De eindeloze oorlog

De geschiedenis is het verhaal van de overwinnaars, zegt het gezegde dat onder anderen toegeschreven wordt aan Churchill. Hoewel aannemelijk is het een onmogelijk te controleren uitspraak. Want hoe kunnen we kennen wat onbekend is? Hoe kunnen we ons herinneren wat vergeten is? We hebben geen idee hoeveel potentiële verliezersverhalen voorgoed gewist zijn.

Small gettyimages 526908004
Loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog © Corbis / Getty-Images

Waarschijnlijk is wel dat het met de tijd moeilijker werd om ongewenste verhalen voorgoed uit het collectief geheugen te bannen. Tegenwoordig lijkt dat zelfs onmogelijk. Daarvoor zijn twee redenen. De belangrijkste is het internet, dat zoveel informatie bevat dat sporen van een gebeurtenis zich niet laten wissen. De andere reden ligt bij de historici, met name die van de vrije wereld. Zij krijgen steeds meer oog voor de achterkant van de geschiedenis. Deze lijkt vaak spannender dan de voorkant en is soms simpelweg ook belangrijker.

Een bekend voorbeeld van dit laatste komt uit de Duitse geschiedenis, vermoedelijk de beste illustratie van een verliezersverhaal dat niet vergeten werd. Zo was zonder de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog, aldus een consensus onder historici, nooit gebeurd wat in de jaren daarna gebeurde: Hitler, Tweede Wereldoorlog, shoah – de Duitse nederlaag is een sleutel tot de twintigste-eeuwse geschiedenis.

Oorlog (guerre, war) betekent niet voor niets verwarring

Maar de grote aandacht voor de Duitse nederlaag is een uitzondering, stelt Robert Gerwarth in zijn studie naar de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. Gerwarth, van oorsprong Duits en op dit moment hoogleraar in Dublin, werd vooral bekend door een studie naar een van de meer duistere figuren uit de nazigeschiedenis, Reinhard Heydrich. Zoals zovelen in de afgelopen jaren keerde hij zich na zijn studie van de Tweede naar de Eerste Wereldoorlog. Alsof de sleutel tot goed begrip van de twintigste eeuw, met name wat betreft de Hitler-ellende, toch ouder is. Hierbij gaat het Gerwarth in het bijzonder om de zogenoemde brutaliseringsthese oftewel de oorspronkelijk van Georg Mosse (Fallen Soldiers, 1990) afkomstige gedachte dat de loopgravenervaring tijdens de Eerste Wereldoorlog de samenleving enorm verhard heeft. Die verharding leidde tot een geweldspiraal die op zijn beurt tot gevolg had dat er in de twintigste eeuw zoveel meer burgerslachtoffers vielen dan in andere tijden. Gerwarth plaatst kanttekeningen bij deze these en suggereert dat de toename van geweld vooral de landen betreft die tot de verliezers van de Eerste Wereldoorlog behoorden. Zeker weten doet hij dit niet. Want ‘er bestaat geen enkele studie die binnen de grenzen van één boek de ervaring van alle overwonnen staten van Europa onder de loep neemt’. Hiermee is het programma van De verslagenen gegeven: bestuderen wat de nederlaag van 1917/1918 betekende voor (niet zozeer Duitsland want dat weten we wel maar voor) Oostenrijk-Hongarije, Bulgarije en het Ottomaanse Rijk.

Mooi plan, duidelijke opdracht. Helaas loopt het boek van Gerwarth vanaf dat moment een beetje uit het spoor, al is het alleen al omdat de eerste hoofdstukken over Rusland gaan dat eigenlijk bij de geallieerden en dus de uiteindelijke overwinnaars hoorde maar in 1917 verslagen werd door hetzelfde land dat een jaar later de oorlog verloor, Duitsland. Dergelijke verwarringen zijn niet vreemd, zeker niet in de onvoorstelbare chaos van het einde van de grote oorlog. Dat woord betekent niet voor niets verwarring (guerre, war). Maar verwarringen als deze worden wel lastig als je ze, zoals Gerwarth, in een theoretisch kader plaatst, in dit geval dat bij de verliezers het geweld onevenredig meer toenam dan bij de overwinnaars.

Eerlijk gezegd geloof ik dan ook niet zo in die brutaliseringsthese, minder nog in de verbijzondering ervan die Gerwarth suggereert. Volgens mij is het eenvoudiger en meer zoals sinds lang bekend – en zoals in dit boek onder meer met betrekking tot Turkije en Bulgarije ook beschreven wordt. De Eerste Wereldoorlog heeft het Europa van de negentiende eeuw (zie bijvoorbeeld Stefan Zweig: Die Welt von Gestern met als eerste hoofdstuk: ‘Die Welt der Sicherkeit’) als een stropop door elkaar geschud. Sindsdien is niets meer hetzelfde. Dit geldt tot op grote hoogte voor de West-Europese landen die aan de overwinnaarskant stonden. Maar het geldt in verregaande mate voor de andere landen die bij de oorlog betrokken waren. Een simpele blik op de kaart toont het. Zo goed als alle gebied ten oosten van de lijn Nederland-Frankrijk kreeg nieuwe grenzen en overheden terwijl Rusland een revolutie onderging en ook het Turkse Rijk definitief uiteenviel. Zoveel verandering bleek onmogelijk zonder geweld. Dat heeft met loopgraven niet veel te maken. Wel met de opschudding van Europa ten gevolge van hetgeen in die loopgraven bevochten werd. Op de keper beschouwd is dit eigenlijk ook het verhaal dat Gerwarth vertelt – in zoverre is het traditioneler dan het pretendeert. Het vertelt van oorlog (deel 1), revolutie en contrarevolutie (deel 2) en de desintegratie van grote rijken (deel 3).

Aan het eind van zijn boek stelt Gerwarth dat er een macabere ironie schuilt in het feit dat de honderdjarige herdenking van de Eerste Wereldoorlog gepaard ging met oorlogen in Syrië, Israël en elders. Het is net alsof de problemen van de Eerste Wereldoorlog nog steeds niet zijn opgelost, schrijft hij. Ik geloof niet dat dit juist is. Het probleem ligt dieper, zoals ook het probleem van de nasleep van de Eerste Wereldoorlog volgens mij dieper ligt: bij de negentiende-eeuwse, absurde gedachte dat een handjevol, met name (West-)Europese landen met de wereld landjepik mocht spelen en op papier grenzen kon trekken die de bevolking van de betreffende gebieden vervolgens diende te respecteren. Deze gedachte leidde aan het eind van de Eerste Wereldoorlog tot het belangrijkste onderdeel van Woodrow Wilsons Veertienpuntenprogramma: zelfbeschikkingsrecht. Een eeuw later weten we nog altijd niet goed hoe daarmee om te gaan.