Geert Mak, In Europa

De eeuw van ons allen

In zijn boek ‹In Europa›, over het continent in de vorige eeuw, toont Geert Mak zich een knappe reporter en een goede interviewer. Toch is het werk niet geheel geslaagd.

Geert Mak schreef enkele jaren geleden het bekende boek De eeuw van mijn vader. Het vuistdikke boek dat nu is verschenen, gaat over de eeuw van ons allen. In In Europa: Reizen door de twintigste eeuw behandelt Mak de deels hoogst gewelddadige, barbaarse honderd jaren die nog maar net achter ons liggen. De auteur is de jaren tussen 1900 en 2000 gaan bezichtigen door een jaar lang kriskras door Europa te reizen, per trein, per boot en met een busje. Hij zocht naar getuigen en sporen van vervlogen tijden en voorbije gebeurtenissen. In zijn bagage bevond zich «zeker vijftien kilo boeken».

De twintigste eeuw is volgens sommige historici maar een korte eeuw geweest. Zij laten de negentiende eeuw eindigen in 1914, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak en het geloof in de vooruitgang werd vernietigd in een orkaan van geweld. De twintigste eeuw eindigt volgens hen in 1989, toen de Muur viel, Duitsland werd verenigd, het communistische Oostblok verdween en daarmee het naoorlogse Europa.

Mak heeft deze lijn niet gevolgd. Zijn boek begint in 1900 met de Wereldtentoonstelling in Parijs en zijn eerste reisdoel is dan ook de Franse hoofdstad. Dat zijn reis uiteindelijk eindigt op de Balkan ligt voor de hand, want in het uiteengevallen Joegoslavië werden in de jaren negentig de laatste oorlogen van de vorige eeuw gevoerd. In 1999, toen Mak zijn grote tour d’Europe maakte, voerde de Navo luchtaanvallen uit op Servië om Kosovo te bevrijden van de Servische terreur. Op de achtergrond van Maks verslagen klinkt soms dit oorlogsgeweld door.

Zijn laatste bezoek geldt Sarajevo. Het is een symbolisch slot. In deze stad vielen in 1914 de schoten die leidden tot de Eerste Wereldoorlog, de «oercatastrofe van Europa», aldus George F. Kennan.

In Europa is een boek geworden dat uit verschillende elementen bestaat. Het is deels een reisverslag, deels een verzameling interviews, deels een soort verzameling citaten uit boeken, dagboeken en verslagen, deels een geschiedenisboek. En niet alle delen zijn helaas even geslaagd.

De beste delen van het boek zijn die waar de lezer Mak ontmoet als verslaggever. Wat hij ziet, hoort en ruikt vat hij in korte, pakkende zinnen samen. Hij is een feilloos waarnemer van het landschap en van de mensen. Over de Basken schrijft hij: «Hun taal knarst als een spijkerschrift.» En trekkend over de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog ziet hij hoe de herinnering na zoveel jaren vervaagt. «In het grote knekelhuis bij Verdun is de dagelijkse mis onlangs vervangen door een maandelijkse. Ten zuiden van de Somme is een enorm vliegveld gepland, over twee oorlogsbegraafplaatsen heen. Het zijn tekenen aan de wand. Niet de herinnering maar het spektakel komt gaandeweg centraal te staan.»

Mak, die destijds over zijn reis stukjes schreef voor de voorpagina van NRC Handelsblad, zoekt steeds naar sporen van het verleden, maar vergeet daarbij niet het heden. Soms moest hij goed kijken, in Warschau bijvoorbeeld, waar hij zocht naar het getto waar de bijeengedreven joden in 1943 in opstand kwamen tegen hun beulen: «Ik vind één stukje van de beruchte muur terug waarmee het getto verzegeld was, achter een stinkende binnenplaats, in een straatje waar ongeregelde mannen met zachte afpersing het parkeerbeleid hebben overgenomen, achter Elektroland, de Holiday Inn en een filiaal van de Nationale Nederlanden.» Soms is er helemaal niets meer te zien. Over Barcelona: «Net als de Spaanse staat is de twintigste eeuw hier gewoon weggepoetst, overgeslagen.»

Interessant zijn de interviews, in het boek weergegeven als lange monologen. Vooral het interview met Ruud Lubbers springt eruit. De oud-premier is erg openhartig. Hij was er in de jaren 1989-1990 van overtuigd dat in Duitsland nog «sterke politieke krachten» aanwezig waren die de Oder-Neissegrens met Polen niet accepteerden en «maar wat graag de oude situatie wilden herstellen». En hij vertelt hoe na de Duitse eenwording bondskanselier Kohl veranderde in een man die zich verheven voelde boven de andere Europese regeringsleiders. «Mitterrand begon hij te behandelen zoals Jeltsin later met Gorbatsjov deed, neerbuigend, vernederend. Als ik iets anders wilde irriteerde hem dat mateloos.»

Mak wil echter meer zijn dan een knappe reporter en een goede interviewer. Hij wil niet alleen vertellen wat er in het Europa van 1999 nog te zien is (of ook niet) van Lenins revolutie, de Spaanse burgeroorlog, van Auschwitz, van de slag om Stalingrad, van het stalinisme, de omwentelingen van 1989. Hij heeft een onbedwingbare hang naar volledigheid en dus bevat zijn boek de hele Europese geschiedenis van de afgelopen eeuw. Bovendien wil hij getuigen van zijn grote belezenheid. Hij citeert Stefan Zweig, Joseph Roth en Harry Kessler, hij kent de werken van Albert Speer, Gitta Sereny, Brigitte Hamann, Victor Klemperer, Mark Kurlansky, Ian Kershaw en vele anderen.

Deze belezenheid is bewonderenswaar dig, maar het is twijfelachtig of Mak met al die aanvullingen zijn boek en daarmee de lezer een dienst heeft bewezen. Over de geschiedenis heeft hij niets nieuws te vertellen en de geciteerde werken zullen bij veel lezers, die in de recente geschiedenis zijn geïnteresseerd, ook bekend zijn. Zijn boek heeft hierdoor bovendien een afschrikwekkende omvang (1222 pagina’s) gekregen.

Daarbij komt nog eens dat sommige door hem opgeschreven feiten betreffende de Duitse geschiedenis niet zo overtuigend zijn. Zo schrijft hij over de cultuur in het Berlijn van Wilhelm II dat overal de hand van de eigenzinnige keizer zichtbaar was. «Iedere vorm van moderniteit was taboe.» Dat is maar de halve waarheid. Want de keizer kon niet verhinderen dat regisseurs als Otto Brahm en Max Reinhardt het theater vernieuwden door onder meer de stukken van Gerhart Hauptmann uit te voeren, en de leden van de Berliner Sezession onder leiding van Max Liebermann zich overgaven aan de moderne schilderkunst.

Wat verder beweert Mak: «Dit alles betekende niet dat keizer Wilhelm II op een oorlog aanstuurde.» Daar denken Duitse historici toch wel anders over. Een andere merkwaardige opmerking handelt over de situatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog en het uitroepen van de republiek. Na de verkiezingen van 19 januari 1919, schrijft Mak, steunde de sociaal-democraat Ebert «ondanks alle straatgeweld op een stabiele basis: het parlement, de vakbonden, de werkgevers en de generaals». In werkelijkheid was die steun van de generaals zeer twijfelachtig. Zij schoten wel op linkse revolutionairen en stakende arbeiders maar niet op rechtse putschisten, zoals in maart 1920 bleek bij de rechtse Kapp-putsch in Berlijn, waaraan generaal Lütt witz deelnam. Generaal Von Seeckt weigerde in te grijpen, want «het leger schiet niet op het leger». Hij herhaalde dit bij de mislukte staatsgreep van Hitler in 1923 in München, waaraan generaal Ludendorff deelnam.

Deze en enkele andere fouten ontsieren een boek dat imposante delen bevat, maar dat als geheel toch niet echt geslaagd is, omdat het te veel wil bieden. Het is niet mogelijk de hele, soms zeer gespecialiseerde geschiedschrijving over de twintigste eeuw samen te vatten. De kennis over die eeuw neemt namelijk nog steeds toe.

Zo gaat Mak ervan uit dat Hitler, eind jaren twintig, begin jaren dertig, vooral door de Duitse industrie werd gefinancierd: «Financiers, met name uit de zware indus trie, stroomden toe. De heren van Krupp, Glöckner en IG Farben waren goed voor zeker een miljoen rijksmark per jaar. Na 1930 stegen de geheime bedragen nog aanzienlijk.» Intussen zijn Duitse historici daar wat anders over gaan denken. De bijdragen van de industriëlen in het Ruhrgebied, schrijft Hans-Ulrich Wehler in zijn Deutsche Gesellschaftgeschichte, vielen «ook naar toenmalige maatstaven tamelijk karig uit, en ze werden ook niet drastisch ten gunste van de NSDAP verhoogd, toen deze in 1930 aan haar succesvolle fase begon en voor het mobiliseren van de massa sommen van tot dan toe ongekende omvang nodig had». Dat geld, aldus Wehler, werd vooral door de leden van de nazi-partij zelf opgebracht.

Mak had vooral verslag moeten doen van zijn bevindingen in de steden, dorpen en streken die in de geschiedenis van de twintigste eeuw een grote of minder grote rol hebben gespeeld, maar hij heeft kennelijk niet willen kiezen. En dat houdt hij vol tot in de epiloog. Hierin constateert hij dat er geen Europees volk bestaat, en al evenmin «één alomvattende gemeenschap van cultuur en traditie». De Europese eenwording, zo schrijft hij, is gedoemd te mislukken als er naast de bestaande diversiteit «niet snel een gemeenschappelijke culturele, politieke en bovenal democratische ruimte ontstaat». Tegelijkertijd is Mak voor uitbreiding van de Europese Unie, zelfs met Turkije. Die uitbreiding, zo moet worden gevreesd, zal het Europese integratieproces echter eerder afremmen dan bevorderen. Want dan moeten nog meer uiteenlopende nationale belangen met elkaar worden verzoend. En dat is nu al zo moeilijk.

Geert Mak

In Europa: Reizen door de twintigste eeuw

Atlas, 1222 blz., € 39,90