Bush vs Gore

De eindsprint

De Amerikanen kiezen volgende week hun favoriete Clinton-kloon. Al Gore alias Bill-1: intelligent en werklustig, of George W. Bush alias Bill-2: jongensachtig en charmant.

Sportief bekeken is het een boeiende koers. George W. Bush schoot het snelst uit de startblokken en nam een ruime voorsprong. Toen schoof Al Gore hem voorbij om op zijn beurt weer ingehaald te worden. Even lagen ze nek aan nek, vervolgens nam Bush weer de leiding, toen Gore en nu hebben ze de eindsprint ingezet. Bush heeft een bandbreedte voorsprong.

Spannend dus. Adembenemend.

Maar waar gaat deze wedstrijd om? «This pudding has no theme», zei Churchill ooit en zijn uitspraak werd tijdens deze campagne vaak geciteerd. De eerste Amerikaanse presidentsverkiezingen van de 21ste eeuw hebben geen thema, geen vorm, geen smaak. Beide kandidaten vermeden angstvallig ook maar iets te zeggen over het grootste twistpunt in de Amerikaanse politiek van de laatste jaren: de Clinton-schandalen en de Republikeinse poging om de president af te zetten. «Mijn campagne gaat over de toekomst, niet over het verleden», zeggen ze in koor. Maar welke toekomstvisie ze Amerika en de rest van de wereld te bieden hebben, wordt er niet duidelijker door. Toegegeven, de kandidaten hebben standpunten, soms zelfs verschillende. Maar al die standpunten opgeteld vormen nog geen visie; het blijft een themaloze pudding.

Bush is de kampioen van de holle slogans. «Prosperity with a purpose», «Real reform for real people», de alliteraties zijn belangrijker dan de inhoud. Hij wil het leeuwendeel van de begrotingsoverschotten besteden aan belastingverlaging, «want dat geld is niet van Washington, dat geld is van het volk!» Vooral van het rijke volk dan. De meeste Amerikanen zijn slim genoeg om te begrijpen dat Bush’ fiscaal plan vooral de meest welgestelden bevoordeelt. Buiten de harde Republikeinse basis — waarvoor belastingverlaging een geloofspunt is — wekt het dan ook geen enthousiasme. Als Bush gekozen wordt, zal het niet dankzij maar ondanks zijn fiscale beloften zijn.

Gore probeert zijn gebrek aan thema’s te compenseren door de pure kwantiteit van zijn voorstellen. Er is voor elk wat wils, al vereist het vaak enige technische kennis om te begrijpen wat zijn plannen precies inhouden.

Sommige kiezers maken hun keuze op basis van wat de kandidaten beloven. Zij hebben hun beslissing meestal al lang genomen. De swing voters wier wisselvallige humeur de polls doet schommelen en zal bepalen wie de winnaar wordt, geloven niet dat de kandidaten hun beloften zullen houden. Dat kun je ze moeilijk kwalijk nemen. De voornaamste kiesbelofte van pa Bush was destijds: «Read my lips, no new taxes», en als president verhoogde hij prompt de belastingen. Kandidaat Clintons belangrijkste belofte luidde: ziekteverzekering voor iedereen. Na acht jaar presidentschap zijn er 42,6 miljoen onverzekerden, drie miljoen meer dan voorheen. Enige scepsis is dus niet misplaatst. Maar Gore en Bush zijn de enige kandidaten die het geld en de machinerie hebben om mee te dingen, dus met hen moeten de kiezers genoegen nemen.

Tevreden zijn ze niet. Volgens de polls vindt een meerderheid van de kiezers dat Gore niet eerlijk genoeg is om president te zijn en dat Bush niet verstandig en onderlegd genoeg is voor het ambt. Maar weinigen zullen hun stem verspillen aan Nader of Buchanan. Het kiessysteem zit immers zo in elkaar dat slechts twee kandidaten een kans hebben en dat zij altijd voort komen uit de twee grote partijen.

Hoe maken de kiezers die zich in geen van beide partijen herkennen en die ongevoelig zijn voor hun slogans hun keuze? De meesten doen dat niet. Ruim de helft van de stemgerechtigden stemt niet. Zij geloven, al dan niet terecht, dat deze verkiezingen over niets gaan dat hun leven raakt. Onder hen de overgrote meerderheid van Amerika’s armen die hun levensstandaard zagen achteruitgaan onder Reagan, Bush en Clinton, en die niet geloven dat dit onder de volgende president zal veranderen. En de rest? De overweldigende meerderheid van de niet-blanke kiezers stemt gewoontegetrouw op de Democraat. Hun diepe wantrouwen tegenover de Republikeinen werd niet weggenomen met Bush’ cosmetische ingrepen: de gospelkoortjes en de zwarte schoolkindjes op het Republikeinse conventiepodium.

Een ruime meerderheid van de blanke mannen kiest voor de Republikein. Ook dat is niet nieuw. Dat hebben ze gedaan in elke verkiezing sinds 1980, toen de «angry white male» nijdig werd over de groeiende aanwezigheid van vrouwen en raciale minderheden in de werksfeer. En velen identificeren zich graag met Bush die doet denken aan de populaire klassenclown uit hun schooljaren: een beetje lui maar altijd opgeruimd, altijd grinnikend, altijd klaar met een kwinkslag of een schouderklopje. Gore daarentegen roept herinneringen op aan het betwetertje dat altijd de eerste wilde zijn, altijd zijn huiswerk maakte en meteen met zijn vingertje stond te zwaaien als de leraar iets vroeg.

Maar er zijn meer vrouwelijke dan mannelijke kiezers en hun kiesgedrag is minder voorspelbaar. Zij zijn het die de sleutel van het Witte Huis in handen hebben. In zijn speech op de Democratische conventie had Gore een duidelijk thema: hij zou vechten voor de working families‚ tegen big money, tegen de machtige belangengroepen. Een strategische vergissing, zo vonden velen in de media: in deze tijd van grote voorspoed zijn de kiezers tevreden, ze willen geen klassenstrijd.

Maar het was precies na deze speech dat Gores populariteit omhoog schoot. Wat die goedbetaalde media-experts zich niet leken te realiseren, is dat de situatie van de modale Amerikaan ondanks de economische boom nauwelijks beter werd. Er is meer werk, maar de lonen stagneerden en veel werkende vrouwen maken zich zorgen over het verval van de scholen, de steeds duurdere gezondheidszorg en het gebrek aan kinderopvang. Ze herkenden hun verzuchtingen in Gores speech en maakten hem de koploper. Daarna verspeelde hij die voorsprong weer. Misschien omdat hij dacht dat zijn vrouwelijke basis solide was, liet hij het thema van de working families grotendeels varen en wierp hij zich op als de man die Amerika’s openbare schuld zou afbetalen — een thema dat weinig weerklank vond. Het waren dergelijke zwenkingen die veel vrouwen irriteerden. Tijdens het eerste debat was hij arrogant, tijdens het tweede poeslief, tijdens het derde weer agressief: hij leek een man die heen en weer slingert tussen overcompensatie en depressie, een twijfelaar in de kern van zijn psyche. Is zo iemand te vertrouwen?

Dat was het thema waar de Republikeinen het meeste succes mee oogsten: trust. Bush, bulkend van zelfvertrouwen, onverstoorbaar dezelfde clichés herhalend, leek de meest constante van de twee. Gore, met zijn gedraai en zijn haast ziekelijke neiging tot overdrijven in de hoop op applaus, verloor geloofwaardigheid. En, zoals Bush benadrukte, waarom zouden de kiezers beloften geloven die de Democraten vier en acht jaar geleden ook deden en die nog steeds niet zijn waargemaakt?

Intussen stond Clinton te zieden langs de lijn terwijl Gore zijn advies in de wind sloeg. Clinton zou niet heen en weer zwiepen, niet met duizend thema’s tegelijk jongleren, maar onverdroten op dezelfde populistische nagel blijven slaan, intussen over zijn successen kraaien — wat Gore niet doet — en met zijn tegenstander de draak steken zonder agressief te worden. Clinton werd president dankzij de vrouwen en ze bleven hem steunen, ook tijdens het seksschandaal. Wat hen in hem aantrok was zowel zijn robuuste zelfvertrouwen, zijn charme en empathisch vermogen als zijn populistische retoriek en politieke kennis.

In de huidige campagne lijkt het alsof Clintons persoonlijkheid zich in twee kandidaten heeft opgesplitst. Gore erfde de intelligentie, de werkkracht en de dossierkennis; Bush de jongensachtige charme, in een gekuiste versie zonder seksschandalen.

Met de economische wind in de rug zou Gore dit duel tussen Bill-1 en Bill-2 moeten winnen, maar zijn gedraai ging ten koste van de politieke aspecten van de kiesstrijd en gaf de persoonlijkheidsfactor meer gewicht. En als die factor doorslaggevend wordt voor de vrouwelijke kiezer, valt te vrezen dat Bush wint.

Te vrezen, want het vooruitzicht van een tweede Bush in het Witte Huis is weinig geruststellend. Terwijl hij zat te patiencen in zijn gouverneurskantoor in Texas, liet hij de vervuilende industrieën zichzelf reguleren, de gezondheidszorg wegzinken tot het tweede laagste niveau van het land en zijn gevangenissen aanzwellen tot een Goelag met meer gedetineerden dan in Frankrijk, Duitsland en Italië samen. Geen enkele gouverneur liet meer executies uitvoeren. Recente rapporten beschrijven een doodstrafmachine die het executietempo zo hoog mogelijk opdrijft zonder zich te laten tegenhouden door bewijzen van onschuld. Bush lachte toen hem een vraag werd gesteld over een terdoodveroordeelde wiens advocaat tijdens het proces zat te slapen. Hij dreef de spot met een vrouw die hem voor haar executie tevergeefs om genade smeekte. Hij had pretoogjes toen hij tijdens een debat pochte over misdadigers die hij zou laten terechtstellen. Een kwartier heeft hij volgens een onderzoek van de New York Times nodig om genadeverzoeken door te nemen. Het idee dat zo'n man het machtigste ambt ter wereld in handen krijgt, doet huiveren.