Op zoek naar een nieuw mensbeeld

De eeuw van de wetenschap

Volgens Peter Watson is er weer een Groot Verhaal in opkomst. In deze democratisch georganiseerde wereld zullen de wetenschappen uitzicht bieden op een nieuw soort mensheid.

Humboldt Fleischer, de held in Humboldt’s Gift van Saul Bellow uit 1975, heeft het aan zijn slapeloosheid te danken dat hij een geleerde werd. In de doorwaakte kleine uurtjes leest hij de grote werken van het moderne Westen. Hij noemt de geschiedenis een «nachtmerrie», waar hij doorheen probeert te slapen. Peter Watson merkt in het voorwoord van The Modern Mind op dat de conventionele historici kennelijk zo veel aandacht moesten besteden aan alle gruwelijkheden dat ze meestal geen ruimte meer hadden voor iets anders. Maar de werken van Marx, Som bart, Toynbee, Rostovtzeff en Freud die «Humboldt, en niet alleen Humboldt» geestelijk gezond hielden, zijn net zo goed de producten van het Westen als de knekelhuizen van de Eerste Wereldoorlog en de barakken van de Goelag.

Een geschiedenis van de twintigste eeuw moest meer bieden dan alleen de bekende politieke en militaire verhalen. Peter Watson ging op zoek naar een boek dat verder reikte, maar hij vond het niet. Zoals wel vaker gebeurt, schreef hij het boek dat er niet was dan maar zelf: een ideeëngeschiedenis, die aangenaam afwijkt van de gebruikelijke opsommingen van kabinetsformaties en economische crises. Watson beschreef niet zozeer de golven — de politieke en sociale gebeurtenissen — als wel de intellectuele en conceptuele onderstroom.

De afgelopen eeuw werd gedomineerd door drie wereldwijde krachten: wetenschap, vrije markt en de massamedia, op een complexe manier met elkaar verknoopt en goed gedijend onder het liberale kapitalisme. De wetenschap was weliswaar geen uitvinding van de voorbije eeuw, maar de resultaten verschilden belangrijk van die uit de voorafgaande eeuwen. Meer dan ooit werden er op het gebied van fysica, paleontologie, archeologie en psychologie fundamentele ontdekkingen gedaan, en het is bovendien steeds zichtbaarder geworden dat de resultaten van al deze disciplines elkaar niet weerspreken maar ondersteunen; het alles verbindende kader blijkt de evolutiegedachte — volgens de filosoof Daniel Dennett «het beste idee, ooit». Langzaam maar zeker is er een samenhangend wetenschappelijk verhaal ontstaan: de evolutie van het universum, van continenten en oceanen, van de menselijke rassen, van de beschavingen. De debatten zijn allerminst uitgewoed, maar de wetenschappers bedienen zich nu van dezelfde methodes en ze onderwerpen zich aan dezelfde beroepseisen.

In de tweede eeuwhelft waren niet langer die soms zo dodelijk vermoeiende «grote mannen» de motor van de geschiedenis, maar wetenschap en tech nologie (dat zulks in wezen altijd al het geval is geweest, is een kwestie waarop Watson niet ingaat). De wetenschap heeft strikt genomen geen «agenda»; zij ontwikkelt zich vrijelijk, als een «democratie van het intellect». Zonder de gebruikelijke plichtmatige vermaningen kent Watson de wetenschap daarom «morele autoriteit» toe; zij werd een metafoor voor openheid en vooruitgang.

Er is een tijd geweest dat de menswetenschappen in hoog aanzien stonden. De culturele elite (Hofmannsthal, Mann, Bergson, Nietzsche, Freud, Heidegger en al die anderen) kon nog de illusie koesteren dat zij iets over de condition humaine had te melden dat niet al te droevig afstak bij de resultaten van de exacte wetenschappen. Die tijd is volgens Watson voorbij, en hij is niet de enige die dat denkt. Het zijn vooral wetenschappers als Wilson, Dawkins, Gould, Penrose, Pinker, Lewontin, Dyson en Deacon die een nieuw soort filosofie bedrijven: Third Culture, zoveel mogelijk gefundeerd op wetenschappelijke inzichten. En het kan geen toeval zijn dat twee van de grootste filosofen van de laatste eeuwhelft wiskundig onderlegde denkers waren als Putnam en Quine. Wie nu — een willekeurig voorbeeld — wil filosoferen over egoïsme en altruïsme moet op z'n minst kennis nemen van het debat over de kin selection (bevoor delen van verwanten) in de sociobiologie. Filosofen en psychologen zullen rekening moeten houden met de ontwikkelingen van de exacte wetenschappen.

Watson houdt er geen ronkende geschiedfilosofische visies op na en hij hanteert ook nauwelijks een methode. Hij vroeg aan de erkende experts wat volgens hen de drie belangrijkste ontwikkelingen op hun vakgebied waren, en hij «plunderde» en «parafraseerde schaamteloos» de grote overzichtswerken. Hij biedt ons een afwisselend panorama van de belangrijkste ideeën van economen, filosofen, schrijvers, sociologen, natuurkundigen, musici, biologen, kunstenaars en psychologen. Aanvankelijk doet Watson erg zijn best om allerlei wederzijdse invloeden tussen culturele en wetenschappelijke gebeurtenissen te beschrijven, vooral op basis van de gelijktijdigheid van ontwikkelingen (in «the very week» dat Arthur Evans zijn opgravingen bij Knossos op Kreta begon, hield Hugo de Vries zijn beroemde lezing over de materiële erfelijkheidsdragers die later genen genoemd zouden worden). Maar gelijktijdigheid heeft niet noodzakelijk iets te maken met oorzakelijke verbanden. Bovendien maakt de lezer, geconfronteerd met deze rijkdommen van de geest, zich al snel niet meer druk over al te doelbewust geconstrueerde rode draden.

Watson streefde geen compleetheid na, maar het viel niet eens mee om hem op ernstige omissies te betrappen. The Modern Mind is deels een feest van herkenning, deels een feest van kennismaking. Hij presenteert voorbeeldige samenvattingen van onder meer James Joyces Ulysses, het werk van Samuel Beckett, de ontwikkeling van de decodeermachine Colossus die wellicht de Britse nederlaag tegen Hitler voorkwam, de geboorte van internet, het paleontologische werk van de Leakys in Oost-Afrika en de levensloop van de tot voor kort volkomen onbekende Sergej Pavlovic Korolev, die de vader van de Russische ruimtevaart blijkt te zijn (en een tijdlang door Stalin tot dwangarbeider werd gedegradeerd). Het werk van de elegante sterfilosoof en «boa-deconstructor» Derrida wordt zodanig teruggebracht tot een vorm van uitgebreide common sense dat je bijna gaat denken dat het toch niet allemaal onzin was. Van de continentaal-Europese fascinatie voor Freud en Marx begrijpt Watson helemaal niets. Freud zat er op alle cruciale punten naast, en hij was volkomen onwetenschappelijk — maar de halve Europese cultuur is door hem gevoed. De econoom Von Hayek schreef: «Ik geloof dat men op ons tijdperk zal terugzien als een tijdperk van bijgeloof, vooral verbonden met de namen Karl Marx en Sigmund Freud.» En inderdaad zal de diepgaande invloed van de Weense sjamaan wel altijd een raadsel blijven.

Natuurlijk valt er altijd wel iets te klagen. De grote Jorge Luis Borges krijgt maar acht regels toebedeeld, en dat is bepaald pijnlijk, en het volkomen onhoudbaar gebleken Black Athena van Martin Bernal, dat gaat over de vermeende Afrikaanse wortels van de klassieke beschaving, krijgt buitensporig veel (politiek correcte?) aandacht; over moderne popmuziek horen we bijna niets; en over de filosofische aspecten van globalisering, internet economie en chaostheorie hadden we meer willen vernemen. Maar het afwezige verbleekt bij het aanwezige, en de plicht om ook nog andere bronnen te raadplegen (door Watson ook bij name genoemd) is met de publicatie dit boek natuurlijk niet komen te vervallen.

In het slothoofdstuk gooit Watson alle remmen los. Hij beschrijft hoe fysica, chemie, astronomie, geologie en wiskunde elkaar naderden. Al deze disciplines vertellen een vergelijkbaar verhaal vanuit verschillende invalshoeken. Watson eindigt dicht onder de kust van Consilience, the Unity of Knowledge van de sociobioloog E.O. Wilson, die geloofde dat de wetenschap uiteindelijk alle menselijke gedragingen en producten zou kunnen verklaren. Watson is gelukkig veel minder reductionistisch, maar hij voelt zich bij Wilson toch behoorlijk op zijn gemak.
De historicus Samuel Huntington betoogde in The Clash of Civilisations dat de belangrijkste verschillen tussen mensen niet langer ideologisch van aard zijn, maar vooral gebaseerd op de culturele identiteit van groepen — en de bewijzen voor die stelling hebben we in de Balkan en in Rwanda overvloedig kunnen oogsten. Watson ziet het dan ook als een taak voor de wetenschap om het gedrag van mensen in groepen — families, geslachten, generaties, rassen, naties — beter te leren begrijpen, zodat op een dag racisme, verkrachting, kindermishandeling en ander wangedrag kunnen worden begrepen en onder controle gebracht. Hij neemt afscheid van het postmoderne relativisme, waarvan we hooguit hebben opgestoken dat we ideolo gieën niet al te serieus moeten nemen. Er is volgens Watson weer een Groot Verhaal in opkomst, een nieuwe, op het evolutieconcept gebaseerde canon, een democratisch georganiseerde wereld waarin de nauw samenwerkende wetenschappen zelfs uitzicht bieden op «een nieuw soort mensheid».

We leven in een tijd van «universeel darwinisme», volgens Watson: de wetenschap heeft de kunsten, menswetenschappen en religie afgelost als belangrijkste kennisvorm. Eugène Ionesco zei al in 1970 te vrezen dat de kunst zich «in een doodlopende straat» bevond en hij betwijfelde ook of de letteren als een vorm van kennis konden gelden. «We betreden een nieuw tijdperk van existentialisme», citeert Watson E.O. Wilson, «niet het oude, absurdistische existentialisme van Kierkegaard en Sartre, waarbij complete autonomie wordt gegeven aan het individu, maar een concept waarbij wordt uitgegaan van een universeel gedeeld, verenigd weten dat toekomstplanning en wijze keuzes mogelijk maakt.» Zo bezien is wetenschap, in het gunstigste geval, een door en door ethische onderneming.

Wat kan onder deze nieuwe canon nog de taak zijn van religieuze werken, literatuur, muziek, schilderkunst en beeldhouwkunst? Ze mogen schoonheid, inzicht en waarheid voortbrengen, maar ze hebben hun leidende positie voorgoed afgestaan (voor zover ze die ooit daadwerkelijk hebben ingenomen; stonden politiek, technologie en economie niet altijd aan het roer?). Steeds meer mensen beginnen volgens Watson te begrijpen dat je jezelf niet meer ontwikkeld kunt noemen als je geen benul hebt van de laatste ontwikkelingen in de natuurkunde, biologie, sterrenkunde en paleontologie. Maar wat moeten we ervan vinden als iemand wél weet wat een chromosoom is of een balkspiraalstelsel, maar nog nooit een letter van Shakespeare of Goethe heeft gelezen?

Het aardige van The Modern Mind is dat het ook lezers die geen waarde hechten aan voorspellingen over «een nieuw soort mensheid» een weidse blik biedt op het paradoxale gedrag van het vorige type. Toen Adolf Eichmann in zijn Israëlische cel een exemplaar van Lolita kreeg, gaf hij het half gelezen terug: «Das ist aber ein sehr unerfreuliches Buch.»
Peter Watson, The Modern Mind

Uitg. HarperCollins, 772 blz., ƒ114,-