Verdun leeft van de herinnering

De eerste doodsfabriek

In de Eerste Wereldoorlog, de eerste totale oorlog van de twintigste eeuw, ging de strijd niet tussen soldaten, maar tussen mens en machine, mens en bureaucratie. Eer, roem en moed waren geen begrippen meer voor hen die anoniem stierven. En wie overleefde was voorgoed gebroken. Het stadje Ieper leeft van de herinnering aan die honderdduizenden doden van ’14-’18.

VERDUN — Ingenieur Paul Chévrier gaat ons voor door een tochtige gang van de Onderaardse Citadel, verlicht door gelige plafondlampen. Op het kruispunt van twee gangen staat een elektrisch aangedreven wagentje met daarop twee bankjes, achter elkaar gemonteerd. In een zijgang staan nog tientallen wagentjes klaar. Op drukke dagen rijden ze af en aan. Hele schoolklassen worden hier binnen een half uur afgewerkt. De Citadel ontvangt jaarlijks 130.000 bezoekers.

Mijn vriend en ik gaan op het voorste bankje zitten. ‘De rondrit duurt 25 minuten, dan stopt het wagentje vanzelf’, zegt Chévrier: ‘Het laatste stukje moet u lopen, kwestie van de lampen en bordjes volgen.’ Hij loopt naar een knoppenbord, drukt op ‘Néerlandais’ en ‘Start’ en wenst ons een aangename rit. Na enkele ogenblikken begint het wagentje te rijden langs een magneetstrip op de vloer. Het draait piepend en schommelend een donkere gang in. Opeens klinkt een Nederlandse stem met zwaar Limburgs accent uit het surround system. ‘De angst zit aan ons vastgekleefd als een bloedzuiger’, lispelt de stem. ‘Maar we moeten overleven. Hoe houdt een mens het uit! De geur van ontbinding, de verbrande aarde, de stank van het gas.’

Het is een Nederlandse vertaling van een Frans oorlogsdagboek. Ik ken de tekst niet en wil hem opnemen. In het aardedonker graai ik de cassetterecorder uit mijn tas, peuter een cassette uit zijn doosje, duw hem in de slee, spoel terug naar het begin, spoel tien seconden vooruit en druk op ‘Opnemen’ en ‘Low Sense’ voor de minste ruis. ‘Dertig seconden’, zegt mijn vriend goedkeurend, ‘en dat met blinddoek. Jij overleeft hier wel.’ Het was te verwachten. De meligheid heeft al toegeslagen nog voordat het wagentje stopt voor het eerste hologram van onze geautomatiseerde rondleiding.

Wat we te zien krijgen is een hightech-versie van het aloude licht- en geluidspektakel (spectacle son et lumière) waar de Fransen zo op gesteld zijn. Om de paar minuten stopt het wagentje en krijg je een tableau vivant te zien, meestal een bewegend hologram. In de opeenvolgende tableaus worden de oorlogservaringen verteld van een zekere kapitein Duverrois. Tussendoor, terwijl je door de duistere gangen rijdt, vertelt de surround-stem over de omstandigheden tijdens het beleg van 1916. Duverrois was een van de tienduizenden Fransen aan wie de Onderaardse Citadel onderdak bood. In deze schuilplaats, versterkt door de tientallen meters dikke wallen van de oude Vaubanvesting, waren ze veilig voor de Duitse granaten, maar niet voor schurft en dysenterie, voor sadistische officieren, honger, luizen, angst en krankzinnigheid. En niet voor de marsorder naar de loopgraaf die hen, na een ondergrondse wachttijd van maanden, soms binnen enkele seconden de dood in dreef.


DE HOUTERIGE bewegingen van de hologramfiguren maken de toneelstukjes absurd en daardoor eigenlijk toegankelijk. Je hoort de authentieke tekst er als het ware doorheen. Mijn ergste verwachtingen omtrent kitsch en disneyficatie worden bevestigd en toch is dit misschien de juiste manier om het drama van Verdun tot je te laten doordringen. Bij kleine beetjes, in poppenkastvorm. In een van de scènes kondigt de commandant aan dat generaal Pétain de vesting komt inspecteren. Dus moeten de latrines gereinigd, de voedselvoorraden aangevuld, de gewonden opgelapt en de knopen glimmend gepoetst. Duverrois komt in opstand: ‘Met permissie, kolonel, maar we moeten het opperbevel laten zien wat hier werkelijk aan de hand is. Moeten we de lijken soms ook nog oppoetsen zodat ze toonbaar zijn? Is dat volgens u Verdun? De plaats waar mannen janken en sterven als de ratten?’

Ten slotte rijdt het wagentje in de richting van een felle lamp die recht in ons gezicht schijnt. Het licht stelt het ‘einde van de tunnel’ voor, het moment waarop de soldaten de Citadel verruilden voor het front. Een computeranimatie neemt ons mee naar de loopgraaf waar we als het ware zelf doorheen lopen. We zijn opeens Duverrois. Links en rechts slaan granaten in, gewonden kermen, de herrie is oorverdovend. ‘Geef acht!’ brult een sergeant. Soldaten met doorgroefde gelaten hijsen zich overeind uit de modder, stellen zich op in het gelid. ‘Bonjour, mon capitaine!’ Het sein voor de aanval klinkt. Het beeld toont een glibberige helling met daarachter rollen prikkeldraad. De camera lijkt er tegenaan te botsen en machteloos terug te glijden. Dan wordt het beeld grijs, de film staat stil, het geluid valt weg. Alleen het suizen van de onderaardse wind om ons heen is hoorbaar. We zijn zojuist gesneuveld.

Na afloop vraag ik Chévrier hoeveel mensen diezelfde ervaring hebben: dwars door alle kitsch heen even, in een ogenblik, de rauwe werkelijkheid te zien. ‘Dat hebben de meeste bezoekers, ook die kinderen’, zegt hij, wijzend naar een groep scholieren die zich schreeuwend en giechelend naar de wagentjes begeeft. ‘Aan het eind van de rit is iedereen even stil. Het spreekt mensen uit alle werelddelen aan, Fransen, Britten, Nederlanders, Italianen, Amerikanen, Japanners. Ook Duitsers, al komen die hier niet veel. Als ze Verdun al bezoeken, dan komen ze in hun eentje of met een paar tegelijk, nooit in grote groepen.’ Hij lacht: ‘Dat hebben ze 55 jaar geleden wel afgeleerd.’


VERDUN LEEFT VAN het oorlogstoerisme. We eten een pizza op een bankje op de linker Maasoever waar juist een grondige verbouwing plaatsvindt met het oog op het naderende zomerseizoen. Op de plaats van de oude kademuur verrijst nu een soort plaza van grijze plavuizen met aflopende trappen naar het water, uitkomend op een vlonder in de Maas waarop in de toekomst natuurlijk voorstellingen en toespraken zullen worden gehouden. Aan aluminium palen hangen de vlaggen van de EU-lidstaten, ertussenin staat pontificaal een knalrode Britse telefooncel. Hij is nog niet aangesloten. Toch voel ik geen walging. Deze verbouwing is moord, maar wat is hier nog authentiek? De hele stad is na de oorlog opnieuw opgebouwd. En hoe wil je een nagedachtenis in ere houden zonder die te blijven vernieuwen?

Steeds meer mensen doen dat, op talloze manieren. Jonge Fransen, Britten, Australiërs en Amerikanen trekken in steeds groteren getale naar de slagvelden van het westelijke front, op zoek naar indrukken, souvenirs, verhalen. Ook in Nederland, dat buiten de oorlog bleef, neemt de belangstelling sinds vijf jaar hand over hand toe. Maar hoezeer ik deskundigen, reisleiders en historici ook uitvraag, niemand kan er een overheersend motief voor aangeven. Misschien bestond die belangstelling al veel langer — de eerste slagveldtoeristen trokken al in 1919 naar Verdun en de Somme — en wordt hij zichtbaar nu de laatste veteranen zijn uitgestorven en de eerbied langzaam plaatsmaakt voor nieuwsgierigheid.

Voor mijn vriend en mij is een bezoek aan het westelijk front een typisch vader-zoonplan dat onvervuld is gebleven. Mijn vader wilde me ‘altijd nog eens’ meenemen naar Verdun, maar het kwam er niet van. Waarom wilde hij dat? En waarom kwam het er niet van? Twee vragen, één antwoord: Verdun is de aars van de twintigste eeuw. Je hoeft er niet in te kijken, je moet weten dat hij bestaat. ‘Verdun’ was de oorlog in de Grote Oorlog, de grootste uitputtingsslag uit de geschiedenis. Het gevecht om de stad, begonnen op 21 februari 1916, duurde negen maanden en kostte meer dan een half miljoen mensenlevens.

Verdun was de spil van de Franse verdedigingslinie, en het Duitse opperbevel wilde het Franse leger hier laten leegbloeden. Dat lukte, maar ook de Duitse aanvalsmacht bloedde leeg. Henri Barbusse schreef later dat twee legers hier als één leger zelfmoord pleegden. In het knekelhuis van Douaumont, een versterking nabij Verdun, liggen de stoffelijke resten van honderdduizend onbekende Franse en Duitse soldaten door elkaar. Bij de enige Franse aanvoerroute naar de stad die min of meer veilig was voor het Duitse geschut stond destijds een bordje met de woorden Chemin de l’abattoir. ‘Een hele divisie begon als schapen te blaten toen zij het bevel tot optrekken ontving’, schrijft Leo van Bergen in Zacht en eervol (1999), bij mijn weten het beste Nederlandse boek over deze oorlog.

’s Avonds aan tafel vertellen mijn reisgenoot en ik elkaar anekdotes om onze indrukken te ordenen. Maar bevattelijkheid is niet hetzelfde als begrip. We spinnen onze gebrekkige kennis uit tot steeds nieuwe verklaringen en eindigen steevast met nieuwe vragen. Als dessert nemen we niet de bombe noir, een staaltje zwarte humor waar de plaatselijke horeca om bekendstaat. We nemen ieder een boek en gaan naar bed.


DE SOMME — Warlencourt is een typische Britse begraafplaats. De zerken, grasvelden en plantsoenen zijn goed onderhouden, in tegenstelling tot veel Franse militaire begraafplaatsen. De verklaring daarvoor is eenvoudig: Britse oorlogsdoden mochten van de overheid niet worden gerepatrieerd; ze moesten ter plekke worden begraven, met als gevolg dat rijke families het onderhoud op zich namen. Op de Franse kerkhoven bleven alleen de sloebers achter, de boerenknechts, arbeiders en vissers en natuurlijk de koloniale soldaten, meest Afrikanen.

Wat hen allemaal verenigt, in de dood, is hun onmacht. Hun onmacht om zich te verweren tegen de onmenselijke, verwoestende uitvindingen die op hen werden losgelaten. Hun onmacht om te begrijpen wat hier gebeurde, wat er met hen gebeurde. Voor alle betrokkenen, tot en met de hoogste leiders, was deze oorlog eigenlijk een val, schrijft de Britse ethicus Jonathan Glover. Een entrapment die door bijna niemand was gewild en waaruit niemand een uitweg wist: ‘Zulke vallen begrijpen is veel belangrijker dan nadenken over manieren om agressie te beheersen’ (Humanity, 1999).

Begrip, dat is ook wat de nabestaanden hier zoeken. Ik ontdek gaandeweg dat ze met elkaar communiceren via de gastenboeken. In het gastenboek van Warlencourt zit een dichtbeschreven ansicht die een Australische bezoeker enkele maanden geleden heeft achtergelaten. Hij vertelt het verhaal van zijn overgrootvader die hier heeft gevochten. Zijn bijnaam was Longboat en hij had een maat genaamd Soapy. Op een dag moesten ze onvermijdelijk over the top. Soapy was op slag dood, Longboat overleefde de hele verdomde oorlog maar kon er thuis niet over praten. De ansicht leest als een smeekbede: wie was Soapy, wie maakt het verhaal voor me af?

Terwijl mijn vriend verder leest, loop ik tussen de rijen witte, eenvormige grafstenen. ‘Known unto God’, ‘Known unto God’, ‘Known unto God’… Eenmaal terug in de auto wrijft mijn vriend een vuiltje uit zijn oog. We zwijgen zoals alleen mannen kunnen zwijgen. Europa is sinds 1918 niet verstandiger geworden, schreef de toneelschrijver en veteraan Carl Zuckmayer, maar de schok zit er nog diep in: ‘Zelfs de later geborenen die de catastrofejaren niet hebben doorgemaakt, dragen een soort herinnering in zich, een trauma van vóór de geboorte dat ze eerder tot scepsis en rationalisme maant dan tot naïeve geestdrift. Hun onderbewuste is gepolitiseerd.’


DESTIJDS WAS het Somme-landschap één onafzienbare moddertrechter. Het is er nog altijd troosteloos: lome heuvels, hier en daar onderbroken door een bijna bladerloos bos met een vlucht kauwen erboven. Hun gekras verwaait in de gure westenwind. In de verre omtrek vinden je ogen geen rust, of het moet zijn in de regenflarden die onverstoorbaar voorbijtrekken. Hier begon op 1 juli 1916 het domste en bloedigste offensief van de hele oorlog. Van de 60.000 Britse soldaten die de aanval inzetten, was de helft binnen een dag dood of gewond. De geplande tankaanval (de eerste uit de oorlog) mislukte omdat de trage tanks de infanterie niet bijhielden.

Aan Britse zijde vochten tienduizenden soldaten uit de Dominions mee: Australiërs, Canadezen en Zuid-Afrikanen. Het hart van het oude slagveld — ‘ghastly by day, ghostly by night, the rottenest place on the Somme’ — is het Bos van Delville, door de Britten destijds verbasterd tot Devil’s Wood. Hier sneuvelde binnen zes dagen bijna de gehele South-African Brigade van drieduizend man. In een houten barak is een kleine tentoonstelling gewijd aan de betrokken soldaten en legeronderdelen. Foto’s van Zuid-Afrikaanse Schotten die poseren met Nancy, het springbokje dat diende als regimentsmascotte. Sinds 1994 wordt ook aandacht besteed aan het 21.000 man sterke South African Native Labour Contingent dat — onder blank bevel — achter en in de loopgraven zijn mannetje stond.

Het eigenlijke Delville Wood Memorial, gebouwd in de vorm van een vijfhoekige miniatuurvesting en in 1926 geopend door de weduwe van generaal Louis Botha, ligt midden in het bos. Voor het (politieke) gemak herdenkt men hier alle buitenslands gesneuvelde Zuid-Afrikanen, blank en zwart, uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog alsmede de Korea-oorlog. ‘Impressive’, schrijf ik in het gastenboek. Daar kun je alle kanten mee op en dat gun ik alle nabestaanden. Maar het gaat ons hier om dat bos, dat sinds 1918 onaangeroerd is gebleven.

De knoestige beuken wortelen in een wirwar van dichtgeslibde kuilen en overgroeide greppels waarin de ligging van de oude loopgraven duidelijk te herkennen is. Sinds 15 juli 1916, toen de Zuid-Afrikanen het bos op de Duitsers veroverden, sloegen hier dag en nacht de granaten in, schreef sergeant Norman Carmichael, die het overleefde: ‘Door de ontploffingen werden de doden in de lucht geslingerd. Het was fascinerend te zien hoe ze boven de boomstronken uit vlogen, ronddraaiend als in een langzame film, en weer neerkwamen. Het was bizar op een warme zomerdag daarnaar te liggen kijken, naar lijken die op en neer gaan.’

Toen kwam de regen, en na de regen kwam de modder, en tegelijk met de modder de verstikkende walm die dag en nacht boven het slagveld bleef hangen, zodat de zon er zelfs op haar hoogste punt niet meer doorheen drong. Zes dagen en nachten later, toen Carmichaels brigade werd afgelost, kwamen slechts twee officieren en 140 man het bos uitgestrompeld. Zwijgend volgen mijn metgezel en ik Rotten Row, een loopgraaf die destijds pal in de vuurlijn van het Duitse geschut moet hebben gelegen. De kauwen, nazaten van de lijkenpikkers van toen, volgen ons op de voet.


DE EERSTE Wereldoorlog was de eerste totale oorlog van de twintigste eeuw. De smalle strook land van Verdun tot Ieper was een maalstroom die mensenlevens, waarden, politieke idealen en maatschappelijke rijkdom verslond en weer uitspuwde, al naar gelang de krijgskansen stegen of daalden. In wezen botsten de twee modernste industrienaties, Duitsland en Groot-Brittannië, op elkaar op het grondgebied van de dichtstbevolkte natie, Frankrijk. Uiteindelijk gaf de deelname van een derde industrienatie, de Verenigde Staten, de doorslag. Deze onpersoonlijke reconstructie is zeker niet gewaagd. Geschiedschrijvers leggen steeds minder nadruk op het genie van de commandanten, de voorbereiding en timing van de altijd weer ‘beslissende’ voorjaars- en najaarsoffensieven, de diplomatieke manoeuvres en de rol van nieuwe wapens.

De strijd ging welbeschouwd niet tussen soldaten, maar tussen mens en machine, mens en bureaucratie. De Eerste Wereldoorlog was de eerste doodsfabriek van de twintigste eeuw. Eer, roem en moed waren geen begrippen meer. Afgezien van de vliegeniers, die zich vanwege hun kleine aantal een eigen palmares en zelfs een zekere erecode konden veroorloven, stierf men in ’14-’18 anoniem. Veel soldaten kregen de vijand niet te zien. Ze stierven door ziekte, een onverhoeds mitrailleursalvo, een verdwaalde granaat, friendly poison of verdrinking in een moddertrechter. Zij die overleefden waren vaak voorgoed gebroken, van binnen weggerot door le cafard, zoals de Fransen het noemden: de diepe, panische depressiviteit die iedere frontsoldaat overviel. Zo beschreef luitenant Gaudy de terugkeer van zijn regiment uit Douaumont in 1916: ‘Ze marcheerden, of liever: ze bewogen zich voort met kleine stapjes, zigzaggend alsof ze gedrogeerd waren. De kleur van hun gezicht was nauwelijks te onderscheiden van die van hun uniform. Overal zat opgedroogde modder, laag op laag. Ze zwegen. Ze hadden zelfs de kracht niet meer om te klagen. Iemand zei: “Dit is geen leger. Dit zijn lijken”.’

Het was de eerste oorlog waarin de bevelvoerders geen aanvoerders meer waren en hun bevelen op veilige afstand doorgaven per telefoon. De Britse opperbevelhebber Douglas Haig weigerde het slagveld te bezoeken omdat het zijn ‘objectiviteit zou aantasten’. Ziedaar de twintigste eeuw in een notendop. Het was ook de eerste oorlog waarin psychiaters, schrijvers en strategen vaststelden dat de mens eigenlijk ongeschikt is om oorlog te voeren, al duurde het lang voordat de slachtoffers van shellshock serieus werden genomen en niet langer als deserteurs gefusilleerd. Deze oorlog was niet zomaar moord, zelfs geen massamoord, maar een moord op het individu. In Remarques Im Westen Nichts Neues, het begin van Célines Voyage au bout de la nuit of de gedichten van Wilfred Owen en Siegfried Sassoon komt dit thema telkens terug.

En het was de eerste oorlog waarin de mens vergroeide met machines, uit lijfsbehoud. Het prototype van die vergroeiing waren de mitrailleurkorpsen die al gauw binnen alle legers werden gevormd, elitekorpsen van toegewijde jonge soldaten wier moed en efficiëntie uitbundig werden geprezen, hoewel hun voornaamste taak bestond uit het verraderlijk neermaaien van de tegenstander. Militairen en industriëlen aan beide zijden wierpen telkens nieuwe wapens in de strijd, waarmee ze weliswaar een doorbraak konden forceren maar geen uitbraak: het artilleriebombardement, de tank, het gifgas, de vlammenwerper, de bommenwerper en de Zeppelin waren even zo vele vruchteloze pogingen de strijd een nieuwe dynamiek te geven.

Niettemin bleef het machinegeweer de ongekroonde heerser van het slagveld. In 1914 waren de Europese grootmachten zo ver ontwikkeld dat ze de hele natie konden mobiliseren voor een oorlog, aldus John Ellis, zodat het resultaat noodzakelijkerwijs een uitputtingsslag was. ‘Omdat men de vijand industrieel moest laten doodbloeden, stond er een bonus op wapens die de vijand zo goedkoop en snel mogelijk konden vernietigen. Dat wapen bij uitstek was de mitrailleur’ (Social History of the Machine Gun, 1976). Het schilderij La mitrailleuse (De mitrailleurpost) uit 1915 van Nevison toont de bemanning van een Franse machinegeweerpost in volle actie. De schutter lijkt vergroeid met de handgrepen van zijn Hotchkiss-mitrailleur. Zijn kameraad kijkt totaal verdierlijkt zijn eigen loopgraaf in, naar zijn kameraden, alsof hij wil zeggen: ‘En wie van jullie een stap te dichtbij komt, die schieten we ook verrot.’


IEPER — De Meense Poort is een neoklassieke triomfboog, van binnen en van buiten dicht beschreven met de namen van Britse gevallenen. In de metselgroeven zit hier en daar een plastic poppy gestoken. De klaproos — naar verluidt de enige bloem die op de Ieperse slagvelden wilde groeien — is het nationale symbool voor alle Britse oorlogsdoden, ontleend aan John McCrae’s gedicht ‘In Flanders Fields’. In en rond Ieper zijn tussen 1914 en 1916 honderdduizenden soldaten van het Britse expeditieleger gesneuveld. Uit erkentelijkheid blaast de Ieperse Vrijwillige Brandweer hier elke avond om acht uur de Last Post.

Drommen toeristen en Britse schoolklassen verdringen zich in het neonlicht onder de bogen. Bijna ongemerkt wordt het verkeer door de Rijkswacht omgeleid. Het publiek zwijgt. Twee jongens in burger, voorzien van trompet en bugel, komen aangemarcheerd en spelen feilloos tweestemmig de melodie. Meteen daarop herneemt het verkeer zijn loop. Een Britse reservist in waxcoat en donderhoedje vraagt ons waar de Nederlandse Ieper-soldaten begraven liggen. Mijn metgezel legt uit dat Nederland buiten deze oorlog is gebleven. Hij glimlacht discreet. Geen doden te betreuren, poor chaps.

‘Ik heb soms grote onenigheid met Britse bezoekers’, zegt Piet Chielens (43), coördinator van het Flanders Fields Museum in Ieper, terwijl hij ons rondleidt door de omgeving van zijn stad. Het museum, gevestigd in de middeleeuwse lakenhal, laat de oorlog zien door de ogen van de veteranen, maar dan zoals ze hem in 1918 zagen, niet in de latere, opgeschoonde versie van de Britse rijksgeschiedschrijving. ‘Het blijkt uit alle bronnen, alle onderzoeken: in 1918 schreeuwde iedereen om vrede, in alle loopgraven. Dat maakt het museum duidelijk. Rechtse Britse clubs die op bezoek komen, zien daarin een blijk van ondankbaarheid van de Belgische bevolking jegens haar “bevrijders”. Maar Britse militairen waarderen het juist weer. Net als Duitse bezoekers, die blij zijn dat ze hier niet meer als vijanden worden beschouwd. En Nederlanders, die de laatste jaren lijken te beseffen dat die oorlog die ze “gemist” hebben toch wel heel belangrijk is geweest.’

Het museum toont geen spectaculaire militaria, wel veel gebruiksvoorwerpen en persoonlijke bezittingen van soldaten, dagboeken, krantenartikelen en grote plakkaten met oorlogsgedichten van Britten, Duitsers en Vlamingen erop. De nadruk op het geschreven woord is geen toeval. Ieper en omstreken is in ’14-’18 volkomen kapotgeschoten, omgewoeld tot een woestenij van modder, steenslag, prikkeldraad en kromgetrokken staal. Nadien is alles weer kunstmatig opgebouwd, inclusief de middeleeuwse stad. Eigenlijk zijn alleen teksten nog authentiek. Piet heeft samen met zijn broer, de schrijver Wim Chielens, een beredeneerde bloemlezing van die oorlogsliteratuur samengesteld (De troost van schoonheid, 1996).

Hij toont ons de sporen die nog overal te vinden zijn. De posities van de Ieren, die hier niet vochten voor Groot-Brittannië, maar om als beloning zelfbestuur in eigen land te krijgen. Daar waar die varkens in het weiland lopen, ondergroeven Australische tunnelers met gevaar voor eigen leven een Duitse positie. Als we de dorpsstraat van Wervik indraaien, wijst Chielens naar een kerkje: ‘Daar zat Adolf Hitler in oktober 1918 te aquarelleren, herstellend van een Britse gasaanval. En in de kerk van Ploegsteert, een paar kilometer verder, zat op hetzelfde moment Winston Churchill te schilderen terwijl hij herstelde van zijn verwondingen.’


WE INSPECTEREN een onooglijk monument voor de Franse gevallenen van de eerste Duitse gasaanval. Bijna een hele brigade Bretonse cavaleristen werd in een paar minuten uitgeroeid. De nazaten hebben op een veldje van tien vierkante meter een soort klein-Bretagne nagebouwd, met enkele menhirs, een gedenksteen van krijtrots en een verweerd Bretons calvariekruis zoals ik er zoveel heb gezien in de Bretonse weilanden van mijn jeugd. Langzaam daalt de wanhoop van al die verstrooide levens, al die vergeefse verhalen van mijn hersenschors via mijn limbisch stelsel naar mijn hart. Ik sta opeens naar mijn schoenen te staren. Vuiltje in mijn oog.

We beklimmen Hill 60, een van de heuvels van de beruchte Mesenrichel waar de Britten op 7 juni 1917 een serie enorme mijnen tot ontploffing brachten. ‘De ontploffing was tot in 10 Downing Street te horen. Een hele Duitse linie vloog de lucht in. Toch voerden de Britten daarna geen aanval uit. Men had niet gerekend op een dergelijk effect en dus geen voorbereidingen getroffen. Het was weer een van die zinloze episoden. Dat is het drama van dit hele front, van Verdun tot Ieper: dat sterke legers zich vanaf de frontlinie achterwaarts ingroeven zodat hun stellingen nooit definitief konden worden opgerold. Toen de Duitse opmars eind 1914 voor Ieper tot staan werd gebracht, groeven de Duitsers zich in op de heuvelruggen rond de stad en de Geallieerden op de lagere punten. Dat is de militaire logica die geen logica is. Men redeneerde: er zijn zoveel mensen gesneuveld voor dit stukje land, dat kunnen we niet opgeven. Dus stuurde men voor datzelfde stukje land steeds meer soldaten de dood in.’

Chielens laat ook zien hoe hij en zijn medewerkers tegenwoordig ‘graven lezen’: niet langer als symbolen van nationale trots, maar als welsprekende getuigen. Op het kerkhof van Zillebeke wijst hij een verzorgde marmeren tombe aan: ‘Je ziet om wat voor mensen het gaat. Alexis de Gunzburg, huzaar bij de Royal Horse Guards, geboren in Parijs, gesneuveld op 6 november 1914. Hier liggen zeventien oud-studenten van Eton. Een hele jaargang is tijdens het eerste jaar bijna uitgeroeid. Daarna kwamen de gewone jongens aan de beurt.’ Veel van die gewone jongens liggen op Tyne Cot, de grootste Britse begraafplaats. Het zijn gevallenen van Passendaal, een wanhopige aanval waarbij eenvierde van de Britten letterlijk verdronk in de modder. Hier liggen ze rij aan rij, Known unto God. Ik stamel iets onnozels. ‘Dat de aarde niet in opstand kwam.’ Chielens herhaalt mijn woorden langzaam, zonder een spoor van ironie. Hij weet allang dat je hier alleen onnozele dingen kunt zeggen.