De eeuwige jongen. Bij de dood van ­Bernlef

Zijn vrienden en later ook zijn lezers noemden hem ‘Henk Bernlef’, een samentrekking van zijn pseudoniem Bernlef en zijn werkelijke naam Hendrik Jan Marsman. Hoewel hij naar eigen zeggen door Marsman gedichten leerde lezen, vond hij de naamsovereenkomst te zwaar. ‘Bernlef’ verwijst naar een blinde Friese bard uit de achtste eeuw.

Hij werd geboren in een remonstrans ambtenarenmilieu, ‘een godsdienst op de rand van limonade’, waar hij onbeschadigd doorheen rolde. Hij trouwde met Eva Hoornik, de dochter van dichter Ed. Hoornik. Haar zus Erica is de echtgenote van schrijver K. Schippers. De literaire verwantschap met Schippers gaat verder dan de familieband, en begon al vóór de oprichting, in 1958, van het roemruchte tijdschrift Barbarber. De derde oprichter van het tijdschrift, Gerard Brands, overleed drie weken geleden.

De bijeenkomsten bij Ed. Hoornik in de jaren vijftig waren legendarisch. Hoornik had het concentratiekamp Dachau overleefd, was redacteur bij Vrij Nederland en De Gids en bevriend met Achterberg. In een sfeer van vrijheid, drank, poëzie en nieuwe kunstopvattingen werden Bernlef en Schippers, toen amper twintig, in de kring opgenomen. Hoornik en zijn levensgezellin, schrijfster Mies Bouhuys, werden samen met de dochters en schoonzoons geïnterviewd door Ischa Meijer: ‘Dan komen “De Kinderen” zoals Hoornik ze noemt. Schippers voorop. “Dag Pap!” zegt hij met heldere frisse jongensstem. Wat lachorkanen veroorzaakt. Daarachter een clowneske, felle Eva Hoornik. Ten slotte Bernlef: de middenvoor van een solide elftal.’

Bernlef had grote bewondering voor zijn leraar Nederlands, de schrijver Rob Nieuwenhuys. ‘Hij draaide een plaat van Fats Navarro, een beboptrompettist, of las ons gedichten van Lucebert voor. Hij zei erbij dat hij er niet alles van begreep, maar dat dat ook niet nodig was. Als je maar gegrepen werd.’ (Tegenliggers, 2001)

Zoals de achtste-eeuwse Friese bard ongetwijfeld zijn gedichten zong, omarmde ook Bernlef in het kielzog van zijn leraar de muziek. Bernlef was een begenadigd jazzpianist, hoewel hij dat meestal binnenskamers hield, en jazzliefhebber. Jazz was de muziek van de existentialisten, maar Bernlef en Schippers kozen in Barbarber voor Marcel Duchamp en voor de readymade. Zij brachten het dadaïsme weer terug in de Nederlandse literatuur, dat na Paul van Ostaijen en Theo van Doesburg door de zware toonzetting rondom de Tweede Wereldoorlog was verdwenen. Bernlef:

De dood is een mooi onderwerp

zoals ook het roestige frame

op het platje

de zomer

het droppapiertje

met een tekst over dada

Het tijdschrift wilde het poëtische in het alledaagse laten zien. Dat is altijd zo gebleven bij Bernlef: kijken en luisteren als bron van literatuur. Daarbij was ‘moeilijk doen’ uit den boze: ‘Ik schrijf niet uit een innerlijke drang of zoiets dergelijks, maar altijd vanuit heel concrete dingen. Een bepaalde foto uit een tijdschrift. Een bepaalde tekst uit een krant.’ En later: ‘In het doodgewone ging vaak het universele schuil.’

Hij raakte nauw betrokken bij Poetry International, ontmoette dichters over de hele wereld, en vertaalde poëzie uit het Zweeds, van onder anderen Lars Gustafsson en de Nobelprijswinnaar 2011 Tomas Tranströmer. Maar de grootste bekendheid kreeg Bernlef door zijn romans. Hersenschimmen uit 1984 beleefde meer dan vijftig drukken en is een van de moderne klassieken van de Nederlandstalige literatuur. Het is geschreven vanuit een dementerende man die langzaam zijn grip op de taal en op de dingen verliest. De interesse voor de werking van de hersenen, de herinnering en de taal blijkt ook uit ander werk, zoals Buiten is het maandag (2003), waarin een man uit coma ontwaakt, zijn vrouw verloren blijkt te hebben, en zijn verdwenen zoon achterna reist in Amerika. Rouw wordt herinnering, en het boek eindigt met ‘een nieuwe eeuw, een heldere dag’. Een ander sleutelwoord voor Bernlefs oeuvre is ontroering. In 1991 schreef hij de essaybundel Ontroeringen, waar ‘ontroeringsmomenten’ een ‘half zichtbaar zelfportret’ vormen.

Bernlef schreef vanaf zijn zestiende iedere dag; zonder ‘zou je gek worden’, constateerde zijn vrouw nuchter. In 1959 kreeg hij de Reina Prinsen Geerligsprijs voor de dichtbundel Kokkels en de verhalenbundel Stenen spoelen, die als dubbeldebuut bij uitgeverij Querido verschenen. Vanaf dat jaar publiceerde hij gemiddeld twee nieuwe titels per jaar. Zijn roman Publiek geheim (1987) maakte veel indruk; over een groep filmers achter het IJzeren Gordijn, in een periode van ‘dooi’. Kort geleden verschenen een nieuwe verhalenbundel, Help me herinneren, en een ruime keuze uit zijn poëzie, Voorgoed. Zijn dichterschap bezorgde hem de P.C. Hooftprijs.

Bernlef bleef jong, hoewel zijn lichaam in een oude man veranderde. Hij was altijd nieuwsgierig naar nieuwe stemmen, vooral in de poëzie en de muziek. Hij deelde zijn grote liefde voor de jazz met iedereen die het maar horen wilde: ‘En ken je dat dan ook?’ Die jongensachtigheid was besmettelijk; een droef gevoel kan niemand gehad hebben die net met hem in gesprek was. Toch kon hij in zijn boeken verdriet heel goed woorden geven. In Een jongensoorlog, zijn meest autobiografische roman, beschrijft hij de angst en vervreemding die een kind kunnen treffen op de vlucht voor de hongerwinter. Vanuit zijn raam ziet hij de buurman, een nsb’er die later onderduikers blijkt te verbergen. Daar leert hij open te staan voor nieuwe inzichten, voor ‘anders denken’.

Zijn dood kwam, ook voor hemzelf, veel sneller dan verwacht. Er zijn nog meerdere te publiceren boeken, gedichten en verhalen, waarvan ‘enkele heel goed, en andere geweldig’, aldus zijn uitgever Annette Portegies. Zijn gedichten, de beste van zijn verhalen en essays en een tiental romans zijn het waard om gelezen te blijven. Niet al zijn boeken zullen de tand des tijds doorstaan. Dat hoefde van hem ook helemaal niet: het ging hem om het schrijven zélf. Of, zoals hij het zelf schreef in zijn laatste bundel Kanttekeningen (2010):

Wie schrijft blijft niet maar onderbreekt zijn leven

en – al is het maar voor even – raakt blind voor wat hij ziet.

Ik heb mijn leven grotendeels verschreven tot

nabeelden langzaam dovend in een boekenkast.