Profiel Maria van der Hoeven

De eeuwige tweede man

Voor de minister van Onderwijs zou 2004 het jaar van de kansen moeten zijn. Maar ze struikelt van incident naar affaire.

Voor de buitenstaander dook Maria van der Hoeven in de zomer van 2001 op uit het niets. Daar stond ze ineens in het donkere Den Haag, uitgelicht door cameralampen die eigenlijk gericht waren op haar toenmalige partijleider Jaap de Hoop Scheffer, onder wiens stoel die zomer de poten werden weggezaagd door toenmalig CDA-voorzitter Marnix van Rij. Waar Jaap ging in die roerige tijden, ging Maria. Ze bleek de tweede op de CDA-lijst voor de verkiezingen van 2002. Dat bleef ze, ook toen De Hoop Scheffer zijn eerste plaats opgaf.

De Hoop Scheffer zit inmiddels als secretaris-generaal van de Navo in Brussel, Van Rij is weer gewoon een lid van het CDA, al is het dan een lid dat veel kritiek heeft, en Van der Hoeven is minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geworden. Volgende week verdedigt ze in de Tweede Kamer haar begroting voor 2005.

Voorzitter van het CDA Limburg, Theo Bovens, was niet verbaasd dat ze in die zomer opdook, en al helemaal niet dat ze niet van de zijde van De Hoop Scheffer leek te wijken. Bovens kent haar nog uit de jaren dat hij de CDA-fractie van Maastricht leidde en Van der Hoeven vice-fractievoorzitter was. «Ze is altijd een betrouwbare tweede man geweest.»

Hoewel Van der Hoeven bij het aantreden van Bovens langer raadslid was, bleef ze ook toen tweede «man», net als op de laatste twee landelijke verkiezingslijsten van het CDA. En nu weer, in het CDA-smaldeel in het kabinet. Is ze een eeuwige tweede die maar geen eerste kan worden? Bovens vindt van niet: «Als ze De Hoop Scheffer had willen opvolgen, had ze signalen afgegeven. Dat heeft ze niet gedaan. Ik vraag me ook af of ze zich wel gelukkig zou voelen als eerste man. Dat is toch een andere rol dan die van vakminister of tweede man.»

Jan de Vries, nu voorzitter van fractiecommissie Onderwijs, volgde de affaire destijds via de media; hij zat in 2001 nog niet in de Kamer. «Voor actieve CDA’ers was het niet verrassend dat ze daar op dat moment naast De Hoop Scheffer stond. Ze heeft jarenlang geïnvesteerd in haar contacten in de partij én in haar portefeuilles. Op haar onderwerpen, Onderwijs en Binnenlandse Zaken, was Maria binnen de partij gezaghebbend.»

Dat zeggen alle mensen die haar in haar werk meemaken: Maria van der Hoeven kent haar zaakjes. Ze werkt hard, is gedreven en heeft een oprechte passie voor het onderwijs. Dat laatste is niet verwonderlijk voor iemand die op de kweekschool heeft gezeten, daarna haar bevoegdheid haalde om aan de middelbare school Engels te geven, jarenlang voor de klas stond en ook in de directie van scholen zat. Tot ze in 1991 lid werd van de Tweede Kamer.

Niet dat de opmars van Van der Hoeven altijd vlekkeloos is verlopen. VVD-kamerlid Clemens Cornielje, zelf ook jarenlang woordvoerder Onderwijs, weet nog dat Van der Hoeven na de verkiezingen van 1998 niet mocht terugkeren als secretaris van de CDA-fractie, een prestigieuze functie die ze een dik jaar had vervuld. «Ik heb haar toen voorgesteld om voorzitter te worden van de vaste kamercommissie van Onderwijs. Haar eigen partij was daar aanvankelijk tegen, maar ze is het uiteindelijk toch geworden. Ze deed het voortreffelijk. En ze bleef loyaal aan haar eigen partij.»

Die trouw aan het CDA werd na de verkiezingswinst voor de christen-democraten in 2002 beloond met een ministerspost. De eigen fractie zou daar blij mee zijn geweest, beweren sommigen, omdat die haar liever kwijt was dan rijk. Met Van der Hoeven kreeg het ministerie van Onderwijs voor het eerst sinds het vertrek van Wim Deetman in de jaren tachtig weer een bewindspersoon van CDA-huize.

Volgens PvdA-wethouder Pierre Heijnen uit Den Haag drukte ze ook meteen een CDA-stempel op het onderwijsbeleid. Knap, noemt hij dat, met enige ironie in zijn stem. Volgens Heijnen is Van der Hoeven bezig ten koste van de invloed van gemeenten de grote schoolbesturen, zoals het katholieke omo in Brabant, veel macht te geven. Daarmee houdt de minister volgens hem te weinig rekening met de rol die de gemeente kan vervullen bij de aanpak van probleemjongeren.

In de jaren tussen Deetman en Van der Hoeven werd Onderwijs vooral gerund door PvdA’ers: Wallage, Ritzen, Netelenbos en Adelmund. Opmerkelijk is dan ook dat Van der Hoeven juist van PvdA-wethouder Heijnen het compliment krijgt dat ze tenminste niet doet wat zijn partijgenoten in het verleden wel deden: grootse plannen hebben, maar voorbij gaan aan de professionaliteit van de leerkrachten. «In het verleden was dat met de basisvorming en het studiehuis wel anders. Van der Hoeven brengt rust aan het onderwijsfront, juist omdat ze geen ambitieuze plannen heeft.»

Van der Hoeven heeft het niet op groots en meeslepend. In een interview voor Nova zei ze eens dat je voorzichtig moet zijn met passie in de politiek, omdat je er een monster van maakt als je anderen die passie dwingend oplegt. Daarmee sluit ze aan bij de trend van deze tijd: ideologieën zijn uit, pragmatisme is in.

Voor Van der Hoeven zijn de tijden sinds haar aantreden op het ministerie zwaar. Voor mensen buiten het onderwijsveld lijkt het alsof ze van incident naar affaire struikelt. Bij aanvang van dit jaar hoopte ze dat ze dat incidentengedoe achter de rug had. Ten overstaan van haar voltallige personeel, voor het eerst bijeen voor een nieuwjaarsreceptie in het nieuwe gebouw van Onderwijs, zei ze dat 2004 het jaar van de kansen moest worden. Maar het jaar was nog niet goed en wel bezig of op het Haagse Terracollege werd docent Hans van Wieren door een leerling doodgeschoten. Hoe had dit kunnen gebeuren? Van der Hoeven liet vanuit het buitenland weten dat de scholen de problemen niet hadden moeten verzwijgen. Het klonk alsof het hun eigen schuld was, die schietpartij. Op de officiële herdenkings bijeenkomst voor Van Wieren haalde diens directeur openlijk en fel naar de minister uit.

In wat het jaar van de kansen moet worden, blijft het niet bij het schietincident in Den Haag. Van der Hoeven komt onder vuur te liggen omdat ze heeft verzwegen bestuurder te zijn bij de Technische Hogeschool Rijswijk, een hogeschool die gesjoemeld heeft met studenten en zo een dikke twee miljoen euro te veel heeft ontvangen van het rijk. De TH Rijswijk was overigens niet de enige hogeschool die fraudeerde, zo bleek al tijdens het laatste paarse kabinet toen de VVD’er Loek Hermans op Onderwijs de scepter zwaaide.

PvdA-kamerlid Jacques Tichelaar is over deze zaak al een paar keer in woede ontstoken. Hij vindt dat Van der Hoeven altijd eerst iets ontkent, er vervolgens op terug moet komen maar dan haar betrokkenheid bagatelliseert, met als toppunt dat ze haar staatsrechtelijke verantwoordelijkheid overdraagt aan collega Hans Hoogervorst als de Kamer haar op de bestuursfunctie bij de TH Rijswijk aanspreekt. «Dat voedt bij ons de achterdocht. Als straks blijkt dat ze wel degelijk geweten heeft van de fraude met de studenten, komt er een motie waarin wordt gezegd dat ze de Kamer onvolledig en onjuist heeft ingelicht. Dat kan maar tot één conclusie leiden: aftreden.»

Zo hobbelt Van der Hoeven in haar jaar van de kansen voort. Was tijdens haar nieuwjaarstoespraak VVD-staatssecretaris Annette Nijs nog onder haar gehoor, begin juni stapte die laatste op. Directe aanleiding waren uitspraken van Nijs over haar samenwerking met de minister. In Nieuwe Revu schetste Nijs een beeld van Van der Hoeven dat op zijn zachtst gezegd niet erg vleiend was. De minister zou er een zijn van verdeel en heers en het achterhouden van informatie. Nijs had het gevoel dat Van der Hoeven haar niet vertrouwde.

Dat het tussen de twee niet boterde, was bekend, maar deze openheid bracht Van der Hoeven tot woede. Ze eiste bij Balkenende het vertrek van haar staatssecretaris, kreeg aanvankelijk haar zin niet en toog met haar staatssecretaris op een dinsdagavond naar de Kamer voor uitleg. De volgende ochtend werd het personeel toegesproken: de twee zouden er met goede voornemens weer tegenaan gaan. Nog diezelfde dag was Nijs weg. Ze was onder druk gezet door haar eigen partij, maar liet niet na nog één keer te zeggen hoe weinig ze Van der Hoeven vertrouwde: «Waarom liet de minister mij in het debat van dinsdagavond als eerste spreken? Dat was zo niet afgesproken. Het was even slikken.»

Voeg bij deze incidenten, zoals dat in goed Binnenhof-jargon heet, nog de anonieme brief van een aantal ambtenaren, een jaar eerder, die de graaicultuur bij de top van het ministerie aan de orde stelde. Daarbovenop komen de opmerkingen van secretaris-generaal Koos van der Steenhoven dat op het departement een cultuur heerst van ja zeggen en nee doen, dat de verantwoordelijkheden er zoek zijn en het samenwerken tussen collega’s moeizaam gaat. En alsof dat al niet genoeg is kwam de rechter recentelijk met een voor het ministerie on wel gevallige uitspraak in de Jamby-affaire; het nooit door Adam Curry geleverde Kennisnet waarvoor hij door op het ministerie uit geschreven valse facturen wel bijna een miljoen euro heeft ontvangen. Volgens de rechter moet een voormalige hoge ambtenaar ervan hebben geweten.

Ook in die laatste zaak heeft Van der Hoeven het zichzelf weer moeilijk gemaakt, vindt PvdA-kamerlid Mariëtte Hamer. «Toen de minister besloot in de Jamby-zaak formeel aangifte te doen bij de politie, heeft ze de Kamer een brief geschreven waarin met zoveel woorden staat dat de hoogste baas op dit dossier geen blaam treft. Dat had ze niet hoeven doen. Nu de rechter echter vindt dat die directeur-generaal wel blaam treft, dwingt ze ons door die eerdere brief daarop terug te komen.»

Volgens Hamer zou Van der Hoeven met haar ervaring dit soort fouten niet moeten maken. Partijgenoot Tichelaar denkt dat de minister haar hand aan het overspelen is: «Ze vertoont koninginnegedrag. Ik zou wat terughoudender zijn. Hoeveel krassen op de lat kan ze nog oplopen? De VVD heeft de rekening van Nijs nog openstaan.»

Wat VVD-kamerlid Cornielje betreft is er geen openstaande rekening: «We hebben het in de fractie niet met zoveel woorden besproken, maar van Bolkestein heb ik geleerd dat je moet blijven oordelen op de inhoud, en geen spelletjes moet spelen.» Oordelend over die inhoud sluit Cornielje zich aan bij de Haagse wethouder: Van der Hoeven is een goede vakminister, goed voor het onderwijs op dit moment.

PvdA-kamerlid Hamer is het absoluut niet met haar partijgenoot Heijnen en met Cornielje eens: «Ik vind haar beleid mager. Ze zegt het lerarentekort te willen terugdringen, maar dat is een loze noodzaak, want er verdwijnen juist banen. Ze streeft naar minder regels, maar volgens ons worden het er per saldo juist meer. En als derde speerpunt heeft ze de kenniseconomie, maar dat wil maar niet concreet worden.»

Sinds de zomer van 2001 is Van der Hoeven ook voor de buitenstaander geen onbekende meer. Mensen thuis hebben haar bezig gezien in de Kamer, vaak charmant, soms venijnig reagerend, daarbij streng kijkend over de rand van haar leesbril, en altijd goed gekleed. Gesoigneerd, noemt Bovens dat. Het is volgens hem typisch Maastrichts: als je de stad in gaat, kleed je je netjes.

Van der Hoeven zelf is ook gewend geraakt aan de camera’s. Op televisieoptredens bereidt ze zich zo goed voor dat ze mee kan play backen als ze zichzelf terugziet. Het past in de karakterisering die Bovens van haar geeft: ze heeft graag de regie in handen en kan niet tegen onzekerheid.

Van der Hoeven dwingt respect af. Ook bij degenen die het inhoudelijk niet met haar eens zijn. Niemand spreekt echter met warmte over haar. Volgens stadsgenoot Bovens is Maria van der Hoeven ook meer een zakenvrouw. «Gerespecteerd worden is wat anders dan populair of geliefd zijn. Ik weet niet of ze een grote fanclub heeft.»