat was daar in hemelsnaam goed aan? Hij schreef veel te lange zinnen. En dat rare homogedoe…

Ik las een passage voor waarvan ik dacht dat hij wel scoorde en die onder kenners bekend staat als «de brandende poppenwagen…». Niemand kon het waarderen. «Beetje kinderachtig», was de reactie.

Toen haalde ik een streek uit en las een column voor van Karel uit het boek Luisteraars en zei dat die van Arnon Grunberg was. Meteen sloeg de stemming in de zaal om. Dit was pas goed! En toen ik onthulde dat het Karel van het Reve was die dit had geschreven, vond men mij flauw, waar ze natuurlijk gelijk in hadden. Maar ik had wederom iets aangetoond wat ik allang weet. De beste, de populairste, het heeft allemaal te maken met de tijd waarin je leeft, met de heersende modes.

Over dertig jaar zal men Reve weer schitterend vinden, misschien pas over honderd jaar. Mijn vader adoreerde Multatuli. Ik ook. Maar wie leest hem nog? Multatuli zelf – hij heeft maar zo’n vijftien jaar actief geschreven – heeft meegemaakt dat men hem niet meer las. Vanuit zijn hotel in Wiesbaden schreef hij de klassieke zin: «Ik doe mij geweld aan om de smart te verslikken die ’n gevolg is van mijn voortdurende miskenning.» Hoeveel mensen slaan zijn Ideën nog wel eens op? Honderd? Ik denk dat ik ze alle honderd ken. W.F. Hermans sloeg Multatuli op. En wij bewonderden Hermans. Maar wordt hij nog bewonderd? Door hoeveel mensen? Duizend? Ook Hermans is voorbij. Hopelijk tijdelijk.

Elk jaar vraag ik studenten een lijstje te maken van hun favoriete schrijvers. Een top tien van de besten, zogezegd. Als ze al tot tien komen, zijn gemiddeld acht daarvan levende schrijvers. En de laatste jaren sta ik iedere keer weer versteld als ik zie dat Carry Slee op die lijst staat. En Paul van Loon. Die studenten zijn achttien, negentien jaar oud.

Wie streeft naar kwaliteit, streeft naar iets wat alleen maar bestaat in een per definitie kleine kring. En degenen die de competitie waarderen, hebben voor een deel gelijk; het enige wat toetsbaar is, is op een bepaald moment de kwantiteit, of de plek in de hiërarchie. De meeste en dus de eerste.

In interviews beweer ik vaak dat ik «mislukt» ben en me mislukt voel, en dat ik dat beweer omdat het me oplucht. Dat is geen koketterie, ik meen het. Alleen weinigen begrijpen dat mislukking ook een drijfveer kan zijn. En die drijfveer zorgt ervoor dat het je niets kan schelen of je de eerste bent of dat je het meeste omzet.

Ik heb de roeping om mislukt te zijn en het gaat om het volgen van die roeping. Die waar te maken tekent de kwaliteit.