De eerste halve eeuw België

Wanneer Vlamingen zichzelf proberen te definiëren, dan doen ze dat met behulp van de positieve en negatieve clichés die ze aan Nederlanders toeschrijven. En andersom gebeurt hetzelfde. Geert van Istendael, Steven de Foer, Jeroen Brouwers en Bart Dirks, allen zijn ze bedreven in het uitvergroten van kleine cultuurverschillen tot onoverkomelijke tegenstellingen. Daarin zijn ze allen schatplichtig aan Busken Huet, die in 1879 vanuit Frankrijk ter hoogte van Lille met de trein België binnentrok, om deze jonge natie scherp maar liefdevol binnenstebuiten te keren. België had zich net een halve eeuw eerder van Nederland afgescheiden en ontwikkelde zich heel anders dan het dommelige en wat zelfgenoegzame Nederland. In Wallonië rookten de fabrieksschoorstenen, veel provinciestadjes waren uitgegroeid tot grauwe arbeidersbolwerken, in Vlaanderen herstelden zich de nijverheid en de handel, en aan de kust kon het eerste gekrioel van het moderne massatoerisme worden waargenomen: ‘Overal eene kurzaal, overal hôtels; maar hôtels en kurzalen voor onderscheiden beurzen en onderscheiden zenuwgestellen.’ Hier zien we het spervuur van commerciële genietingen op gang komen, dat tot in onze tijd aanhoudt, en waaraan niemand meer kan ontsnappen.
Huet bekeek het moderne leven zo veel mogelijk vanuit de trein, en stapte vervolgens uit in oude middeleeuwse binnenstadjes waar hij in stadhuizen, belforts en kunstkabinetten op zoek ging naar het meesterschap van Belgische schilders en bouwmeesters. Het land van Rubens begint dan ook als een gemoedelijke kunstreis.
Huets historische uitweidingen zijn ter zake, scherpzinnig en ook nog eens mooi geformuleerd. Maar voor de lezer van 2009 zijn het vooral de korte, haarscherpe flitsen van het België van 1879 die het boek tot een historische ontdekkingsreis maken. In Brugge komt Huet in een spookstad: ‘Eindelooze grachten met ledige huizen.’ Een stad die overgeleverd is aan de krimp: het gras overwoekert er de straten. In Antwerpen daarentegen regeert de sloophamer en de nieuwe imponeerarchitectuur van de brede boulevards en pompeuze overheidsgebouwen. Een stad die wordt gebouwd op de groei: ‘vooralsnog houdt het toenemen der bevolking geen gelijken tred met de vermenigvuldiging der boulevards’.
Vervolgens reist Huet door naar Brussel, de Brabantse stad waar de verfransing op dat ogenblik zo goed als voltooid is. Hij zit er niet mee, integendeel. Hoe meer België van het zompige Nederland weg groeit, hoe liever het hem is. Huet ziet spanningen ontstaan tussen Walen en Vlamingen, maar die lossen zich wel op. Tegen het bruisende, grootsteedse, Europees denkende Brussel zou geen enkel provincialisme bestand blijken. Het leek in 1879 geen grote gok, in 2009 durft niemand er meer zijn vermogen op te zetten.

Conrad Busken Huet, Het land van Rubens, J.C. Loman (1879). De tweede druk uit 1881 kan worden gelezen op de site van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.