Israël tegen Israël

De eerste tentifada

De Israëliërs blijken nog andere problemen aan hun hoofd te hebben dan de spanningen met de moslimwereld. Onder premier Netanyahu hebben een paar grote ondernemers zich ongegeneerd verrijkt ten koste van het volk, dat nu vanuit tenten in het geweer komt.

JERUZALEM - Mijn plan om me in Israël te gaan verdiepen in de problemen van oorlog en gebrek aan vrede was niet overal goed gevallen. ‘Ik zou het niet doen’, zei een dierbare vriend. 'Je komt terecht in een politieke slangenkuil waarin je niemand kunt vertrouwen. Wat je ook over Israël zegt, je doet het nooit goed, al weeg je je woorden permanent op een goudschaaltje. Voor je het weet ben je een smerige antisemiet of juist een smerige zionist, of beide tegelijk. Bovendien zit dat conflict daar muurvast, en daarom is geen hond er meer in geïnteresseerd. Niet doen dus.’ Ik heb het wel gedaan, en heb er vooralsnog geen spijt van. Ik ben hier getuige van een soort mengsel van Parijs '68 en de Arabische revolutie, maar dan op zijn Israëlisch. En wat er in de slangenkuil wordt bekokstoofd is, tot opperste verbazing van de slangen, opeens niet zo belangrijk meer.
Israël, dat was voor mij bijna een ander woord geworden voor het eeuwige conflict met de Palestijnen, en het woord vredesproces zag ik als een mooi voorbeeld van een oxymoron: orwelliaanse newspeak voor een op gezette tijden oplaaiende oorlog zonder enig uitzicht op vrede. Ik was van plan om me, gewapend met een frisse blik en een onbevooroordeelde geest, een beeld te vormen van de belangrijkste ins en outs van dit conflict en na te gaan hoe de heftige beroeringen in de Arabische wereld daarop zouden uitwerken. Ik was nog maar net aan de uitvoering van dat plan begonnen of mijn aandacht werd afgeleid door wat een ontroerde Israëlische commentator omschreef als 'een van de mooiste en meest belovende momenten in de geschiedenis van de Israëlische maatschappij’.
De Israëliërs bleken nog andere problemen aan hun hoofd te hebben dan het uitzichtloze conflict met de Palestijnen en de spanningen met de moslimwereld. Wat begon met een meisje dat uit protest tegen de onbetaalbare huren haar tentje opsloeg op de sjiekste straat van Tel Aviv groeide dankzij Facebook binnen de kortste keren uit tot een 'tentifada’ voor sociale rechtvaardigheid, met ongekende massademonstraties in alle grote en kleine steden. De grootste demonstratie tot nu toe bracht alleen al in Tel Aviv minstens een kwart miljoen mensen op de been, op een totale stadsbevolking van 350.000. Deze vreedzame opstand heeft iedereen verrast: de jeugdige organisatoren, de honderdduizenden deelnemers, de regering, en zelfs de meest gepokte en gemazelde waarnemers. Kennelijk was ik niet de enige die verkeerd geprogrammeerd was. Alsof er in Israël behalve veiligheid en alles wat in naam daarvan gebeurt of juist wordt nagelaten niets belangrijks aan de hand kon zijn.
Bij de opstand in Israël vallen geen doden, er worden geen winkels geplunderd, niemand wordt gearresteerd of gemarteld, laat staan dat er tanks in actie komen. Alleen wie verkeersknooppunten blokkeert of de Knesset ongenood probeert binnen te komen riskeert even te worden vastgehouden. Allicht gaat het hier heel anders aan toe dan in de Arabische revoluties. Ondanks de indrukwekkende rechtse opmars van de afgelopen jaren is Israël immers nog altijd geen dictatuur, wat sommige heethoofdige critici ook mogen beweren - waarbij we natuurlijk alleen aan Israël moeten denken en niet aan de bezette gebieden of de Arabische minderheid in Israël zelf. Over alles wordt hier omstandig en vaak confronterend geopinieerd, want er is nog altijd volop persvrijheid. In Israël gaat het de demonstranten niet om de val van de regering - al kan het daar wel op uitlopen - maar om maatschappelijke solidariteit en een rechtvaardiger verdeling van de rijkdom, met motto’s als 'Het volk eist sociale rechtvaardigheid’ en 'Geef het volk de staat terug’.

EN TOCH kan wat er in de straten van Tel Aviv, Jeruzalem en zoveel andere Israëlische steden gebeurt niet los worden gezien van de Arabische revoluties. Ook in Israël was de massale rebellie door niemand voorspeld, ook hier verloopt de onderlinge communicatie via Twitter en Facebook, en het straatkamperen als vorm van protest is van het Egyptische Tahrirplein afgekeken. Maar dat is niet het enige. Net als de Arabische potentaten heeft de Israëlische premier Netanyahu volgens mij de volksopstand aan zichzelf te danken. Dit behoeft uitleg.
Dankzij de Arabische lente - die in sommige landen meer begint te lijken op een winter - beheerst het aloude Israëlisch-Palestijnse conflict niet meer het politieke toneel van het Midden-Oosten. De mensen in Tunesië, Egypte, Libië, Syrië en noem maar op zijn niet in opstand gekomen tegen Israël, maar tegen hun eigen onderdrukkers. Die hadden hun tientallen jaren ingepeperd dat Israël de bron van alle kwaad in het Midden-Oosten was. Toen de vlam in de pan sloeg is hier en daar nog geprobeerd de volksopstanden voor te stellen als het resultaat van Israëlisch-Amerikaans gestook, en de moslimtheocraten van Iran beweren dat nog altijd. Te veel eer: de enige stokers waren, of zijn nog steeds, de dictators zelf. Met hun stuitende zelfverrijking en de onderdrukking van de politieke en vaak ook economische rechten van hun eigen volk zwengelden ze de opstanden zelf aan.
In mijn naïviteit had ik verwacht dat Israël gretig zou inhaken op de nieuwe dynamiek die zich van de regio had meester gemaakt. Voor het eerst was er immers een kans dat de enige democratie in het Midden-Oosten, zoals Israël zich graag profileert, gezelschap gaat krijgen van Arabische democratieën. En democratische landen houden er niet van om met elkaar oorlog te voeren. Natuurlijk, zo ongeveer alles in het Midden-Oosten is op het ogenblik onzeker, en het is absoluut niet gezegd dat de Arabische landen na hun revoluties veel vriendelijker tegenover Israël zullen worden. Maar op z'n minst had Israël de democratisering in de Arabische wereld kunnen aanmoedigen, het had gestes kunnen maken om vertrouwen te creëren, het had een taalgebruik kunnen hanteren waaruit zijn goede wil zou blijken om de oude haat te overwinnen.
Maar nee. De Israëlische regering kijkt met argusogen naar de woelingen in de Arabische wereld en houdt zich gedeisd. Eigenlijk was ze best tevreden met de status-quo. Ze wist waar ze met de omringende Arabische dictators aan toe was, ze wist niet wie ze voor hen in de plaats zou krijgen. Beter een Moebarak of een Assad dan straks een moslimfundamentalist die oproept tot een jihad tegen Israël. En de Palestijnen, ach, die waren verzwakt, gedemoraliseerd en hopeloos verdeeld en konden steeds moeilijker een vuist maken. Tot op heden hebben ze zich zelfs niet laten inspireren door de opstanden van hun Arabische broeders. Het uitzicht op een eigen staat wordt almaar kleiner. Door op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem steeds meer joodse nederzettingen en wijken te bouwen hoopt Netanyahu de Palestijnen nog verder terug te dringen in hun eigen gebied. Onderhandelen over een eigen Palestijnse staat? Prima, maar dan op de Israëlische voorwaarden, die voor de Palestijnen onaanvaardbaar zijn. Dat is een non-starter, en dat is dan ook de bedoeling.
Vooral Israëls relaties met Egypte waren hecht. Onder Moebarak heerste tussen de twee landen een koude vrede. Israël is hem dankbaar dat hij van Egypte een bolwerk tegen de radicale islam had gemaakt. De verdrijving van Moebarak was ook het einde van de stabiliteit in het grensgebied, met als voorlopig dieptepunt de bloedige terroristische aanvallen vorige week donderdag in de buurt van Eilat, gevolgd door bloedige vergeldingsbombardementen op Zuid-Gaza door de Israëlische luchtmacht. De parlementariër Binyamin Ben-Eliezer, oud-generaal en vroegere minister van Defensie, heeft publiekelijk gerouwd om de vernedering die zijn vriend Moebarak moet ondergaan in het proces dat zijn ondankbare ex-onderdanen hem hebben aangedaan. Volgens Ben-Eliezer bood Israël de verjaagde Egyptische ex-president kort na zijn val politiek asiel aan, maar dat sloeg de 'patriot’ Moebarak af. Israëlisch asiel voor Moebarak zou de beste methode zijn geweest om zich te verzekeren van de haat van de Tahrir-revolutionairen.
Van het regime van Assad in Syrië heeft Israël nu enige afstand genomen, maar op een beleefde manier en lang niet zo gedecideerd als Saoedi-Arabië, Koeweit, Bahrein, Jordanië en Turkije dat hebben gedaan. Waarom toch die angstvalligheid? Ik begin Netanyahu er sterk van te verdenken, en ik zal de eerste niet zijn, dat hij niet alleen tegen een Palestijnse staat is maar dat hij ook niet geïnteresseerd is in ontspanning in het Midden-Oosten, laat staan in de Arabische lente. Hij is gebaat bij het handhaven en aanwakkeren van de angst dat de radicale moslims nog altijd de Israëliërs de zee in willen drijven om zich definitief meester te maken van het land dat God zelf aan Abraham gegeven heeft. Nu weet ik ook wel dat in het sjiitische kamp landen en organisaties zitten - Iran, Hezbollah, Hamas - die het Israëlische bloed wel kunnen drinken. Maar ik weet ook dat Israël, de belangrijkste wapenklant van de Verenigde Staten, militair superieur is. Het heeft alle oorlogen tegen zijn buren gewonnen en heeft van de Arabische landen weinig te vrezen, zeker nu die geabsorbeerd zijn door hun eigen problemen. En voordat Iran een atoombom op Israël laat vallen moet er heel veel gebeuren. Jeruzalem en Washington zullen het zo ver niet laten komen. Het kan in Israël militair best een tandje minder, maar waarom gebeurt dat dan niet?

HET ANTWOORD is simpel: de regering past de oude truc toe van de buitenlandse vijand die moet zorgen voor binnenlandse cohesie. Door de spanning erin te houden wil ze bereiken dat de Israëliërs zich als één man achter haar scharen ter verdediging van het bedreigde vaderland en vooral van de regeringscoalitie. Nu hebben Netanyahu’s ultra-orthodoxe en extreem-rechtse bondgenoten een onevenredig grote invloed op het regeringsbeleid, ze bepalen het zelfs voor een groot deel. Waarschijnlijk de machtigste figuur is minister van Buitenlandse Zaken Avigdor Lieberman, leider van de partij Yisrael Beiteinu (Israël Ons Huis). Lieberman staat rechts van iemand als Geert Wilders, een graag geziene gast in ultrarechtse joodse kringen. Liebermans aanhang bestaat uit ruim een miljoen mensen die de laatste twintig jaar geïmmigreerd zijn uit de voormalige Sovjet-Unie. Met hun ondernemingslust, hun grondige afkeer van het socialisme en hun gebrek aan democratische traditie hebben ze politiek en economisch hun stempel gedrukt op het land.
Netanyahu is met handen en voeten aan Lieberman gebonden. Zelfs als hij ontspanning met de Palestijnen en de Arabische wereld zou willen, dan nog heeft hij daar geen politieke ruimte voor, want Lieberman torpedeert alles wat niet in zijn extreem-rechtse agenda past. Dus geen concessies aan de Palestijnen maar wel uitbreiding van de joodse nederzettingen in bezet gebied, inperking van de rechten van de Arabische minderheid in Israël, optreden tegen Israëlische organisaties die opkomen voor de vrede, en geen excuses aan Turkije voor het gewelddadige legeroptreden in mei vorig jaar, toen negen Turkse activisten de dood vonden op een Turkse boot die de blokkade tegen Gaza wilde doorbreken. Excuses aanbieden zou volgens Lieberman een 'nationale vernedering’ zijn geweest. Daarmee trotseerde de Israëlische regering de sterke Amerikaanse druk om de Israëlisch-Turkse alliantie te herstellen en gezamenlijk pressie op Syrië uit te oefenen.
Tegen deze verharding en verrechtsing kwam, behalve van de vredesactivisten, weinig protest. De traditionele linkse partijen waren verzwakt en verdeeld. Veel mensen keerden zich gedesillusioneerd af van de politiek. Dat leek de regering alleen maar aan te moedigen tot nog driester gedrag. Netanyahu wist zelfs zijn vrienden van zich te vervreemden, te beginnen met de Verenigde Staten. Washington steunt Israël door dik en dun, maar wil wel een hervatting van het - het woord moet er toch maar uit - vredesproces. Essentiële voorwaarden daarvoor zijn het staken van de bouw van joodse nederzettingen in bezet gebied en een terugkeer naar de grenzen van vóór de Zesdaagse Oorlog van 1967, toen Israël zich meester maakte van de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en Gaza.
Vorig jaar maart werd uitgerekend tijdens een bezoek aan Israël van de Amerikaanse vice-president Joe Biden een plan aangekondigd voor de bouw van een nieuwe joodse wijk in Oost-Jeruzalem, midden in een bouwstop van tien maanden. In mei dit jaar gaf Netanyahu in het Witte Huis Barack Obama zelf een klap in zijn gezicht toen hij tegen hem zei dat de grenzen van vóór de Zesdaagse Oorlog onverdedigbaar waren. En passant maakte hij daarmee duidelijk hoe prematuur de toekenning, op grond van een mooie vredestoespraak in Caïro, van de Nobelprijs voor de vrede aan Obama was geweest.
Ook in Europa heeft de Israëlische regering door haar sabotage van een vredesakkoord met de Palestijnen en de blokkade van Gaza veel vrienden van zich vervreemd. Maar dat internationale isolement schijnt Netanyahu en de zijnen niet te deren. Integendeel, de Israëliërs moeten het gevoel krijgen dat ze in een belegerde vesting leven, omringd door moslim- en westerse vijanden, en met de ergste vijanden binnen de poorten: de vredesactivisten, door Lieberman gekwalificeerd als terroristen. De rest van de bevolking leek als makke schapen achter Netanyahu aan te lopen. Was het verrechtste Israël ingeslapen?

ALS DAT AL zo was, dan zijn de vestingbewoners plotseling wakker geworden. En hoe. Op het punt van volksopstanden beschouw ik mezelf als een ervaringsdeskundige, maar zo een als in Israël heb ik nog nooit meegemaakt. Mijn oudste opstand, de Parijse meirevolte van '68, was vrolijk en creatief, maar er werd wel flink met straatstenen en traangasbommen gegooid. In Latijns-Amerika waren mijn opstanden over het algemeen buitengewoon grimmig, met veel kogels en lijken van beide kanten. In Italië waren ze eerder een ritueel, die vooral vervelend waren voor het verkeer en nooit in het vrije weekend vielen. In China werden de opstanden doorgaans neergeslagen nog voor ze begonnen waren. Maar hier in Israël gaat het er gemoedelijk en onthutsend beschaafd aan toe. In de tentenkampen wordt tussen de muziek, het eten en het slapen door druk gediscussieerd over hoe de maatschappij in elkaar zit en hoe ze er zou moeten uitzien. In de demonstraties eisen de spreekkoren en de sprekers niet het vertrek van de regering, laat staan de standrechtelijke executie van Netanyahu, maar een rechtvaardige samenleving. Niemand heeft het begrepen op de politie - immers ook onderbetaalde burgers - en de politie evenmin op het protesterende volk. Idyllisch bijna. In een land dat gewapenderhand het Palestijnse grondgebied bezet houdt, de Palestijnen hun grondrechten onthoudt en de eigen Arabische minderheid discrimineert, is democratie nog geen hol begrip geworden.
Inhoudelijk heeft de Israëlische Tentenrevolutie op het eerste gezicht veel weg van de grote protestbewegingen van deze lente en zomer in Madrid en Athene. Ook daar zijn mensen in het geweer gekomen die aan den lijve de gevolgen voelen van het neoliberalisme. Op het tweede gezicht gaat die vergelijking maar ten dele op. In Spanje heerst megawerkloosheid en de Grieken is een bezuinigingsplan door de strot geduwd waar de honden geen brood van lusten. We moeten naar Chili om een soortgelijke protestbeweging te vinden als in Israël. Niet het Chili van Allende of van Pinochet, maar dat van de huidige president Piñera, die de economie tot bloei heeft gebracht en het volk verarmd. Dit leidde in mei tot een studentenopstand die nog altijd van geen wijken wil weten. Ook in Israël gaat het economisch uitstekend: forse groei, lage werkloosheid, sterke munt. Dat is vooral te danken aan Netanyahu, die eerst als minister van Financiën en daarna opnieuw als premier de economie grondig heeft gereorganiseerd langs neoliberale lijnen. Met de economie gaat het echter een stuk beter dan met het volk. De middenklasse is verarmd, de onderste lagen van de bevolking zijn aan het verpauperen, één van de vier Israëliërs leeft al onder de armoedegrens. Daartegen richt zich de protestbeweging. Netanyahu heeft de Tentenrevolutie dus aan zichzelf te danken.
Netanyahu’s hervormingen hebben de economische controle over Israël in handen gegeven van hooguit achttien families, algemeen bekend als de tycoons. De Dankners, Ofers, Tshuva’s, Azrieli’s Fishmans en consorten beheersen met hun banken, verzekeringsmaatschappijen, industrieën, vastgoedbedrijven, supermarkten en media samen een derde van de Israëlische economie. Dankzij gebrek aan concurrentie kunnen de tycoons hun producten en diensten peperduur maken. Buitenlandse concurrentie wordt op een afstand gehouden door torenhoge invoerheffingen. Verlaging van de inkomstenbelasting heeft de economische elite nog verder verwend. De verminderde inkomsten werden gecompenseerd door scherpe bezuinigingen op de sociale uitgaven en op subsidies voor bijvoorbeeld huisvesting, onderwijs, kinderopvang en openbaar vervoer. De indirecte belastingen werden intussen verhoogd, terwijl de loonstijgingen ver achterbleven bij de sterk verhoogde gezinsuitgaven. Nergens in de rijke landen, met als enige uitzondering de VS, is de kloof tussen rijk en arm zo diep geworden. Samengevat: de omgekeerde Robin Hood die premier van Israël is, heeft veel geld van de midden- en lagere inkomensgroepen overgeheveld naar de rijken. De socialistische pioniers van Israël zouden zich hebben omgedraaid in hun graf.

ALS IK MIJN oor bij de tentbewoners en demonstranten te luisteren leg, dan hoor ik meer dan protesten tegen de veel te hoge huren, de veel te dure boodschappen, de onbetaalbare kosten van de kinderopvang, de belachelijk lage lonen van docenten en artsen en ga zo maar door. Achter de klachten hoor ik boosheid over de teloorgang van nationale waarden als soberheid, solidariteit en het primaat van het collectieve belang. Sommigen noemen dat gebazel van socialistische nostalgici, maar het is een feit dat van hogerhand een extreem individualisme wordt aangewakkerd en dat de regering verbazend ongevoelig is geweest voor de materiële problemen van zovelen. Iedereen - behalve de ultra-orthodoxen - moet drie jaar in dienst en moet daarna in principe tot z'n 45ste ieder jaar een maand opkomen als reservist, maar als dank wacht een dagelijkse strijd om de eindjes aan elkaar te knopen. De meest gedreven protesteerders zien al een nieuwe maatschappij gloren waarin de Israëliërs opnieuw elkaars broeders en zusters zullen zijn. En hoewel ik op een spandoek de mei '68-leus 'Wees realistisch, eis het onmogelijke’ zag staan, denk ik toch dat het beter is de verwachtingen wat te temperen.
De regering heeft een commissie van economische experts benoemd die volgende maand met aanbevelingen over hervormingen moet komen. Maar Netanyahu hoeft die niet over te nemen. Hij heeft al gezegd dat Israël rekening moet houden met de financieel-economische wereldcrisis en dat er niet voor alles geld is. Waarschijnlijk vindt hij nergens geld voor. Zijn scheidende kabinetschef heeft het zelfs openlijk gezegd bij een bezoek aan het grootste tentenkamp in Tel Aviv: zolang Netanyahu premier is komt er geen verandering in de economische politiek. Eigenlijk zou dat geen verrassing moeten zijn. Netanyahu kan immers geen oplossing bieden van een probleem waarvan hij zelf een deel is. De protestbeweging heeft zelf ook een team van prestigieuze experts aangewezen, waarmee de regering zo mogelijk nog minder rekening hoeft te houden.
Alleen als de regering andere prioriteiten stelt kan er geld worden gevonden om de welvaartskloof te dempen. Het simpelst zou zijn de tycoons flink zwaarder te belasten, maar dat is niet voldoende. Dankzij bezuinigingen op de defensie-uitgaven zouden bijvoorbeeld ziekenhuizen kunnen worden gebouwd. Met de subsidies die nu nog de studenten van de godsdienstscholen en orthodox-joodse mannen in staat stellen zich fulltime aan torastudies te wijden, zou het onderwijs gesaneerd kunnen worden. De woningnood zou kunnen worden verlicht of misschien zelfs opgeheven met het geld dat nu nog naar de bouw van joodse nederzettingen gaat. De enorme kosten die de bezetting van de Westelijke Jordaanoever met zich meebrengt zouden het leven van de gewone Israëliër betaalbaar kunnen maken. Maar daarvoor moet er eerst een regering komen van een heel andere signatuur. En voordat die er komt zal de protestbeweging zich politiek duidelijker moeten uitspreken. Waarom gebeurt dat dan niet?

DE LEIDERS van de beweging willen de eenheid bewaren tussen de vaak zeer uiteenlopende groepen die aan de protestacties meedoen. Daarom willen ze zich politiek niet duidelijk uitspreken en weigeren ze vooralsnog zelf een partij op te richten. En daarom leggen ze de nadruk op wat de protestgroepen verenigt en houden ze omstreden kwesties als de nederzettingen, de opmars van de streng-religieuzen en het conflict met de Palestijnen voorlopig zoveel mogelijk buiten beeld. Kolonisten, ultra-orthodoxe joden en leden van de Arabische minderheid doen dan ook nauwelijks aan de protesten mee. Hoe zal deze rebellie van Israëls middenklasse aflopen? De regering schijnt te hopen dat de protesteerders het protesteren weldra moe worden en dat het leven dan zijn normale loop herneemt. Die houdt in dat de publieke aandacht als vanouds weer wordt gemonopoliseerd door veiligheidskwesties.
Een voorproefje hebben we misschien al gehad. Na de terroristische aanslagen van vorige week werden alle protestdemonstraties geannuleerd en vervangen door een fakkeltocht ter herdenking van de slachtoffers. En 20 september, de dag waarop de VN beslissen over de Palestijnse aanvraag om erkend te worden als lidstaat, nadert snel, en daarmee lopen ook de spanningen weer op. Volgens minister Lieberman zullen de Palestijnen direct na die datum ongekende bloedbaden gaan aanrichten. In die omstandigheden komt protesteren tegen het beleid van je eigen regering vrijwel neer op landverraad. Trouwens, die protesteerders zijn volgens Lieberman 'betaalde schreeuwers’. Door wie zouden ze zijn betaald? De tycoons soms?