De eerste zwarte inwoners

Ingmar Heytze
Elders in de wereld
Podium, 59 blz., € 15,-

Wat een gangster van doen heeft met Nel Benschop? Lees Ingmar Heytze:

Toen het cement zich sloot boven mijn hoofd

viel er toch iets van me af. Rust nu maar uit,

dacht ik met de dode dichteres die recht

van spreken heeft, je hebt je strijd gestreden.

Het is een hilarisch gedicht, Gangsterliefde uit Heytzes nieuwste bundel Elders in de wereld, en daarbij vakkundig gemaakt. Verschillende registers, de religieuze poëzie, de gewelddadige film, laat Heytze botsen en tegelijkertijd vloeiend in elkaar overlopen. De overbekende, en in rouwadvertenties nog altijd veel geciteerde woorden van Nel Benschop in de mond leggen van een gangster die op het punt staat de meest gruwelijke dood te sterven – ‘geniet maar van de koele mortel om je heen’ –, kom er eens op. En dat alles in een ritmisch beheerst gedicht, waarin geen woord te veel staat en waarin het rijm op subtiele wijze een verbindend element is.

Dat Heytze een dichter is die zijn vak verstaat, wisten we al uit zijn eerdere werk. Hij is een dichter van deze tijd, een die televisie kijkt (weet heeft van gekke programma’s als Korenslag) en gebruikmaakt van moderne technische snufjes, maar die zich ook nog altijd het hoofd breekt over de Grote en Eeuwige thema’s (‘Omdat de wereld om mij heen staat en ik niets herken’) en in het op papier krijgen van dat alles verloochent hij zijn literaire wortels niet. Steevast staat in de verantwoording van zijn bundels te lezen: ‘Elke gelijkenis met poëzie en proza van anderen in flarden, echo’s of citaten is louter opzet.’ Bij Heytze betekent die opmerking zo veel als dat werkelijk alles wat hij ziet, leest of hoort terecht kan komen in zijn poëzie. Onderscheid tussen hoog of laag, klassiek of populair, gedicht of smartlap, wordt daarbij niet gemaakt. Met een soort nonchalance wordt al dat materiaal vervlochten, maar die achteloosheid is maar schijn. Hecht timmerwerk, dat is het eigenlijk meer. Regelmatig vertaalt Heytze werk van bewonderde schrijvers, of beter, maakt hij vrije bewerkingen. In Elders in de wereld vinden we bijvoorbeeld bewerkingen van Mark Haddon (in Nederland bekend geworden als auteur van de roman Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht). Die vertalingen worden gedichten die aandoen als originele Heytzes, zoals Madurodam. Opnieuw is het perspectief intrigerend: een van de bewoners van dit mini-Nederland beschrijft de wereld om hem heen. Deze blik van ‘onder de plataan op het plein’ biedt ruimte voor commentaar op de veranderende wereld, die van Madurodam en, tussen de regels door, de echte. Zo laat hij optekenen: ‘Dit jaar zagen we onze eerste zwarte inwoners/ (de Van Dijkjes zijn overgeschilderd).’

Soms heeft Heytze een ontregelende kijk op de dingen. Wandelend op een meubelboulevard stelt een ‘ik’ zich ineens voor dat iedereen ‘is gemonteerd/ met zo’n sleuteltje’. Elders gaat de techniek een eigen leven leiden, zoals in TomTom, waarin het navigatiesysteem met damesstem ineens ongevraagde adviezen geeft. TomTom als een moderne god. Zij die eens de dichter vertelde waar hij naartoe moest, leidt hem nu af van die rechte weg. Het heeft iets angstaanjagends, een wereld waarin de techniek het overneemt. Maar het gedicht is ook een verfrissend commentaar op het klakkeloos volgen van een stem: de dichter wordt weer een ‘eenzame cowboy’. Heytzes Elders in de wereld is helder en licht. Soms misschien iets té licht, een enkele keer stijgt het nauwelijks boven de aardige anekdote uit. En minder ook dan wel eens het geval is geweest, laat Heytzes absurditeit je hard schaterlachen. Is dat erg? Nee. Een jaar of tien geleden, in de tijd van zijn debuut, was Ingmar Heytze een van de gangmakers van het Utrechtse podiumcircuit. Poëzie diende te staan, op het papier én op het podium, gedichten als vorm van vermaak. Nu, in 2008, lijkt Heytzes poëzie minder op direct effect gericht en beweegt ze zich van het podium af. Parodieën als zijn blazende Raggende manne-versie van Koplands Jonge sla – ik hoor hem dit gedicht Warme stront nog bulderen tijdens een Nacht van de Poëzie in Vredenburg – lees je niet meer. Liefst zou de dichter Heytze geheel uit beeld verdwijnen, wegvallen ‘tegen de bekleding van een volle stadsbus/ of op te lossen in de veelkleurige draak van de zaterdagse winkelstraat’. Maar juist als hem dat bijna is gelukt, haalt de dichter fel uit naar zijn vermeende critici ‘de smalende redactie van De Onaantastbare Onleesbaarheid’, er lijken nog enkele oude rekeningen verefGfend te moeten worden. Mij lijkt dat niet nodig. Heytze laat met zijn ‘leesbare gedichten’ opnieuw zien dat achter glasheldere eenvoud groot raffinement schuilgaat. In een van zijn eerdere bundels schreef hij:

‘Ik timmer woorden aan elkaar/ tot iets dat af en toe blijft drijven’. Het lijkt me welhaast de perfecte omschrijving van zijn dichterschap. Zijn beste gedichten zijn als een stevig vlot, tegen hoge golven bestand.