School

De eerste schooldag

In deze nieuwe rubriek doet Graa Boomsma elke drie weken verslag over zijn wederwaardigheden als docent Nederlands op een middelbare school. Een kritisch docent, wiens kritiek niet overal echt welkom lijkt te zijn…

De kofFie en taartjes staan klaar, zoals elk jaar op de allereerste schooldag, waarop traditiegetrouw niemand lesgeeft. De leerlingen komen alleen hun boeken ophalen en kennismaken met hun mentor. De docenten staan in groepjes bij elkaar. Straks, weet iedereen, is er een kort welkomstwoord van de rectrix, nu praten ze snel bij; ze hebben elkaar zeven weken niet gezien.

Ik bevind me in de aula van een middelbare school in de Zuid-Hollandse bollenstreek. Hoe ben ik hier terechtgekomen? Mijn andere school – de Amsterdamse Schrijversvakschool ’t Colofon – ging failliet en ik zocht een nieuwe mogelijkheid om les te geven. Ik belde een lyceum in Oegstgeest om informatie en kreeg tot mijn stomme verbazing diezelfde avond nog een telefoontje van de rectrix van een ánder lyceum in de buurt. Of ik op háár school Nederlands wilde komen geven? Was ik eerstegraads bevoegd? Ja? Een ouderwetse doctorandus, taal- en letterkundig gevormd aan de VU, in de jaren zeventig. En ik schreef boeken en in de bladen. De rectrix reageerde geestdriftig, alsof ik tot een bijna uitgestorven diersoort behoorde. Ik, een man van vijftig, een zogenaamde zij-instromer, had in geen jaren een middelbare school van binnen gezien maar ik hoefde niet eens officieel te solliciteren. Dat er een schrikbarend landelijk tekort aan docenten met vakkennis bestond besefte ik pas later in mijn eerste schooljaar als docent Nederlands.

Dat tekort bestaat nog steeds. Scherper geformuleerd: aan het eind van elk schooljaar nemen vele ervaren docenten afscheid van hun school. En ze nemen hun ervaring mee. Die delen ze niet met nieuwkomers. Daar bestaat geen enkele regeling voor. Senior teachers koestert men nauwelijks. Langzaam maar zeker lekt zo vakkennis en expertise weg. Daarvoor in de plaats komen jonge, enthousiaste leraren en nog meer leraressen die veel minder vakkennis bezitten maar die wel – dankzij de hardnekkige competentiegerichtheid van de lerarenopleidingen – over heel veel ‘algemene vaardigheden’ beschikken. Het niveau is niet om over naar huis te schrijven.

Overdrijf ik? Nee, want in werkelijkheid is het nog erger. Niemand fronst bezorgd de wenkbrauwen als de schoolleiding tweedegraads leerkrachten voor bovenbouwklassen zet. Dat mag helemaal niet. Maar nood breekt wet. Stelt u het zich voor: een jonge vrouw van nog lang geen dertig – die ik geen neerlandica kan en mag noemen – moet literatuurgeschiedenis doceren maar is zelf een blanco blad want die literatuurgeschiedenis of welke Middelnederlandse tekst ook werd niet op haar lerarenopleiding aangeboden. Ze heeft waarschijnlijk nooit gehoord van Johan Huizinga’s wereldberoemde Herfsttij der Middeleeuwen en ze las nimmer een letter van Beatrijs of van de Reynaert. Om misverstanden te voorkomen: die onbevoegde docenten geef ik niet de schuld van de povere kwaliteit van het Nederlandse middelbaar onderwijs.

Stil, niet meteen zo zeuren en klagen. De rectrix kondigt aan, met een gespeelde lichte schrik in haar stem, dat onze bollenstreekschool dit jaar aan een grootscheepse onderwijsinspectie wordt onderworpen. Daarna verwelkomt ze de nieuwe docenten, die een gemiddelde leeftijd hebben van nog geen dertig. Zeven weken eerder namen in deze zelfde aula tien veel oudere docenten afscheid. Ik mocht een van hen, een ervaren vakvrouw gespecialiseerd in middeleeuwse letterkunde (afgestudeerd op de twaalfde-eeuwse tekst over de Ierse monnik Brandaan) uitzwaaien. Op het moment in mijn toespraakje dat ik het wegvloeien van vakkennis betreurde en kritische noten kraakte over het virus van de ‘algemene vaardigheden’-docenten klonk er onbestemd rumoer op in de zaal. In het onderwijs is het not done om zonder allerlei omwegen kritisch te zijn en scherp te formuleren. Al heel snel wordt een inhoudelijke opmerking als een persoonlijke aanval gezien of als een poging de naam van de school te bezoedelen.

Het toespraakje van de rectrix is bijna afgelopen. Trots meldt ze dat er geen vacatures meer open staan. Niemand protesteert tegen deze opmerking. Want het mag dan wel zo zijn dat het tekort kwantitatief is weggewerkt, kwalitatief schort er nog veel aan.

Bij het vak Nederlands bijvoorbeeld, met een grote sectie (tien vrouwen, drie mannen), bestaat nog immer een tekort aan doorgewinterde eerstegraders met een literaire belezenheid die verder gaat dan de thrillers van Saskia Noort of het leed van Kluun. Als sectieleider (eind vorig jaar vroeg de rectrix aan mij dat te worden) kamp ik dus met een kwalitatief tekort. Helaas ben ik niet de enige sectieleider met zo’n probleem. Het is een landelijk fenomeen waar de politiek nog steeds geen duidelijk antwoord op heeft. Het verhogen van de lerarensalarissen is een lapmiddel. Het gaat erom de kwaliteit van de lerarenopleidingen structureel te verbeteren en senior teachers uit het middelbaar onderwijs aan te trekken die weten waaraan behoefte is bij de leerlingen: degelijk onderricht van gezaghebbende en didactisch effectieve docenten die zonder al te veel ‘leuke’ bij-activiteiten de leerlingen van kennis en inzicht voorzien en beginnende leraren systematisch bijstaan.

Wat te doen nu ik mezelf heb laten verleiden tot het sectieleiderschap? Wat kan ik doen? Het staat niet in het schoolplan, want dat heeft de school officieel niet (zou de inspectie daar straks over vallen?). In de eerste plaats wil ik de kwaliteit van de sectie verbeteren. Hoe? Misschien moet ik, om voorzichtig te beginnen, mijn tweedegraads sectiecollega’s die lesgeven in de bovenbouw – dus in havo 4 en 5 en vwo 4, 5 en 6 – in de loop van september eens vragen of zij al over een bijspijkercursus hebben nagedacht en uitzoeken welke faciliteiten de school daarvoor aanbiedt. Maar het stellen van zo’n vraag is niet gebruikelijk in het onderwijs. Toch maar doen. De bollenstreek verdient het, en de tweedegraads docenten in de bovenbouw hebben steun en bescherming nodig, geen wantrouwen.