WRR, De EU, Turkije en de islam

De eeuwige verloofde van Europa

WRR

De EU, Turkije en de islam

Amsterdam University Press, 176 blz., € 29,95

Is het een belemmering voor de toetreding van Turkije tot de Europese Unie dat de meerderheid van dit land moslim is? Daarom draait het in De EU, Turkije en de islam van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). De raad komt binnenkort met meer rapporten over de betekenis van de politieke islam. Dit boek is slechts een voorschot. Dat is lovenswaardig. Want de kennis van de EU mag in Nederland al gering zijn, die over de geschiedenis van de islam is, afgezien van enige specialisten, non-existent. Ik herinner me levendig het besluit in oktober 1996 van de christen-democratische regeringsleiders — het CDA was er toen niet bij — dat de EU een judeo-christelijke gemeenschap was en dat ook moest blijven. De islam kon daar niet bij horen. Eenkennigheid troef.

In De EU, Turkije en de islam gaat het vooral om de autonomie van de staat ten opzichte van de kerk en vice versa. Geloof mag wel een rol spelen in de politiek, maar de scheidingsdoctrine moet gewaarborgd zijn. Maar ergens had wel mogen staan hoe uitzonderlijk in de wijde wereld de (West-) Europese secularisatie is. Ook de turkoloog Zürcher gaat er kennelijk van uit — een oude sociologische vergissing — dat «modern» geseculariseerd betekent. Zelfs in een zo schielijk geseculariseerd land als Nederland blijft ondanks alle losmaking immers toch een hechte bemoeienis bestaan tussen overheid en godsdienst. Hoeveel christelijke of andere bijzondere scholen zouden er nog bestaan wanneer betaling door de rijksoverheid «onconstitutioneel» was verklaard? Hetzelfde geldt voor maatschappelijk werk op christelijke grondslag. Paradoxaal genoeg is in de Verenigde Staten de scheiding van kerk en staat in de scholen veel verder doorgevoerd, hoewel religie daar een veel zwaardere rol speelt in het openbare leven dan in West-Europa. Hiermee is de ingewikkeldheid van het probleem al enigermate aangeduid.

Het «veranderend evenwicht tussen staat, politiek en samenleving» — is de staat geen politiek? — wordt door de WRR in historisch perspectief onderzocht. De raad baseert zich daarbij in het eerste deel van het boek op bijdragen van deskundigen. «In de loop van de negentiende eeuw kreeg het Osmaanse rijk langzamerhand het uiterlijk van een typische moderne staat», schrijft Zürcher. «Een grondwet komt er in 1876, slechts 28 jaar na de hervorming van de Nederlandse grondwet door Thorbecke.»

Die voorstelling van zaken neemt de WRR over. «Hoewel officieel islamitisch, was de Osmaanse staat van oudsher al een seculier bestuursapparaat», aldus de raad. «De afbrokkelende macht van de soevereine vorst, het terugdringen van de invloed van de religieuze instituties op de staat, de door werking van het erfgoed van de Franse Revolutie, de opkomende democratie: al deze processen vonden ook in Turkije plaats en niet veel later dan in West-Europese staten.»

Wanneer je zulke boude zinnen leest, rijst de vraag wel wat die constitutionele revolutie van de Jong-Turken in 1908 nog om de hakken kan hebben gehad.

De conclusie die de lezer inmiddels al had verwacht, komt op pagina 63. Aan de historische ontwikkelingen, de huidige karakteristieken van Turkije en de Turkse islam zijn volgens de raad geen argumenten te ontlenen voor de conclusie dat deze islam een obstakel zou vormen voor toetreding tot de EU: «De islam is als politiek relevante factor gaandeweg een normaler (sic) fenomeen geworden in de Turkse politiek.» Turkije kent niet de «massale sociaal-economische deprivatie en frustratie die elders in de moslimwereld mede een voedingsbodem vormen voor extremisme». Loopjes als «overigens onderscheidt de Turkse bevolking zich op dit punt niet sterk van die van de meeste andere kandidaten» of «dit gevaar geldt overigens niet alleen voor Turkije» komen herhaaldelijk voor.

Hieraan wordt vervolgens een conclusie verbonden die weinig overtuigend is. De kans dat met de Turkse toetreding kwalijke ontwikkelingen worden versterkt die zich nu ook in de EU voordoen (bijvoorbeeld religieus gemotiveerd extremisme en geweld) is, anders dan de raad schijnt te menen, geen aanbeveling. Dat het om een klein aantal extremisten gaat is evenmin een geruststelling. Want ook kleine marginale groepen kunnen veel schade aanrichten en krijgen bovendien vaak forse steun van buiten de grenzen. Toetreding tot de EU is in extremistische ogen namelijk — de WRR merkt dat ook op — het toppunt van afvalligheid en moet te vuur en te zwaard bestreden worden.

Dat dilemma had dus de hoofdvraag moeten zijn. Terecht wordt geconstateerd dat de EU-kwestie belangrijk is voor de binnenlandse partijenstrijd in Turkije. Want wat kan er zoal gebeuren wanneer dit grote land, dat zo lang door de EU aan het lijntje is gehouden, ten slotte deel zal worden van de «onheilige» EU-kring? Niet opgenomen worden zal veel westers georiënteerde Turken frustreren. Wel opgenomen worden zal ongetwijfeld nog heel wat meer extremistische vergeldingsacties uit het Midden-Oosten oproepen.

Maar deze hoofdvraag blijft buiten schot. Dat klemt eens te meer omdat op tal van kwesties de WRR in onduidelijkheden blijft hangen. Er mag dan hier van een grote parallellie en aanzienlijke gelijktijdigheid met de West-Europese geschiedenis worden gesproken, er bestaat in Turkije ontegenzeggelijk een vorm van geleide democratie, zo lezen we. Dit blijkt echter «een redelijk functionerende democratie» niet uit te sluiten, ondanks de achterstelling van vrouwen en meisjes, met alle geweld dat daarbij hoort. Die bestaat nog steeds, maar er wordt aan gewerkt, klinkt het hoopvol.

Zo schrijft Zürcher: «Het vaak gehoorde cliché dat de islam geen scheiding tussen kerk en staat kent is een enorme vertekening van de werkelijkheid.» Maar zeventig pagina’s verder is van zijn hand te lezen: «Volledige ontkoppeling van staat en religie is in een islamitische context moeilijk voorstelbaar, maar aanpassing van de boodschap van de staatsislam in een meer ‹burgerlijke› richting zal zeker nodig blijken.» Kort daarvoor had hij nog betoogd: «Aandringen op een terugtreden van de staat op religieus gebied is dan ook weinig realistisch.»

Bij die vragen blijft het niet. Want hoe staat het met de erkenning van de bloedige periodes (discriminatie van minderheden, deportaties, moord op honderdduizenden, zoals de Armeniërs) onder leiding van de Jong-Turken? Zürcher heeft het wel over deze volkerenmoord, maar niet over de vraag hoe het nu staat met de verwerking van dat deel van het Turkse verleden. Is die verwerking nog steeds taboe, zelfs strafbaar?

In De EU, Turkije en de islam is sprake van een geforceerde vorm van continuümdenken, waardoor enige kritische grenzen, verschillen of breuklijnen over het hoofd worden gezien. Het is een onderbelichte foto, waarop de meeste katten grijs worden. Er is zelfs sprake van een tweetrapscontinuüm dat wordt omgebogen: van het Osmaanse rijk naar Atatürk, en van het zogeheten moderne Turkije naar de West-Europese wereld.

Maar vertekeningen corrigeert men niet met nieuwe vertekeningen. Het wegslijpen van de scherpe kanten is kennelijk bedoeld als poging tot overtuigen, maar roept zo eerder wantrouwen op. Er wordt vanaf het begin te zeer naar een conclusie toe geargumenteerd, er worden te zwakke bruggen over de Bosporus geslagen. Ook als men voor stander is van de Turkse toetreding is dit boek geen grote hulp in de discussie. Integendeel, dan komt de twijfel over de geloofwaardigheid van de argumentatie voor de grote uitbreiding vanzelf weer naar boven.