Bericht uit Darfur (1)

De eerste weken: De kamelen tegen de ezeltjes

De komende weken doet op deze plaats een hulpverlener in Darfur verslag van de situatie die hij aantreft in de zwaar getroffen West-Soedanese regio. Gewapende militieleden, gesteund door het Soedanese leger, hebben tienduizenden mensen gedood en bijna een miljoen mensen op de vlucht gejaagd. In Darfur dreigen honger en ziektes het dodental nog veel hoger te maken. Wegens het repressieve karakter van de autoriteiten in Darfur kan de naam van de auteur noch zijn verblijfplaats worden vermeld.

Nog niet zo lang geleden volgde ik met toenemende zorg de bericht geving over Darfur in de kranten en op televisie. Nu vlieg ik vanuit Londen via Doha, Qatar, naar Khartoem. In Londen kreeg ik mijn «brief» voor mijn missie in Darfur. Mijn exacte plaatsing krijg ik te horen in Khartoem waar ook de operationele briefing volgt. Er is geen dag te verliezen.

Bij het inchecken in Doha word ik met een hartelijk «welcome to Sudan» begroet door een Soedanese medereiziger. En we zijn nog niet eens vertrokken naar zijn land. Gekleed in het traditionele spierwitte gewaad, met sierlijke witte hoofddoek en gewapend met een prachtige handbewerkte wandelstok, typeert hij de Soedanezen zoals ik ze me herinner: altijd vereerd als iemand hun land komt bezoeken. «Soedan, mijn vriend», voegt hij er lachend aan toe, «begint hier.»

Mijn opdracht is een nieuw kantoor van mijn organisatie te openen in West-Darfur, ergens tussen Nyala en Al Geneina. In Darfur zal ik mijn bijdrage leveren bij het helpen van de ontheemden. Het gaat om enorme aantallen; in West-Darfur zo’n 450.000 mensen en in Noord- en Zuid-Darfur komen daar nog eens een half miljoen bij. We hebben dit werk eerder gedaan, in Ethiopië, in Angola en in Somalië, maar het is zeker niet eenvoudig. Er zijn te veel prioriteiten: onderdak, voedsel, medische hulp, drinkwater en sanitair voor meer dan een miljoen daklozen. Na het weekend neem ik het vliegtuig naar Nyala, het eerste station op weg naar West-Darfur.

Terwijl het in Khartoem zo’n veertig graden is en kurkdroog, staat hier in het zuiden het regenseizoen voor de deur. De regen verandert Darfur in één klap van een dorre vlakte geteisterd door heftige zandstormen in een grote modderpoel. Voor vrachtwagens die voedsel naar veraf gelegen kampen moeten brengen is er geen doorkomen meer aan. De wegen zijn niet meer dan diepe geulen in dikke zuigende klei.

Eergisteren werden we overvallen door een zware onweersbui. Hagel en regen stortten op ons neer. Het was een imposant gezicht, de enorme wolken boven de vlakte voor ons waaruit tientallen bliksems knetterend naar beneden schoten. Totdat vijftien meter van ons vandaan de bliksem het onderkomen van een ontheemde familie trof. Twee kinderen vielen op de grond. Rook steeg op uit het hutje. We spoedden ons met de auto naar de kinderen en zagen aan hun spartelende armen en benen dat ze nog leefden. Vrouwen en meisjes kwamen krijsend op ons af, haast onverstaanbaar door het gedonder van de regen. De kinderen werden overhaast in de auto getild en met groot licht en luid claxonnerend naar het nabije hospitaal gereden. De dokter arriveerde opmerkelijk snel in een aftandse Land rover. De kinderen ademden nog, ze kwamen met de schrik vrij. En dit was nog maar een voorproefje van wat ons te wachten stond.

De regen kondigt het malariaseizoen aan. Voor de onbeschutte ontheemden is malaria een zekere bron van ziekte die soms leidt tot de dood. Cholera is nog erger en zeker voor ondervoede mensen levensbedreigend. Ook in het stadje Z., West-Darfur, huizen de ontheemden in armetierige skeletjes van takken, een haast symbolisch geraamte waaronder wat schamele spulletjes liggen. In twee kampen en verspreid over Z., dat oorspronkelijk dertigduizend zielen telt, leven zo’n zestigduizend ontheemden, blootgesteld aan de zinderende hitte of de stromende regen. In verband met de publieke gezondheid is het noodzakelijk de ontheemden buiten de stad onder te brengen. Overvolle pleintjes en schoolgebouwen zijn bronnen van ziektes. Maar de veiligheid van de mensen in de kampen buiten het stadje, op twee immense boomloze vlaktes, is een probleem. Mannen zijn, terecht, bevreesd om geslagen, gemarteld of zelfs gedood te worden door de Janjaweed, de milities van Soedanezen van Arabische afkomst. Dus sprokkelen vrouwen het hout. Maar ook zij lopen groot gevaar. Recentelijk werd een groep meisjes van tussen de negen en veertien jaar slacht offer van een groepsverkrachting.

In Nyala is inmiddels een leger van organisaties neergestreken. Het gonst van de witte Toyota four wheel drives en mannen en vrouwen die druk pratend in mobiele telefoons van de ene vergadering naar de andere lopen. Veel organisaties zijn maar schaars uitgerust, hebben geen eigen auto’s, geen communicatiemiddelen en vaak zelfs geen mensen, behalve dan diegenen die in Nyala plannen aan het maken zijn. Merkwaardig genoeg heeft Darfur wel de aandacht van de hulpverlenende organisaties getrokken maar niet de nodige slagvaardigheid opgebracht.

Hoewel veel organisaties maandenlang werden opgehouden door administratieve obstructies en procedures, zijn de meeste maatregelen sinds eind juni versoepeld. Mij lukte het om binnen een dag een inreisvisum te bemachtigen, een unicum in de Soedanese hulpverleningsgeschiedenis. Vaak duurde het weken, zelfs maanden totdat een visum werd afgegeven. Het is dan ook onjuist te stellen dat de Soedanese regering niets heeft gedaan om de toegang te bevorderen. Met dát argument kunnen hulporganisaties zich niet verdedigen.

Er is vooral behoefte aan meer mensen die hulp bieden in plaats van daarover te vergaderen. Veel ontheemden zijn acht maanden na het uitbreken van de crisis nog steeds verstoken van plastic dakbedekking, zeep, kookgerei en basissanitair. De meest voorkomende aandoeningen zijn diarreeziektes, vooral veroorzaakt door gebrek aan schoon water en hygiëne. Er zijn geen technologische hoogstandjes nodig om dit probleem te klaren, maar expertise en menskracht. Nu het regenseizoen begonnen is, wordt dit echter zeker niet makkelijker. En de klok tikt door.

Hoewel er in de kampen politie is gestationeerd, is de vrees van de getraumatiseerde bevolking groot. Uit gesprekken met ontheemden blijkt dat aangifte van geweld pleging geen zin heeft omdat er toch niets wordt ondernomen. Een vrouw met een zeer ernstig gezicht, gehuld in een helgeel gewaad, vertelt dat ze midden in het dorp door de Janjaweed verkracht is zonder dat iemand haar te hulp kwam. Ze durfde aangifte te doen, wat zeer vernederend is, en haar werd smalend medegedeeld: «Ga jij maar naar de khawajas (buitenlanders, hulpverleners — red), daar hoor je toch bij?» Haar gezicht verraadt gekrenktheid en nauwelijks ingehouden woede. Dit is wat de Janjaweed-milities beogen: vernedering. Hun boodschap: waag het niet buiten de kampen van de khawajas te komen.

Deze week een verificatiemissie gedaan op een aantal locaties in West-Darfur waar volgens de regering duizenden ontheemden vrijwillig naar zijn teruggekeerd. De rit naar West-Darfur is adembenemend. Een oeroud vulkanisch landschap op een hooggelegen plateau ontvouwt zich voor ons. Tientallen kleurrijke vogels zwermen rond, soorten die ik nooit heb gezien. De wadi’s, droge rivier beddingen, zijn nog niet volgelopen, en toch loopt onze four wheel drive vast — de reden dat reizen met twee voertuigen wordt voorgeschreven. In de bedding staat een gigantisch mangobos. De bomen met knalgroene kruinen torenen zo hoog dat de auto een nietig speeltje lijkt. Enkele apen dartelen rond. Verder is het doodstil, en hoewel het land rondom ons een en al vruchtbaarheid uitstraalt, is er geen activiteit te bespeuren.

Alle dorpen waar we doorheen rijden zijn leeg. De hutjes zijn tot de grond toe vernietigd en er zijn nog steeds, zeven à acht maanden na dato, brandsporen te zien. Waar huisjes van klei stonden, staan alleen nog verkruimelde restanten, als afgekloven taartranden. Bakstenen huisjes zijn ontdaan van daken, deuren en ramen. Onderweg zien we een eenzame Janjaweed-krijger, het wapen argeloos over de schouder. Hij kijkt op. Ik denk dat hij om een lift gaat vragen. Maar nee, hij loopt door. De Janjaweed hebben dit gebied stevig in handen. Op slechts enkele locaties wordt door nomaden een beetje kleinschalige landbouw bedreven. Voor de rest is dit een leeg gehaald, tot stilstand gebracht landschap.

In Kailek staat alleen de school er nog relatief ongeschonden bij. Het lommerrijke dorpsplein, dat ons koelte verschaft op deze hete dag, is idyllisch. Dat wil zeggen, als je de gebroken potten, achtergelaten kleding en schoenen, neergehaalde muren en plat gebrande huizen wegdenkt, stille getuigen van gruweltaferelen. Tussen de spullen op het marktplein ligt een opengeslagen schoolboek. Zou een kind hier nog hebben gepoogd iets te leren?

Hier zaten tot april zo’n duizend mensen op elkaar geperst, omringd door Janjaweed en leger. Ter bescherming, zeiden de Soedanese autoriteiten. De oorspronkelijke bevolking was al eerder vertrokken. Het betrof nu vooral vrouwen en kinderen uit omliggende dorpen die hier hun toevlucht zochten. Ze mochten het plein niet af, zelfs niet om brandhout of water te halen, of slechts tegen betaling in baar geld of goederen. Regelmatig werden vrouwen de wadi in gesleurd en verkracht. Wekenlang is dat doorgegaan totdat het lukte deze mensen te evacueren naar de kampen in Kass.

Het is nu stil op het plein, maar de gebroken potten, verschroeide kleren en schoenen doen denken aan een concentratiekamp.

De gevreesde leden van de Janjaweed-milities zijn alom present, maar vertonen zich zelden in grote groepen. Rijdend over de hoogvlakte van Jebel Marra passeren we talloze wegversperringen bemand door arrogante Janjaweed. Ze hangen op een stoel onder een boom en wuiven vagelijk in onze richting. Ze nemen niet eens de moeite ons tegen te houden. Ze hebben het vooral gemunt op commercieel vrachtverkeer dat tol moet betalen. Zelfs de lokale autoriteiten in Z. beklagen zich hierover, maar het lukt ze niet iets aan de illegale wegversperringen te doen. Waarom het leger niets doet blijft een onbeantwoorde vraag. Soms zien we Janjaweed op kamelen, in camouflage-uniform en bewapend. Totaal op hun gemak. Achter ons kruisen ze de weg zonder acht op ons te slaan. Het geeft de verhoudingen duidelijk weer. Nog geen vijf kilometer terug zagen we groepen vrouwen hout sprokkelen, kilometers van hun kamp vandaan. Een hachelijke onderneming. En hier rijdt mijnheer Janjaweed doodgemoedereerd rond; dit land is van ons, wil hij maar zeggen.

In het stadje sta ik voor de kantoren van een van de hulporganisaties te wachten als een karavaan van vijf aaneengeregen kamelen sloom langs komt sjokken. Het is een sprookjesachtig tafereel, regelrecht uit Duizend-en-één-nacht. Maar de mannen die voor het kantoortje staan zijn niet gecharmeerd. Hun gesprek verstomt als de karavaan passeert. Ze kijken naar de grond, zij zijn dan ook allen lid van de Fur-stam, familie en medestamleden van de opgejaagde bevolking. Terwijl de karavaan zich langzaam van ons verwijdert — op de laatste kameel zit een vrouw in prachtig gewaad gracieus zijlings op het hoge zadel — mompelen de mannen nauwelijks verstaanbaar: «Janjaweed.» Hoe weten ze dat dan? Deze mensen waren toch niet gewapend? Jawel, onder hun kleding, zegt een van de jongens. Wat komen ze hier dan doen; van de autoriteiten mogen de Janjaweed deze stad niet betreden. Dat is wel zo, maar ze komen naar de markt om kleding en voedsel te kopen, wordt er gezegd.

Dan arriveert een groep mannen op ezeltjes. Ze worden hartelijk begroet. Kamelen tegen ezels. De Fur prefereren de ezel als last- en werkdier. In Z. domineert het dier het straatbeeld. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat gonst de stad van het gebalk. Daarentegen is de kameel het last- en vervoermiddel als mede het kapitaal van de nomadische Bedu, waarvan de Janjaweed de gewapende milities vormen.

Het begrip «Janjaweed» heeft mythologische proporties aangenomen. Zowel de bevolking als een groot deel van (soms nogal naïeve) hulpverleners wijt alles wat slecht is aan de Janjaweed. Dat vergroot de vrees voor de milities, en dat is precies wat die willen. Met hun gerichte gewelds- en verkrachtingscampagne willen ze ook angst zaaien bij mensen die het alleen van horen zeggen hebben. De campagne lijkt te slagen, te oordelen naar het tafereel hierboven beschreven. De kleine karavaan was misschien gewoon een eenvoudige nomadenfamilie die probeert te overleven. De nuance is een aspect dat ook in de hulpverlenende wereld maar al te makkelijk over het hoofd wordt gezien. Het is simpeler de complexe situatie in zwart-wit, goed-slecht, Janjaweed versus niet-Janjaweed te beschrijven. Of: de kamelen tegen de ezeltjes.