Bekentenissen van de Imperfecte, 1848 – 1989 – vandaag

De eigen blik als poort naar de wereld

Met Bekentenissen van de Imperfecte zet het Van Abbemuseum aan tot het schrijven van een alternatieve kunstgeschiedenis. Een die niet begint met een kunstenaar die zich terugtrekt uit de samenleving, maar met een hernieuwde betrokkenheid met de wereld.

Medium inleiding

In 1862 publiceerde de Engelse kunst- en maatschappijcriticus John Ruskin Unto This Last, een bundel van vier essays waarin hij het kapitalistische, Victoriaanse Engeland een confronterende spiegel voorhield. De titel van het boek komt uit Mattheüs en vertelt het verhaal van een wijnboer die op een ochtend dagloners aanneemt om druiven te plukken. In de middag haalt hij nog een wagen dagloners op en in de late middag komt daar nog een laatste groep bij. Aan het eind van de dag is het tijd om de dagloners te betalen. Hij geeft opdracht aan zijn rentmeester om eerst de laatste dagloners één denarie te betalen. Vervolgens krijgen zij die in de middag begonnen ook één denarie en tot slot krijgen zij die als eerste begonnen zijn ook één denarie. Als de laatste groep zich beklaagt, omdat ze meer gewerkt hebben dan zij die later begonnen, zegt de wijnboer: ‘De laatsten zullen de eerste zijn en de eerste de laatsten.’ (‘I give unto this last, even as unto thee.’)

Voor Ruskin illustreerde het bijbelverhaal de kern van zijn kritiek op het kapitalisme, dat drijft op competitie en gericht is op zo veel mogelijk productie voor de laagst mogelijke prijs. Loon dient, in Ruskins visie, niet evenredig te zijn aan de productie, maar aan de behoefte van de werknemer. De kwaliteit en de kwantiteit van arbeid moeten voortvloeien uit de eer die mensen beleven aan hun werk. De enige keuze die een opdrachtgever moet maken, is het wel of niet aanstellen van iemand. Als eenmaal gekozen is, dan dient de arbeid gelijk betaald te worden, ongeacht de hoeveelheid of kwaliteit. Ruskin pleitte zo voor een economie die niet georganiseerd is als een race to the bottom, maar waarvan de pijlers respect en eer zijn. Een economie met kansen om je te ontwikkelen omdat ook imperfect werk eerlijk betaald wordt.

Deze zeer uitgesproken kritiek op de dominante economische ideologie van het Victoriaanse Engeland is een ongebruikelijk eindpunt voor een schrijver die het grootste deel van zijn oeuvre heeft gewijd aan romantische schilderkunst en gotische architectuur. Al zegt het misschien meer over ons dan over Ruskin dat wij de relatie tussen romantiek en maatschappelijk engagement nu ongebruikelijk vinden. We zijn geneigd om de Romantiek te beschouwen als het beginpunt van de moderne kunst. Het moment waarop de kunstenaar niet meer slaafs als opdrachtnemer maakt wat hem of haar wordt opgedragen, maar zich overgeeft aan de eigen visie. Met de Romantiek trekt de kunst zich terug uit de maatschappij, zo gaat het cliché, en begint er een verhaal van kunst die zich in eerste instantie richt op de kunst zelf en de subjectieve visie van de kunstenaar. De eindeloze series ‘ismen’ in de negentiende en twintigste eeuw zijn in deze lezing de logische doorontwikkeling van een autonoom domein van de kunst dat vooral met zichzelf bezig is.

De solide en ook invloedrijke maatschappijkritiek van Ruskin (Unto This Last werd een grondwerk voor de sociaal-democratische beweging in Engeland en inspireerde velen, van de vakbonden tot Gandhi) toont aan dat er op z’n minst één alternatieve geschiedenis te schrijven is naast het gebaande pad. De tentoonstelling Bekentenissen van de Imperfecte, 1848 – 1989 – vandaag is in de kern een poging om een aanzet te leveren tot het schrijven van deze alternatieve geschiedenis van de moderne kunst.

Ruskins denken meandert op de achtergrond door praktisch de gehele geschiedenis van design

Deze alternatieve geschiedenis begint niet met een kunstenaar die zich terugtrekt uit de samenleving, maar met een hernieuwde betrokkenheid met de wereld. De persoonlijke blik die voor romantici zo essentieel was, staat niet zozeer voor een beweging naar binnen, maar is juist een weg naar buiten. Voor Ruskin stond niet zozeer de eigen persoonlijkheid centraal, als wel het feit dat de wereld in je eigen ogen voor het eerst verschijnt en dat de eigen blik daarmee de meest pure bron van kennis is. Ruskin prees in de romantische schilder W.J.M. Turner niet zijn eigenzinnigheid maar zijn waarachtigheid. Een houding die nauw aansluit bij een ander monument van de Romantiek, Caspar David Friedrich, voor wie eveneens trouw aan de natuur het allerhoogste was. De eigen blik als poort naar de wereld en als de basis voor een voelend en sociaal betrokken leven.

Het model voor een samenleving dat vanuit het respect voor die eigen blik is opgebouwd, vond Ruskin niet in Victoriaans Engeland, maar in de gotiek. Tijdens zijn grondige studies van Venetië, die hij tussen 1851 en 1853 publiceerde als De stenen van Venetië, stortte hij zich hartstochtelijk op het beschrijven van de gotiek, op dat moment een vergeten hoofdstuk uit de Venetiaanse architectuurgeschiedenis. Wat hem aansprak in de gotiek was niet alleen de uitstraling, maar ook de harmonie tussen de manier waarop het bouwwerk was gemaakt en het resultaat. Hij omschreef het als volgt: ‘De eerste twee elementen van goede architectuur moeten uitdrukking geven aan een aantal grote waarheden die algemeen gelden voor alle menselijke rassen: een bekentenis tot Imperfectie en een bekentenis tot ons Verlangen tot Veranderen.’

Wat hem aansprak in gotische architectuur was het feit dat verschillende vakmannen in verschillende stadia van hun ontwikkeling gezamenlijk werkten aan een gebouw dat door zijn overkoepelende structuur zowel eenheid als diversiteit uitstraalde. Niet alles was perfect of gelijkvormig aan het gebouw, maar de gevel vormde zo een soort organische legenda van het vakmanschap van de gemeenschap. Niet de genialiteit van de architect werd gevierd, maar het gehele scheppende vermogen van de samenleving. Voor Ruskin was deze balans tussen imperfectie en de wil om te veranderen en te verbeteren van groot belang en juist daar faalde het moderne, industrialiserende Engeland. De fabrieken leverden met hun gemechaniseerde productieproces bijna perfecte producten af aan de gegoede middenklasse, maar voor de perfectie betaalde de samenleving een grote prijs. Het ambacht en de waardigheid werden geofferd in een economie waar de laagste prijs het hoogste doel was en het specialisme van de vakman verdween in de eenvoud van fabrieksarbeid.

Ruskin zocht naar middelen om zijn visie op de middeleeuwse samenleving terug te laten te komen in het negentiende-eeuwse Engeland. Aan het eind van zijn leven richtte hij zich op sociale, educatieve projecten, waarin hij zijn visie op kunst, ambacht, werk en leven handen en voeten wilde geven. Zo bemoeide hij zich met het Mechanics Institute in het dorpje waar hij de laatste dertig jaar van zijn leven woonde, in het pittoreske Lake District. Mechanics Institutes waren in de negentiende eeuw educatieve centra voor arbeiders die hier in eerste instantie vooral in de natuurkundige processen werden onderwezen, processen waarmee ze in de fabrieken te maken hadden. Later veranderde de opzet in een breder en holistisch sociaal programma waarin alle aspecten van het moderne leven aan bod kwamen, waaronder kunst.

John Ruskin droeg zijn studenten op een weg aan te leggen om ze te laten voelen wat eerlijk en nuttig werk is

Ruskin interesseerde zich in zijn educatieve programma’s vooral voor het leggen van verbanden tussen natuur en ambacht. Hij richtte bijvoorbeeld een mobiele zuivelschool op waarmee hij de verdwijnende kennis van kaasmaken wilde behouden voor de boerenbevolking. Ook de elite nam hij mee in zijn visie. Hij droeg bijvoorbeeld zijn studenten in Oxford op een weg aan te leggen tussen twee dorpen, om ze zo te laten voelen wat eerlijk en nuttig werk is.

Al deze activiteiten resulteerden in een zeer uitgebreid en wijdvertakt netwerk van beïnvloeding en kruisbestuiving dat als een waaier door de hele moderne geschiedenis loopt. Zo stond Ruskin aan de wieg van de Arts Crafts-beweging, die in Engeland een lans brak voor de ambachtsman. Deze beweging beïnvloedde vervolgens het Bauhaus in Duitsland, waarin later gezocht werd naar ambachtelijke toepassingen voor moderne industriële processen. Ruskins denken meandert zo op de achtergrond door praktisch de gehele geschiedenis van design. Zijn denken had ook een sterke ecologische kant. Niet alleen dienden mensen een respectvolle relatie ten opzichte van elkaar te hebben, de mens en de natuur moesten ook in balans zijn. Die gedachte stond aan de basis van de natuurmonumentenbeweging in Engeland en droeg ook bij aan de ontwikkeling van nieuwe architecturale en stedenbouwkundige modellen, waarvan de ‘tuinstad’ het meest uitgesproken is.

Vertrekkend vanuit Ruskin is het mogelijk om een ander verhaal te vertellen over de relatie tussen kunst en de moderne samenleving. De pendelbeweging tussen imperfectie en de wens om te veranderen levert een ander kompas om kunst en kunstenaars niet als eenlingen te zien, mensen voor wie er niets is buiten het werk, maar als mensen die een rol spelen in de geleidelijke, continue transformatie van de samenleving. Een kader voor deze ‘kunst’-geschiedenis vormen de jaren 1848 en 1989. 1848 staat voor de revoluties en het begin van de moderne natiestaat en kunst, 1989 staat aan het eind van die ontwikkeling en representeert de omslag naar de genetwerkte wereld van internet, klimaatproblemen en globalisering.

Een nieuw verhaal vraagt om een nieuwe vorm van presentatie. De tentoonstelling illustreert geen geschiedenis aan de hand van een verzameling objecten, maar levert een serie situaties die een verhaal vertellen over een bepaalde ontwikkeling. Zo komt vanzelfsprekend Ruskin en zijn invloed op kunst en design aan bod, maar kijken we ook naar de koloniale geschiedenis, naar hoe deze geschiedenis de donkere schaduwkant is van de moderne wereld en wat kunst daar wel of niet kan doen. Daarnaast zijn architectuur, stedenbouw en voedselproductie lenzen waardoor deze alternatieve geschiedenis tot leven komt, dit alles gepresenteerd in een overkoepelende architectuur ontwikkeld door kunstenaar Liam Gillick. Bekentenissen van de Imperfecte is als alternatieve kunstgeschiedenis zelden een verhaal van kunst ‘over’ iets, maar toont momenten waarop een kunstenaar ingrijpt in het leven. Op die momenten kan kunst de spanning tussen imperfectie en het verlangen naar verandering invoelbaar maken.


Steven ten Thije is onderzoeksconservator van het Van Abbemuseum, Alistair Hudson is directeur van het Middlesbrough Institute of Modern Art


Beeld: Zaaloverzicht met werken over John Ruskin (Peter Cox / Van Abbemuseum).