Opstandige dichters in Rome

De eerste generatie

De Romeinse lyricus Catullus voerde een groep jonge intellectuele generatiegenoten aan die niet in macht maar in de verbeelding geloofden. Deze nieuwe dichters wilden behalve de literatuur ook de moraal veranderen, en eigenlijk het hele leven.

De founding fathers van Rome waren, als we de bigotte fantast Livius mogen geloven, enkele uit omliggende buurtschappen afkomstige randgroepjongeren die liever voor zichzelf begonnen. Binnen enkele eeuwen groeide het zompige dorpje uit tot een militaire macht van betekenis. De Romeinen schreven hun succes toe aan hun tradities, die gekenmerkt werden door soberheid, noeste arbeid, het gedachteloos uitvoeren van onzinnige godsdienstige rituelen en — vooral — kadaverdiscipline. Legio zijn de verhalen van in onze ogen gestoorde veldheren die hun eigen zonen wegens insubordinatie laten onthoofden, zich «ten dode wijden» door blindelings op vijandelijke troepen in te rijden, of direct na een glorieuze ambtstermijn weer in hun onvruchtbare akkertje staan te schoffelen. De Romein werkt, zet zich in voor het vaderland, heeft een vrouw die spint, weeft en zonen baart, en hij peinst er niet over zich te bedrinken, een boek te lezen of zich in te laten met kinderachtige zaken als poëzie of filosofie. En áls hij eens een grapje maakt, is het niet leuk.

Toen de Romeinen in contact kwamen met de Grieken was het afgelopen met de een dimensionale principes van de martiale tobbers. Jongeren roken het grote geld, generaals vielen voor Griekse beeldhouwkunst en de snel opkomende nouveau riche vond het chic Griek se artsen en retoren in dienst te nemen. De benauwde aristocratie probeerde de aloude moraal te handhaven, maar het was dweilen met de kraan open. Binnen enkele generaties was Rome van God los. Als er één volk genoemd kan worden dat van nature geen enkele affiniteit met lyrische poëzie had, is dat het Romeinse. Tot de eerste eeuw voor Christus is er dan ook geen letter lyriek in het Latijn bewaard gebleven. Ontwikkelde Romeinen moeten hebben geweten dat er iets van dien aard bestond, maar het leed geen twijfel dat het schrijven van dergelijke flauwekul not done was. Totdat de generatie van Catullus het strijdperk betrad.

Gaius Valerius Catullus was omstreeks 85 v.Chr. in Verona geboren en verhuisde als student naar Rome, waar hij in aanraking kwam met de decadente jeunesse dorée. In 63 vond de mislukte revolutie van Catilina plaats, die het Romeinse establishment op zijn grondvesten deed trillen. In de politiek deed de lichting van 100 z'n intrede, met als voorman de ambi tieuze Julius Caesar en zijn louche trawant Clodius, die, naar gefluisterd werd, een ongezonde genegenheid voor zijn al even zedeloze zusje Clodia koesterde. Het was deze, met een keurige veldheer getrouwde Clodia die de onge veer vijftien jaar jongere Catullus haar bed in lokte, wat de onthutste adolescent tot een over rompelend lyrisch dichterschap inspireerde.

Inmiddels had Catullus aansluiting gevonden bij een groep jonge intellectuelen die niet in macht maar in de verbeelding geloofden. De aartsconservatieve Cicero duidt hen aan als «poetae novi» (nieuwe dichters) of «neoteroi», een Grieks woord dat «jongeren» betekent. Niet alleen de literatuur, ook de moraal ging op de schop, oude vormen en gebruiken moesten sterven om ruimte te bieden aan een nieuw leven. De onbehouwen soberheid van boeren, soldaten en bruggenbouwers maakte plaats voor een schijnbare eenvoud, die met uiterste precisie werd gecultiveerd, of voor een met opzet gekunstelde complexiteit die outsiders nadrukkelijk buiten de deur hield.

Catullus’ vriend Cinna werkte tien jaar aan een eposje over de wulpse Zmyrna die het met haar vader deed, een gedicht waarover in de oudheid al werd opgemerkt «dat het zo duister was, dat zelfs contemporaine letterkundigen er bezwaar tegen maakten en een grote reputatie wisten op te bouwen door het te interpreteren». Caecilius, een andere dichter uit deze groep, schreef een ongetwijfeld morbide gedicht over de moedergodin Cybele, wier priesters de gewoonte hadden zichzelf tijdens extatische rituelen te castreren. En Licinius Calvus componeerde, als we Martialis mogen geloven, een leerdicht over koud water. Van al deze hoogst curieuze scheppingen is overigens geen regel bewaard gebleven.

Ook Catullus zelf exploreerde de com plexiteit van leven en literatuur. In het openings gedicht van zijn bundel stelt hij zich op ingenieuze wijze voor als auteur van totaal onbeduidende werkjes, die desondanks geacht worden de tand des tijds te weerstaan. De gedichten die volgen, lijken op het eerste gezicht een weldadige spontaniteit te ademen, maar een zorgvuldige lezer ziet al gauw dat hij vakkundig gemanipuleerd wordt. Ook al kunnen we moeilijk geloven dat de heftige gevoelens die Catullus verwoordt allemaal door een berekenende intellectueel bedacht zijn, het is zonneklaar dat de dichter over de plaatsing van ieder woord heeft nagedacht.

Maar het was niet alleen de literatuur die anders moest, ook het leven zelf diende anders aangepakt te worden dan de brave voorouders het hadden gedaan. Strenge vaders worden in Catullus’ gedichten weggezet als gefrustreerde zedenprekers, Cicero krijgt een veeg uit de pan, maar vooral de beschimmelde huwelijksmoraal van de vorige generatie moet het ontgelden. Catullus gaat daarin zo ver dat hij waardige Romeinse begrippen als «officium» (plicht) en «fides» (trouw) zonder blikken of blozen van toepassing verklaart op zijn rampzalig verlopen affaire met Clodia, die er naast de dichter nog menige minnaar op nahield.

Catullus heeft niet lang van zijn ingewikkelde leven kunnen genieten. Als John Keats, Jac ques Perk en Hans Lodeizen stierf hij vermoedelijk nog voor zijn dertigste. Maar na hem zou de literatuur nooit meer eenvoudig worden.