De eksters van europa

IN VRIJWEL ALLES heeft de Tweede Wereldoorlog voorafgaande oorlogen overtroffen. Behalve misschien in tijdsduur. Maar juist dat aspect maakt Hitlers oorlog zo uniek, want nooit eerder werd er in zo'n kort tijdsbestek zo veel gesneuveld en gemoord, werden er zo veel materiële verliezen geleden en werd er zo veel geroofd.

Zelfs voor de Tweede Wereldoorlog in 1939 officieel uitbrak, had de naziregering al op forse schaal geplunderd. De vroegste gouddorst werd gelest met goud uit Oostenrijk (na de Anschluss), Tsjechoslowakije en de vrijstaat Danzig (Heim ins Reich). Onder dwang leverden hun nationale banken een substantiële bijdrage aan de goudreserves van de Reichsbank.
Gedurende de oorlog heeft Duitsland de bezette gebieden systematisch van goud, kunstschatten en kostbaarheden beroofd. Aan goud uit de nationale banken van de bezette landen - het zogenaamde monetaire goud - wist het Derde Rijk zo'n twaalf miljard gulden in de wacht te slepen. Hoeveel kostbaarheden bij particulieren - vooral joden - is geroofd, valt zelfs bij benadering niet te schatten.
Nederland heeft zwaar onder deze roofzucht geleden. Alleen al uit De Nederlandsche Bank verdween voor vier miljard gulden (eveneens huidige waarde) naar het centrale plunderdepot van de Reichsbank. Ongeveer de helft van dat bedrag ligt vermoedelijk nog steeds in Zwitserse bankkluizen.
Een cynicus zal opmerken dat Hitler, wilde hij zijn oorlog tot een goed einde brengen, geen andere keus had dan plunderen - en daarin heeft de cynicus volkomen gelijk. Het Derde Rijk was verre van autarkisch en daarom gedwongen te importeren. Nu trof het dat de Zwitsers veel in huis hadden waar Hitler behoefte aan had en dat ze tegen vergoeding ook wel bereid waren te leveren. Net als trouwens de andere Europese neutralen: Zweden, Spanje en Portugal - landen die in het huidige mediageweld merkwaardig genoeg buiten schot zijn gebleven.
Maar Zwitserland was veruit favoriet. Niet alleen vanwege de geografische ligging, maar vooral omdat ’s lands economie toch al nauw met de Duitse Wirtschaft was verweven, al bleef dat dankzij de camouflagetechnieken van de Duitsers - die de kunst van de Tarnung het verdoezelen van de ware eigendomsverhoudingen) als geen ander beheersten - grotendeels onzichtbaar.
Vrijwel alle grote Duitse concerns hadden de aandelen van hun buitenlandse dochterondernemingen, patenten en octrooien in Zwitserse holdings ondergebracht. Op papier waren Zwitserse rechtspersonen eigenaar, maar in geheime clausules was vastgelegd dat de Duitsers gewoon de baas bleven. Het doel van Tarnung was om confiscatie, het onvermijdelijke gevolg van een oorlogssituatie, te voorkomen. Aldus werden vele Duitse dochterbedrijven in de Verenigde Staten - vermomd als Zwitsers - veilig door de oorlog geloodst.
De truc had als bijkomend voordeel dat aan beide kanten van het front ongehinderd winst kon worden gemaakt. Trouwens, ook de samenwerking van Duitse bedrijven met branchegenoten in de Verenigde Staten of Engeland - niet zelden waren ze via patentrechten en kartelafspraken nauw met elkaar verbonden - bleef achter de schermen vaak gewoon doorgaan. De bedrijfstop zag geen reden om hun relaties door zo iets onbenulligs als een wereldoorlog te laten beïnvloeden, en dus bleven ze vasthouden aan business as usual.
ZWITSERLAND HEEFT HITLER tijdens de oorlog munitie, wapens en ontstekingsmechanismen (oorlogstuigfabrikant Oerlikon Bührle draaide overuren), precisietechnieken, radio- en vliegtuigonderdelen, grondstoffen en chemicaliën, diensten en Zwitserse valuta geleverd.
De betrekkingen mochten dan hecht zijn, de Zwitsers wensten niet te worden betaald in Rijksmarken, omdat die waardeloos zouden worden als Duitsland de oorlog zou verliezen. Maar met goud en andere waardevaste betalingsmiddelen hadden de meeste leveranciers geen moeite. Integendeel.
Men mag Zwitserland, als neutraal land, niet verwijten dat ze handel heeft gedreven met Duitsland. Het was niet in strijd met het internationale recht. Bovendien lag het land geheel binnen de Duitse invloedssfeer. Het had daardoor minimale manoeuvreerruimte.
Wat men de Zwitsers wel kan verwijten, is dat ze betalingen in goud - waarvan ze wisten dat die niet in de haak kònden zijn - klakkeloos hebben geaccepteerd. Al vroeg in 1943 had Zwitserland meer goud van de Reichsbank geaccepteerd dan Duitsland voor het uitbreken van de oorlog in reserve had. De Zwitsers wisten dat. De Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten hebben bovendien gedurende de hele oorlog de Duitse goudstromen naar de neutrale landen scherp in de gaten gehouden en de neutrale landen voortdurend gewaarschuwd dat de Duitsers met geroofd goud en gestolen goederen betaalden.
Twee keer (in januari 1943 en in augustus 1944) hebben de geallieerden de neutralen expliciet gewaarschuwd dat ze koop van geroofde goederen niet zouden accepteren en dat na de oorlog ongedaan zouden maken. In februari 1944 werd goud nadrukkelijk aan die lijst toegevoegd. Maar het mocht allemaal niet baten, ook al beloofden de Zwitsers in maart 1945 geen oorlogsbuit op hun grondgebied te zullen toelaten. In de praktijk bleken de bankiers en leveranciers voor de schittering van het goud niet bestand en ontpopten ze zich als de eksters van Europa.
Legale middelen om het geheelde goud terug te halen hadden de geallieerden niet. Het Verdrag van Washington (25 mei 1946), waarbij de Zwitsers 250 miljoen franken in goud retourneerden, bleek het hoogst haalbare en had maanden van keihard onderhandelen gekost.
De Zwitsers gingen pas door de knieën toen de Amerikanen dreigden hun tegoeden in de Verenigde Staten te bevriezen, maar tegelijkertijd wisten ze via artikel II 2 van het verdrag te bedingen dat ze in de toekomst van iedere claim verschoond zouden blijven; niet alleen de regering maar ook de banken. Aan de Zwitserse bevolking werd die 250 miljoen gepresenteerd als een vrijwillige bijdrage voor de wederopbouw van Europa, niet als een vorm van schuldbekentenis.
Waarschijnlijk ligt drie-kwart van Hitlers geroofde goud nu nog in de kluizen van een aantal banken in Zwitserland.
Vanaf het moment dat ‘Washington’ werd afgesloten is ertegen geprotesteerd, niet in de laatste plaats door Nederland. Maar Zwitserland toonde zich onbuigzaam en verwees - formeel terecht - naar het verdrag, inclusief de vrijwaringsclausule.
DIRECT NA DE OORLOG was er geen land dat de Amerikanen - de dankbaarheid jegens de bevrijders was vanzelfsprekend groot - tegen zich in het harnas wilde jagen door al te openlijk te protesteren tegen de gang van zaken rond de totstandkoming van het verdrag. De Koude Oorlog, die vrijwel direct na de oorlog de Oost-Westbetrekkingen zou gaan beheersen, had de Europeanen nog afhankelijker gemaakt van de Amerikanen en de goudkwestie zou spoedig naar de achtergrond verdwijnen, om pas vijftig jaar later door de activiteiten van het World Jewish Congress (WJC) weer in volle hevigheid los te barsten.
Overigens slaat het WJC, een lobby met zeer veel invloed in Washington, de plank grondig mis als ze de bulk van het nog in Zwitserland aanwezige goud als 'joods’ aanmerkt. Het is voor tenminste 95 procent afkomstig van de door de nazi’s geplunderde nationale banken. Dat neemt niet weg dat juist achter dat geringe percentage joods goud de grootste ellende schuil gaat.
De SS, die het 'economische beheer’ over de vernietigingskampen voerde, leverde in augustus 1942 haar eerste kostbare lading bij de Reichsbank in Berlijn af. Er zouden, eveneens in het diepste geheim, nog 75 volgen. De SS deed alles om niet met het Totengold uit de concentratiekampen in verband te worden gebracht. De buit, bestaande uit gouden en zilveren sieraden, edelstenen, trouwringen, geld en uitgebroken tandvullingen van vermoorde joden, werd steevast aangevoerd door 'Herr Melmer’, terwijl de opbrengst belandde op de rekening van Max Heiliger: een fictief persoon waarachter de SS schuilging.
Het goud, zeker de vullingen, werd omgesmolten tot staven om identificatie onmogelijk te maken. De totale buit bedroeg ruim twee miljard gulden. Een deel van het Totengold is mogelijk in Zwitserland of een ander neutraal land terechtgekomen.
Een ander deel werd door de geallieerden in een mijn bij Merkers (Thüringen) aangetroffen. Emil Puhl, de president van de Rijksbank, had deze zoutmijn als schuilplaats uitgekozen toen de Russen in het voorjaar van 1944 op het punt stonden Berlijn te veroveren.
De buit in de Reichsbank moet de Russen lelijk zijn tegengevallen. Zij hebben dat 'verlies’ echter, zoals thans met de dag duidelijker wordt, ruimschoots kunnen compenseren met andere 'trofeeën’, een eufemisme dat het hele scala van de Russische oorlogsbuit dekt - van vermaarde kunstcollecties tot industriële goederen.
Minder bekend is dat de grootste 'particuliere’ (dus niet van staatswege georganiseerde) roof op het conto van een handjevol Amerikaanse militairen moet worden geschreven. Geallieerde opsporingsteams op jacht naar goud (Goldrush-teams) ontdekten dat er in de omgeving van Mittenwald en Garmisch Partenkirchen (Oostenrijk) voor vele miljoenen aan goud in de bodem was verstopt. Een deel daarvan werd in de loop van de eerste naoorlogse zomer opgedolven en in beslag genomen, maar een aanzienlijk deel is tot op de dag van vandaag spoorloos; een aantal van deze Goldrush-teams gooide het op een akkoordje met de nazi’s die de buit in de bodem hadden verstopt. In wat waarschijnlijk de eerste Duits-Amerikaanse samenwerking van na de oorlog is geweest, werd de buit opgedolven en verdeeld. Van hen, noch van het goud, is ooit meer iets vernomen.
HOEVEEL GOUD, edelstenen en kunst door de nazi’s via diplomatieke kanalen is weggesmokkeld, valt niet te becijferen. Vast staat slechts dat het om vele tientallen miljarden moet gaan. Zo is bijvoorbeeld van de uit Nederland geroofde buit aan kunst en cultuurgoederen tot op heden circa tachtig procent spoorloos. Dat percentage geldt in grote trekken ook voor de overige slachtoffers van Hitlers roofzucht.
De geallieerde landing in Normandië (1944) gaf de vlucht van (geroofd) nazikapitaal een enorme impuls. Die vlucht zou met de steeds onvermijdelijker wordende ineenstorting van het Reich alleen maar toenemen. Amerikaanse inlichtingendiensten spreken van een der grootste kapitaalvluchtoperaties uit de geschiedenis. Veel van de kostbaarheden bereikten Bern, Stockholm, Madrid, Lissabon, Istanbul en Buenos Aires met de diplomatieke post, die volgens de internationale rechtsregels onschendbaar is en dus niet aan inspectie wordt onderworpen. Vanuit Duitse ambassades in de neutrale staten kon het vervolgens naar iedere gewenste plek op aarde worden vervoerd.
Een ander deel van de fabelachtige nazibuit werd via 'diplomatieke weg’ (lees: op schepen van neutrale landen) naar vluchthavens overal ter wereld, maar vooral naar Zuid-Amerika vervoerd. Dankzij de diplomatieke verpakking kon de buit ongehinderd de Britse controleposten, die toezicht hielden op de zeeblokkades, passeren. Maar er waren ook nazi’s die een schuilplaats dicht in de buurt van de Heimat verkozen. Menig oorlogsmisdadiger verborg zich als 'patiënt’ in een sanatorium of als 'gast’ in een van de hotels die de NSDAP in het Zwitserse Davos bezat.
Amerikaanse inlichtingendiensten rapporteerden een intensief kapitaalverkeer tussen Zwitserland en het wankelende Derde Rijk. Notoire nazi’s als Goebbels en Goering hebben met behulp van stromannen voor fortuinen naar Zwitserland gesluisd, waar de kapitalen onder pseudoniem, op nummerrekening of op naam van een vertrouwensman op een bank werden verborgen. Daar waren ze praktisch ongrijpbaar voor de Amerikaanse Safe Haven-teams, die als taak hadden Duits vermogen in het buitenland op te sporen. Men vreesde namelijk dat het geld na verloop van tijd - net als na de Eerste Wereldoorlog - zou worden gebruikt om het Duitse militarisme weer op de been te helpen.
Maar het Safe Haven-onderzoek werd vanwege de Koude Oorlog, toen een onzichtbare nazi-dreiging werd ingeruild voor een duidelijk waarneembaar communistisch gevaar, op een laag pitje gezet om enkele jaren later een zachte dood te sterven. Duitsland stond voortaan, samen met het Westen, pal tegenover het Rode Gevaar. Dat betekende niet dat de grootste roof uit de wereldgeschiedenis geheel vergeven of vergeten was; wel dat het, net zo min als de denazificering, geen enkele politieke prioriteit meer had.
Daarin lijkt nu verandering te zijn gekomen, hoewel het naar de omvang van de roof wel altijd gissen zal blijven.