Essay De vermiddenoostelijking van de wereld

De eeuw van de emoties

Willen we de wereld van vandaag in al zijn complexiteit kunnen begrijpen, dan moeten we inzien door welke emoties mensen worden gedreven. De angstcultuur van Europa contrasteert met de cultuur van de hoop van Azië. ‘Als wij westerlingen vandaag naar het Oosten kijken, daagt het pijnlijke besef dat we misschien een blik werpen op onze eigen toekomst, een toekomst waarover we geen controle hebben.’

IN DEZE TIJD VAN GLOBALISERING zijn emoties onontbeerlijk geworden om greep te krijgen op de complexiteit van de wereld. Mede omdat ze in vergrote vorm door de media worden gepresenteerd, zijn ze zowel de weergave van als de reactie op de globalisering, en beïnvloeden ze op hun beurt de geopolitiek. Globalisering mag de wereld dan ‘plat’ hebben gemaakt, om de beroemde metafoor van de journalist Thomas Friedman aan te halen, maar ze heeft de wereld ook gepassioneerder gemaakt dan ooit.
In zijn boek The Lexus and the Olive Tree definieert Friedman globalisering als het internationale systeem dat in de plaats is gekomen van de Koude Oorlog. In tegenstelling tot de Koude Oorlog is globalisering geen statisch, maar een dynamisch en voortdurend proces waarbij sprake is van de onverbiddelijke integratie van markten, natiestaten en technologieën; in nooit eerder vertoonde mate en op een manier die individuen, ondernemingen en landen in staat stelt verder, sneller, dieper en goedkoper dan ooit de wereld te ‘bestrijken’. Datzelfde proces produceert ook een krachtige tegenreactie bij degenen die door het nieuwe systeem grof bejegend of in de steek gelaten worden.
Voor veel mensen, vooral critici, staat globalisering gelijk aan amerikanisering. De verbreiding van de Amerikaanse invloed – politiek, economisch en cultureel – gaat minstens terug tot de Tweede Wereldoorlog, maar deze verwierf nieuwe kracht na het einde van het sovjetrijk in 1991, toen de Verenigde Staten als de enige supermacht in de wereld overbleven. Het almaar naar elkaar toe groeien van de economieën en culturen in de wereld komt in wezen neer op een eenwording op Amerikaanse voorwaarden.
Maar als we beter kijken, zien we dat die zienswijze te simplistisch is. De realiteit is dat terwijl de culturele invloed van de VS op nooit eerder vertoonde wijze de hele wereld doordrenkt het Westen economisch gezien wordt bijgehaald door Azië. De huidige fase die de globalisering beleeft, weerspiegelt de volwassenwording van het Aziatische continent, resulterend in een verschuiving van de economische macht van een door Amerika gedomineerd Westen naar China en India. Globalisering is daarom te beschouwen als de combinatie van twee niet vergelijkbare verschijnselen, die we kunnen zien als contradictoir of complementair. Enerzijds zijn we getuige van de impact van de culturele amerikanisering van de wereld. De Franse econoom Daniel Cohen meent dat de geleidelijke daling van de geboortecijfers op het zuidelijk halfrond het rechtstreekse resultaat is van de populariteit van Amerikaanse televisieseries; gezinnen met twee kinderen zijn een universeel ideaal geworden.
Anderzijds betekent de economische opkomst van Azië het einde van het monopolie van het westerse model. Het westerse overwicht in de wereld – halverwege de negentiende eeuw begonnen met de vestiging van het Britse bestuur in India en met de val van de laatste Chinese keizer in 1912 – lijkt ten einde te komen. Voor historici gespecialiseerd in wereldrijken is dat geen verrassing: die weten al lang dat de opkomst en het verval van imperia een cyclisch patroon volgen. Dit leidt tot een situatie van asymmetrische multipolariteit: de belangrijkste spelers op het wereldtoneel zijn niet alleen ongelijk wat macht en invloed betreft, maar ze verschillen ook spectaculair in hun wereldbeeld. Terwijl Amerika en Europa de wereldpolitiek nog altijd benaderen op een normatieve manier, op basis van een geloof in universele waarden, lijkt het China en India en nu ook postcommunistisch Rusland veel minder te interesseren hoe de wereld eruit dient te zien; belangrijker vinden ze hun eigen machtspositie daarbinnen.

NOG GEEN TWINTIG jaar geleden, onmiddellijk na de val van de Berlijnse Muur, voelde het Westen zich superieur vanwege zijn democratische waarden, die meer dan voldoende compensatie waren voor het feit dat een land als het herenigde Duitsland het economisch niet goed maakte. Maar vandaag de dag wordt de democratische kern van het Westen niet langer als compensatie gezien voor het gebrek aan economische slagkracht. Misschien zijn emoties deels weer op de voorgrond van het internationale toneel getreden omdat het Westen niet meer kan terugvallen op zijn waarden, noch op zijn vervagende economische suprematie, en reageert het daarom op mondiale veranderingen met een zekere bitterheid, en met het verlangen om zijn gekoesterde open samenleving te beschermen tegen vijandige krachten.
Maar de voornaamste reden dat de globaliserende wereld van vandaag de ideale voedingsbodem is voor het opbloeien en zelfs exploderen van emoties, is dat globalisering onzekerheid veroorzaakt en de identiteitsvragen oproept. Ten tijde van de Koude Oorlog was er nooit reden om te vragen: ‘Wie zijn wij?’ Het antwoord was voor iedereen zichtbaar op elke kaart, die de twee rivaliserende systemen toonde die de aarde onderling verdeelden. Maar in een voortdurend veranderende wereld zonder grenzen is die vraag uitermate relevant geworden. Identiteit houdt nauw verband met vertrouwen, en vertrouwen (of het gebrek eraan) komt tot uiting in emoties – in het bijzonder in gevoelens van angst, hoop en vernedering.
Ik wil daarmee niet zeggen dat het hedendaagse terrorisme een direct resultaat is van globalisering. Terroristen zijn altijd grenzen overgestoken om hun doelen te verwezenlijken (met name in het negentiende-eeuwse Europa), en het terrorisme van al-Qaeda vindt zijn wortels in de specifieke politieke situatie van het Midden-Oosten, die van vóór de globalisering stamt en zich daarvan ook duidelijk onderscheidt. Nieuw echter is de impact van communicatie- en vervoersrevoluties op de strategie en tactiek van de terroristen, waarbij de mediarevolutie (met inbegrip van internet) heeft gezorgd voor nieuwe en krachtige klankborden voor de terroristische boodschap. Nieuwe technologieën hebben een wereld geschapen waarin, om Churchill te parafraseren, ‘nooit eerder zo weinigen in staat zijn geweest om zo veel anderen zo veel kwaad te doen’.
In een wereld waarin het Westen geen monopolie op de media meer heeft, kan vanuit allerlei invalshoeken verslag worden gedaan van gebeurtenissen en conflicten. Bij de invasie van Libanon door Israël in de zomer van 2006, bijvoorbeeld, leek het om twee volkomen andere oorlogen te gaan al naar gelang je de berichten via Al-Jazeera volgde of via CBS. In de wereld van vandaag heeft iedereen niet alleen toegang tot voortdurende informatie, maar ook tot het hele spectrum van zich openbarende emoties. Nu Amerikaanse tv-series tot in alle uithoeken van de wereld te zien zijn en bijna universele referentiekaders zijn geworden, weten de armen hoe de rijken leven en vice versa. Dientengevolge is het voor de rijken steeds moeilijker geworden om de armen van deze wereld te negeren, al was het maar omdat ze ’s avonds op het nieuws getuige zijn van hun woede. Veel arme mensen wagen hun leven door zeeën over te steken of over muren te klimmen om de wereld van de rijken te betreden; bij anderen die thuisblijven groeit een bestendige haat jegens de rijken die zich opzettelijk niets aantrekken van hun ellende.
In een transparante wereld zijn de arme mensen niet langer onbekend met de wereld van de rijken, en de rijken hebben niet langer het voorrecht hun hoofd in het zand te kunnen steken. Ze kunnen ervoor kiezen om de tragiek in de ontwikkelingswereld te negeren, maar dan is dat een keuze die ze bewust moeten maken, en steeds meer op eigen risico. ‘Niet handelen is ook handelen’, zei de theoloog Dietrich Bonhoeffer. Niet interveniëren ter verlichting van het lijden in de wereld is nu ook een vorm van interventie geworden. Met de globalisering is er een universeel ijk- en vergelijkproces op gang gekomen dat het Westen kwetsbaarder maakt. Dat geldt zelfs in vergelijking met het tijdperk van de Koude Oorlog en zijn altijd aanwezige dreiging van nucleaire vernietiging – een dreiging die zowel minder gemediatiseerd als zichtbaarder was en daarom, achteraf gezien, in emotioneel opzicht beter beheersbaar en zelfs ‘geruststellend’. Toen Oost en West tegenover elkaar stonden, gescheiden door een metaforische muur (in Berlijn tastbaar gemaakt in een betonnen versie), was er sprake van één vijand die gemakkelijk herkenbaar was, zich liet analyseren, kon worden afgeschrikt en met wie kon worden onderhandeld. Dat is nu allemaal veranderd, en de vijand stamt niet alleen uit een ander cultureel en godsdienstig kamp, maar ogenschijnlijk ook uit een ander tijdperk, met premoderne referentiekaders op historisch en politiek vlak.
Was de twintigste eeuw zowel ‘de Amerikaanse eeuw’ als ‘de eeuw van de ideologie’, nu wijst alles erop dat de 21ste eeuw ‘de eeuw van Azië’ en ‘de eeuw van de identiteit’ wordt. De gelijktijdige verschuivingen van ideologie naar identiteit en van West naar Oost betekenen dat emoties belangrijker dan ooit zijn geworden voor de manier waarop we de wereld beschouwen. In dit tijdperk van globalisering, nu alles en iedereen met elkaar in verband staat, is het belangrijk om je individualiteit te doen gelden: ‘Ik ben uniek, ik ben anders, en ik ben desnoods bereid om net zo lang te vechten totdat jij mijn bestaan erkent.’ Een Slowaak is geen Tsjech en een Montenegrijn is geen Serviër. In een door identiteit beheerste wereld zijn het niet zozeer onze politieke overtuigingen en ideeën die ons kenmerken, maar gaat het veeleer om de perceptie van onze eigenheid, om het vertrouwen dat we ontlenen aan onze prestaties en om het respect dat we van anderen krijgen of juist niet. Emoties zijn tegelijkertijd het beeld in de spiegel en het oog van de persoon die naar dat beeld kijkt. Je vreest iemand, je wordt vernederd door iemand, en zelfs in het geval van hoop word je geïnspireerd door het succes van iemand anders. Zulke verstrengelde, wederzijds afhankelijke emoties vormen de sleutel tot het begrip van een door identiteit beheerste wereld.

MAAR WAT IS het specifieke, concrete verband tussen emoties en geopolitieke conflicten? Is het mogelijk om verder te kijken dan veralgemeningen over emoties en daadwerkelijke gedragspatronen te zien die helpen verklaren wat er gebeurt op het wereldtoneel? Ik geloof van wel. En dat het ‘in kaart brengen van emoties’ een manier is om zulke patronen te herkennen. Daarbij gaat het erom om heel uiteenlopende elementen samen te brengen, zoals enquêtes en de publieke opinie (wat mensen vinden van zichzelf, van hun heden en van hun toekomst), de uitspraken van politieke leiders en culturele voortbrengselen, zoals films, toneelstukken en boeken. Met name architectuur is daarbij betekenisvol, aangezien de bouwkunst de weerspiegeling is van de manier waarop een samenleving zichzelf op zeker moment besluit te profileren in de ruimte. Zo is er geen aanzet tot begrip van het Israëlisch-Palestijnse conflict denkbaar zonder dat we de emotionele dimensie ervan inzien. Natuurlijk betreft het hier een conflict over land, veiligheid, welvaart en soevereiniteit, maar het is ook beladen met emoties. Een vooraanstaand lid van de Palestijnse elite gaf me ooit een memorabele beschrijving van hoe zijn volk zich voelde: ‘Het is alsof je door de straten van je geboortestad loopt en er opeens boven je hoofd iemand uit het raam wordt gegooid die je verplettert zodra hij de grond raakt.’ De onfortuinlijke passant is natuurlijk de Palestijn; de Europeaan is de persoon die die persoon uit het raam gooit; en diens slachtoffer, die op zijn beurt de Palestijn onderdrukt, is de Israëlische jood. Hoe verzoen je twee volkeren met verschillende emotionele landschappen wanneer de exodus naar Palestina voor het ene volk het wonder van zijn wedergeboorte betekent, terwijl diezelfde Naqba voor het andere volk gelijkstaat met zijn rampzalige nederlaag en onderdrukking?
Ik beschouw het Palestijns-Israëlische conflict niet alleen als de matrix van de internationale betrekkingen, maar ook als een archetypisch treffen tussen twee van de primaire emoties die ik in dit boek beschrijf: vernedering en angst. Uit een absolute en unieke tragedie is een natie geboren; een ander volk is verpletterd en onderdrukt door een slachtoffer dat blind is geworden voor andermans leed door de immensiteit van zijn eigen lichamelijke en psychische verwondingen. Er is niets emotionelers denkbaar dan deze tragische confrontatie die zich voltrekt op een wereldtoneel dat nog altijd wordt gedomineerd door de botsende schuldgevoelens van een West-Europese wereld, verscheurd door de herinnering aan het antisemitisme en aan het kolonialisme.
Als de wereld toestaat dat er geen oplossing komt voor het Israëlisch-Palestijnse conflict zou dat geschil heel goed de belichaming kunnen worden van de relatie tussen het Westen en de Arabisch-islamitische wereld in zijn geheel. Als het Westen er niet in slaagt een einde te maken aan deze gevaarlijke botsing tussen vernedering en angst die in de wereld plaatsvindt tussen zichzelf en de Arabisch-islamitische fundamentalisten bestaat het gevaar dat het wordt veroordeeld tot onverbiddelijk verval en tot verbanning uit het middelpunt van de geschiedenis naar de marges ervan. En waar vinden we de hoop? Hoop vond ik in Azië. Na mijn vele Aziatische reizen, in het bijzonder na terugkomst uit Mumbai en Singapore, ben ik ervan overtuigd geraakt dat de stemmingskloof tussen Azië en de rest van de wereld enorm is en almaar wijder wordt. Tijdens het laatste World Economic Forum in Davos, in januari 2008, heerste er een schril contrast tussen het doemdenken van de westerse vertegenwoordigers en de opgewekte veerkracht en het zelfvertrouwen van de Aziaten.
Door te focussen op emoties benadruk ik een nieuwe realiteit, die in simpele bewoordingen is samen te vatten: in het tijdperk van globalisering is de relatie met de Ander fundamenteler geworden dan ooit. In ons huidige mondiale tijdperk komt de absolute Ander niet alleen uit een andere, niet-westerse cultuur maar in zekere zin zelfs uit een andere eeuw; die Ander vermengt een nagenoeg tribale denkwijze die doet denken aan onze eigen Middeleeuwen met de technologische instrumenten van het heden. En deze Ander roept niet alleen ons verleden van religieuze onverdraagzaamheid en oorlogsgeweld op, maar zou ook onze toekomst kunnen belichamen. In de ogen van het Westen konden niet-westerlingen tot voor kort alleen slagen als ze het westerse model volgden; ze zouden falen als ze vasthielden aan hun tradities. Als wij westerlingen vandaag naar het Oosten kijken, daagt het pijnlijke besef dat we misschien een blik werpen op onze eigen toekomst, een toekomst waarover we geen controle hebben.
Met de opkomst van Azië als een uitdaging en de verschijning van het fundamentalisme als een bedreiging wordt het Westen vandaag de dag geconfronteerd met serieuze vragen over zijn identiteit. In deze tijden van globalisering zijn de relaties met de Ander zo’n centrale rol gaan spelen dat we worden gedwongen om onze eigen essentie te herdefiniëren. Wie zijn wij? Wat maakt ons zo bijzonder en anders? Die opdracht blijkt veel moeilijker te zijn voor iemand uit het Westen, die eraan gewend is de wereld te duiden in termen van ‘wij’ en ‘zij,’ dan voor een Chinees of een Indiër, die eraan gewend is te leven in parallelle werelden: zijn eigen wereld én de door het Westen gedomineerde wereld. Omdat wij in het Westen nog altijd geneigd zijn onszelf als het centrum van de wereld te zien, staat onze kernidentiteit sterker onder druk – ze wankelt zelfs – dan die van Aziaten. Zij slagen erin zichzelf te blijven terwijl ze ondertussen net zo worden als wij.
Voor velen is geografie niet langer een vaststaand feit, maar een kwestie van keuze. Kijk naar het geval van de Verenigde Arabische Emiraten. Geografisch gezien liggen die duidelijk in het Midden-Oosten. Maar in psychologisch, economisch en emotioneel opzicht liggen ze in Azië, aangezien ze zich heel bewust en nadrukkelijk hebben aangesloten bij de cultuur van hoop, geholpen door de unieke combinatie van hun enorme energiebronnen en hun geografisch en demografisch beperkte omvang. Singapore is duidelijk en onverholen hun voorbeeld. Tegenover de ‘aziatisering’ van de Golfstaten staat de ‘arabisering’ van de Aziatische islam, van India tot Thailand. Radicale emoties stammend uit het Midden-Oosten zijn in de afgelopen vijftien jaar in het islamitische deel van Azië gestaag in omvang toegenomen. Kun je een goede moslim zijn als je je geen Arabier voelt, je niet gedraagt als een Arabier en niet dezelfde bekommernis deelt met het lot van de Palestijnen, met het verzet van de ‘aanhangers van het ware geloof’ tegen de Amerikaanse en zionistische imperialisten? Terroristische groepen in landen van Algerije tot Saoedi-Arabië worden gefinancierd door ‘liefdadigheidsinstellingen’ die voornamelijk steun krijgen uit Azië, en van India tot Thailand zijn moslimminderheden als gevolg van deze arabisering onverdraagzamer geworden, als je kijkt naar hun emoties en culturele identiteit. Van Singapore tot China en van India tot Maleisië vormt deze radicalisering van de islam een onderwerp van internationale bezorgdheid.
Dit dubbele proces van islamisering (of zelfs jihadisering), aan de ene kant geworteld in Azië, aan de andere geïmporteerd uit het Midden-Oosten – parallelle tendensen die elkaar versterken – is een gevaarlijke tijdbom, die elk moment kan ontploffen. En de ‘vermiddenoostelijking’ van de wereld houdt niet op in Azië. Deze strekt zich uit naar het Westen, in het bijzonder naar het Europese continent. De Indiase artsen die in de zomer van 2007 tevergeefs grote terreuraanslagen probeerden te plegen in Londen en Glasgow vormden een hoogst spectaculaire uitdrukking van dit verschijnsel, na de tragische aanslagen in Madrid in maart 2004 en die in Londen in juli 2005. Het bestaan van dit vanuit India opererende netwerk in Groot-Brittannië is een teken dat India zelf ook niet immuun is voor het fundamentalisme, en betekent meer in het algemeen dat democratie geen echte bescherming biedt tegen het extremisme van boze en vastberaden minderheden.
Inzien dat delen van delen van de wereld ‘vermiddenoostelijken’ is één ding, maar de wereld uitsluitend door die ene bril bekijken is iets heel anders. Men kan niet reageren op de tragische complexiteit van de wereld met té eenvoudig voorgestelde algemeenheden en makkelijke antwoorden. Wat het in kaart brengen van emoties zo moeilijk maakt, is niet alleen het bestaan van krachtige tegenkrachten en wederkerige invloeden, maar ook het feit dat gevoelens van angst, vernedering en hoop altijd overal in wisselende proporties aanwezig zijn – afhankelijk van het continent, de regio’s, de landen en vooral van de periode. Anders gezegd, in Europa zien we Aziatische ‘enclaves’ ontstaan naast enclaves van het Midden-Oosten, de ene als positieve invloed, de andere als een potentieel gevaarlijke.
Een land als Estland bijvoorbeeld, een van de meest dynamische in Europa, heeft tot voor kort een groei van het bbp van meer dan tien procent per jaar beleefd, waardoor het land qua economische prestaties dichter bij Azië staat dan bij de rest van Europa. Sterker nog, heel noordelijk Europa, vanaf de Baltische republieken en met inbegrip van Ierland, maakt eerder deel uit van de cultuur van de hoop dan van de angstcultuur.
Intussen lijkt het Midden-Oosten uit te breiden, reikend van Algerije, Tunesië en Marokko in het westen, tot Pakistan en Afghanistan in het oosten. Tegelijkertijd is er ook daar meer dan ooit sprake van een uitermate verdeelde realiteit. Iraniërs hebben niets uit te staan met Arabieren en evenmin met Turken. In zijn huidige geografie is Turkije onmiskenbaar Aziatisch, terwijl Turkse elites, door de meeste Europeanen doorgaans beschouwd als Aziatische moslims, zichzelf uitroepen tot Europees en lid van de Europese Unie willen worden.
HET BEHOORT TOT de taak van regeringen om de emoties van hun respectieve bevolkingen te bestuderen, er munt uit te slaan als ze positief zijn, en te pogen het tij te doen keren of ze binnen de perken te houden als ze negatief zijn. Maar wil men aan die verplichting voldoen, dan moet er eerst een poging gedaan worden tot een diagnose van de emotionele toestand van de bevolking. Net als de jaargetijden zijn ook emoties cyclisch van aard. Naar gelang de cultuur, de gebeurtenissen in de wereld en bepaalde economische en politieke ontwikkelingen kunnen die cycli van korte of lange duur zijn. In onze moderne wereld kan zelfs een grote overwinning op sportgebied leiden tot een gevoel van opgetogenheid en trots dat misschien maar een kort leven is beschoren, maar dat wel onmiddellijke en vergaande gevolgen heeft. De Chinezen zetten in op de Olympische Spelen van 2008 in Peking om de internationale status van hun land te bekrachtigen, ook al zijn de Olympische Spelen het resultaat en niet de oorzaak van die status.
Een belangrijk gegeven is dat emoties kunnen worden veranderd. Angst kan wijken voor hoop. Een van de meest aansprekende elementen van Barack Obama als presidentskandidaat was zijn bereidheid om op te treden als een leider die een cyclus van positieve emoties in Amerika kon herbeginnen, die zich weerspiegelden in het zelfbeeld van de Amerikanen en in het beeld dat de rest van de wereld van hen heeft. In Frankrijk daarentegen laten arbeiders, industriëlen, zakenlieden en bankiers zich allemaal tegelijk meeslepen door pessimisme, terwijl het politieke discours met hoopvolle druktemakerij ondertussen hol en geforceerd overkomt. Of het nu gaat om politieke leiders, om historici of gewone, bezorgde burgers, niemand kan het zich veroorloven om emoties te negeren. De poging om emotionele patronen in onze wereld in kaart te brengen is misschien een riskante onderneming, maar doen alsof die patronen niet bestaan zou nog veel gevaarlijker zijn.

Dominique Moïsi, De geopolitiek van emotie: Hoe culturen van angst, vernedering en hoop de wereld veranderen. Vertaling Hans E. van Riemsdijk, Nieuw Amsterdam Uitgevers, € 17,95

WERELDDENKERS
Na 1989 evolueerde de wereld in snel tempo van een bipolaire naar een unipolaire machtsverdeling. In de naaste toekomst zal de wereld door de expansie van China, de hernieuwde machtswil van Rusland en de groeiende economische invloed van de Europese Unie eerder tripolair of quadripolair zijn. Tegelijkertijd is in de internationale arena een steeds grotere rol weggelegd voor niet-statelijke actoren (terroristen, etnische minderheden) en grensoverschrijdende verschijnselen (godsdienst, globalisering, migratie). De Groene Amsterdammer biedt de komende maanden een podium aan denkers die hun sporen in de politieke theorievorming hebben verdiend, maar ook beseffen dat nieuwe inzichten nodig zijn om de wereld van morgen in kaart te brengen.

DOMINIQUE MOÏSI
De Franse Midden-Oostenspecialist Dominique Moïsi (1946) studeerde af bij de ‘realist’ Raymond Aron en maakte in 1991 naam met een pleidooi voor Europese wederopstanding. Moïsi is Harvard-hoogleraar en adviseur van het Franse instituut voor internationale betrekkingen IFRE en publiceert regelmatig in westerse dagbladen en tijdschriften. Zijn recente boek De geopolitiek van emotie, waaruit De Groene Amsterdammer vandaag een gedeelte voorpubliceert, is een erudiete verkenning van de rol van emoties in de hedendaagse wereldpolitiek.