De Eerste Wereldoorlog

‘Ons bloed vloeit in stromen. Overal om me heen de meest afgrijselijke verwoesting. Dode en gewonde soldaten, dode en stervende dieren, paardenkadavers, uitgebrande huizen, omgewoelde velden, voertuigen, kleding, wapens. Ik had niet gedacht dat oorlog zo zou zijn.’

In heel Europa zal dit jaar aandacht worden besteed aan de Eerste Wereldoorlog. De NRC had er dit weekeinde al vijf informatieve bladzijden over. Het citaat komt uit de bespreking van Max Hastings’ Catastrophe: Europe Goes to War 1914. Hastings trof het aan in een brief van de 24-jarige Duitse soldaat Paul Hub, eind oktober 1914.

Wat had Paul Hub anders verwacht van de oorlog dan dood en verwoesting? Waar waren de soldaten op voorbereid? Hoe dachten ze terwijl de slachting aan de gang was? 2014 wordt een jaar om een aantal monumentale boeken over de grote oorlog te lezen of te herlezen.

Ik pakte Ernst Jünger weer op. Zijn Oorlogsroes (Nelleke van Maarens vertaling van In Stahlgewittern) geeft zo´n indringend beeld van het front dat je het boek steeds zou willen wegleggen. Maar dat gaat niet: Jünger weet je mee te slepen. Ik denk dat hem dat lukt door het contrast tussen zijn verbazingwekkend montere toon en de pijnlijke gedetailleerdheid van zijn verslag. Je raakt gewend aan de eentonigheid van de gruwelijkheden, en daardoor ga je begrijpen in wat voor roes de oorlog hem bracht:

‘Eerst liet ik de secties verzamelen achter drie brokken beton ‒ ze telden elk nog tussen de vijftien en twintig man. Op dat moment sloeg het vuur ook op ons over. Er brak een onbeschrijflijke verwarring uit. Bij het linkerblok beton vloog een hele groep de lucht in, de rechter kreeg een voltreffer en begroef de eerste luitenant Büdingen, die daar nog steeds gewond lag, onder tonnenzwaar puin. We zaten gevangen als in een vijzel waar we onophoudelijk in elkaar werden gestampt. Lijkbleke gezichten staarden elkaar aan, steeds weer klonk het geschreeuw van gewonden. In de gegeven omstandigheden maakte het niets uit of we bleven liggen, naar achteren of naar voren wegvluchtten. Ik gaf dus bevel mij te volgen en rende het vuur in.’

De kick van het gevaar: ‘Met een korte, metalige klik springt de vergrendeling van het pistool terug ‒ een geluid dat als een mes door je zenuwen snijdt. Je tanden knarsen op het afvuurtouw van de handgranaat. De botsing zal kort en moordend zijn. Twee overweldigende gevoelens doen je huiveren: de meeslepende opwinding van de jager en de angst van het wild.’

Als ik Jünger weer uit heb, ga ik Siegfried Sassoons Memoires van een infanterieofficier lezen (vertaling door Fritz Boeringa). Sassoon beantwoordde in het begin van de grote oorlog aan het beeld dat Jünger vol respect van de Engelsen schetst: vermetel en strijdlustig. Die houding veranderde toen hij, zwaar gewond, tijdelijk naar huis was gestuurd. Hij wilde verdere dienst weigeren, maar zijn nieuwe inzichten werden niet serieus genomen en hij werd weer naar het front gestuurd. Zijn ooggetuigenverslag is net zo onomwonden als dat van Jünger. Neem de instructies voor het gebruik van de bajonet:

‘De bajonet is in wezen een aanvalswapen. Tijdens een bajonetaanval gaan alle gelederen voorwaarts om te doden of gedood te worden en alleen degenen die door continue training de nodige vaardigheid en kracht hebben verworven, zullen in staat zijn te doden.’

Jünger was op zijn negentiende enthousiast de oorlog in gegaan. Hij gelooft in de vormende kracht van de actie en de opwinding: ‘Opgegroeid in een tijd van veiligheid, hunkerden we naar het ongewone, het grote gevaar. En de oorlog was over ons gekomen als een roes. In een regen van bloemen waren we vertrokken, in een dronkenschap van rozen en bloed. De oorlog zou het ons immers allemaal brengen ‒ grootsheid, kracht, waardigheid.’

En zo stapte Sassoon de oorlog in, aan de andere kant van het front: ‘Er steekt een gevoel van hervonden geluk in de glimp die ik van mezelf opvang, als ik mijn huisje uitkom met een geweer over mijn schouder. Er was niets mis met het leven op die mooie ochtenden, toen de lucht nog zo fris rook en mijn lichaam jong en krachtig was, en ik haastte me de witte weg af, de lege straat over en de heuvel op naar het oefenterrein. Ik was net een jongen die vroeg naar school ging, alleen werd er geen bel geluid en in plaats van Thucydides of Vergilius had ik een geweer bij me. Als ik even vergeet dat ik aan het front was, om beschoten te worden, kon ik mezelf haast feliciteren met een gratis vakantie in Frankrijk.’


Ernst Jünger
Oorlogsroes (In Stahlgewittern)
vertaling Nelleke van Maanen, nawoord Peter Claessens
Oorlogsdomein nr. 6, Uitgeverij De Arbeiderspers, 2002

Siegfried Sassoon
Memoires van een infanterieofficier
vertaling Fritz Boeringa
Uitgeverij IJzer, 2003