De eerste socioloog

IBN KHALDUN
DE MUQADDIMA
Gekozen, uit het Arabisch vertaald en van aantekeningen voorzien door Heleen Koesen en Djûke Poppinga, Bulaaq, 318 blz., € 24,50

MAAIKE VAN BERKEL EN RUDI KÜNZEL (RED.)
IBN KHALDUN EN ZIJN WERELD
Bulaaq, 287 blz., € 24,50

‘My name is Ozymandias, King of Kings: look on my Works, ye Mighty, and Despair!’ Deze vaak geciteerde regels zijn afkomstig uit het gedicht Ozymandias (1818) van Percy Bysshe Shelley. Het gedicht beschrijft ‘een reiziger uit een oud land’ die de bulderende tekst aantreft op de sokkel van een verbrokkeld, half onder het woestijnzand bedolven standbeeld. Shelleys gedicht is een prachtige uitdrukking van het gegeven dat alle macht en majesteit door overmoed en decadentie onherroepelijk ten val komen. Oude, machtige beschavingen maken plaats voor nieuwe, die op hun beurt ooit ook weer onder het zand zullen verdwijnen. ‘De geschiedenis is een cyclisch gedicht, door de Tijd geschreven op de herinnering van de mensheid’, schreef Shelley eens.
De notie dat beschavingen, net als levende organismen, een natuurlijke ontwikkeling van jeugd, bloei, verval en sterfte doormaken, is vooral bekend uit de Romantiek. Het is een diep pessimistische notie. Waar mensen denken invloed te kunnen uitoefenen op de samenleving regeren in feite ijzeren historische ‘wetten’.
Voor het eerst in de geschiedenis van de geschiedschrijving werden zulke wetten expliciet gemaakt en aan een analyse onderworpen door de Maghrebijnse geleerde, diplomaat en jurist Ibn Khaldun (1332-1406). Daarom wordt hij vaak ‘de eerste socioloog’ of ‘de eerste geschiedtheoreticus’ genoemd. Door de beschrijving van historische patronen tilde hij de geschiedschrijving uit boven de kroniekschrijverij en maakte er een echte wetenschap van. Uit zijn belangrijkste werk, De Muqaddima of ‘Inleiding’ is nu een ruime selectie in het Nederlands vertaald. Daarbij hebben de vertalers vooral gelet op de passages waarin Ibn Khaldun zijn geschiedtheorie uiteenzet. Een gelukkige keuze, omdat het precies de onderliggende theorie is die De Muqaddima bijzonder maakt, en niet de beschrijvende of verhalende uitweidingen. Juist door de weglatingen doet deze vertaling Ibn Khaldun dus recht. De opvallend toegankelijke taal is geen kunstgreep van de vertalers: ook Ibn Khalduns eigen stijl was laagdrempelig, omdat hij de bedoeling had om een breder publiek te stichten dan alleen zijn geleerde vakgenoten.
Deze blije, uitnodigende boodschap van de vertalers wordt echter tenietgedaan door de bijgaande bundel met opstellen over Ibn Khaldun. Naar goed wetenschappelijk gebruik wordt daarin een mooi boek ingeleid door middel van debunking. De uniciteit en genialiteit van Ibn Khalduns werk worden onmiddellijk gerelativeerd. Ook mogen wij niet zomaar denken dat De Muqaddima ons iets zou kunnen zeggen over onze eigen actualiteit. De diverse experts sporen de lezer steeds ernstig aan om Ibn Khaldun in zijn eigen tijd en intellectuele context te plaatsen, wat nogal een opgave is. Een der inleiders, de historicus Peter Rietbergen, noemt Ibn Khaldun een ijdeltuit omdat hij zijn Muqaddima een ‘uniek werk’ en een ‘nieuwe wetenschap’ noemde. En Ibn Khaldun voorstellen als een voorloper van de hedendaagse sociale wetenschappen is volgens een andere inleider, de filosoof Michiel Leezenberg, ‘een schoolvoorbeeld van een oriëntalistische toe-eigening van een islamitische tekst’, wat gewoon weer neerkomt op de voor Arabisten verplichte rituele zelfkastijding op de maat van Edward Said. Goed, het is duidelijk dat De Muqaddima niet klakkeloos bestempeld mag worden als sociologische wetenschap in de moderne zin, maar wat De Muqaddima dan wél voorstelt, komen we vervolgens niet te weten. Een overkoepelende, inleidende visie ontbreekt bij de opstellen, waardoor de bundel als inleiding onbruikbaar is. Iedereen leeft zich uit in zijn eigen specialisatie. Wanneer de experts elkaar onderling tegenspreken, wordt dat niet expliciet gemaakt. Zo zie je maar dat ook hedendaagse ‘wetenschappelijke’ historici nog altijd iets van Ibn Khaldun kunnen leren.
De beste raad voor de leek bij het lezen van klassieke literatuur is altijd om de omringende haag van experts voorlopig te negeren, niet bang te zijn voor onkunde, en maar meteen in het diepe te plonzen. De deskundigen kunnen aan het woord komen nadat we bekomen zijn van de verbazing dat deze veertiende-eeuwse Arabische tekst van a tot z uitstekend te begrijpen is, en leuk om te lezen bovendien, omdat hij onmiddellijk tot nadenken stemt over universele thema’s. De vertalers hebben de tekst gelukkig zo ‘schoon’ mogelijk gehouden. Een verklarend register achterin biedt uitkomst bij vreemde namen en begrippen.
Waarom heeft Ibn Khaldun De Muqaddima eigenlijk geschreven? De Muqaddima is een inleiding op een aantal boeken die ‘lessen’ worden genoemd. Wat wilde Ibn Khaldun leren door de patronen van opkomst en verval van de beschaving te laten zien? In de bundel wordt uitgebreid aandacht besteed aan Ibn Khalduns methode, maar de vraag naar het doel van De Muqaddima blijft helaas onbeantwoord.
Ibn Khaldun beschrijft zijn onderneming zelf als een beweging van de ‘buitenkant’ van de geschiedenis naar de ‘binnenkant’ van de geschiedenis. Dat is een religieus begrippenpaar. Bij ‘de’ geschiedenis moeten we uitsluitend denken aan de geschiedenis van de islamitische gezagsorde sinds de komst van de islam. Zoals de Marokkaanse historicus Abdessalam Cheddadi in zijn essay opmerkt, blijkt Ibn Khalduns universele ‘wetenschap van de beschaving’ een ‘sociologie van het identieke’ te zijn en niet gebaseerd te zijn op vergelijking met andere beschavingen. Ibn Khaldun vergelijkt in De Muqaddima uitsluitend de ene islamitische gezagssfeer met de andere, waarbij alle islamitische regeringen sinds Mohammed impliciet worden afgezet tegen het concept van de ideale islamitische staat. ‘Mensen zijn niet slechts gecreëerd voor deze wereld, omdat deze geheel en al ijdel en futiel is’, schrijft Ibn Khaldun. Een regering die niet geïnspireerd wordt door de geopenbaarde Wet zal zich alleen maar op wereldse belangen richten. Een regering die zich daarentegen ook de redding van de ziel in het hiernamaals ten doel stelt, houdt ‘gematigdheid’ aan bij het nastreven van wereldse belangen en zal daarom ook niet gauw vervallen in decadentie en materialisme en, ten slotte, in de onherroepelijke ondergang. Dat is de belangrijkste ‘les’ die Ibn Khaldun uit de bestudering van de binnenkant van de geschiedenis afleidt.