Age of Rage, ITA. Regie Ivo van Hove © Jan Versweyveld

ita’s Age of Rage begint met de elementen. Vuur is er meteen bij binnenkomst, vlammen op het podium, de geur van wierook (of is het verbrand vlees?). Zodra Agamemnon spreekt, spreekt hij over de wind; die is er niet, zijn Griekse vloot ligt in de luwte, kan niet uitvaren naar Troje. Hij weet wat hij moet doen om de goden tevreden te stellen, een bloedoffer in de vorm van zijn liefste dochter, Iphigeneia. Later in de voorstelling trekt het podium zich terug en openbaart een onderliggende vloer van donker zand, vanuit het plafond valt regen. Aarde en water.

Maar er is een vijfde element, als je dat zo kunt noemen. Bloed. Dat weegt het zwaarst. Het is het vervloekte bloed dat door de aderen van Agamemnons dynastie loopt, waarmee ouders hun zonden doorgeven aan hun kinderen. Het is het bloedoffer van Iphigeneia, dat bloedwraak als gevolg heeft, dat weer zijn eigen bloedwraak als gevolg heeft. Vaders doden dochters, vrouwen hun mannen, kinderen hun ouders. Kortom, dit zijn de Griekse tragedies en dan à la Ivo van Hove, dat wil zeggen in de modder, in de regen, met gierende elektrische gitaren, diepe drums, met opzwepende, heerlijke dans, waar schreeuw-, vecht- en steekpartijen elkaar in moordend tempo afwisselen. Na vier uur sta je buiten, volkomen overweldigd, al kun je je afvragen wat Van Hove je precies heeft willen vertellen.

Je kunt je in ieder geval afvragen of ‘Age of Rage’ de juiste titel is. Agamemnon (Hans Kesting; die rondloopt als een gebroken monument) huilt om zijn Iphigeneia, maar beredeneert dat hij niet onder haar dood uit kan – zijn leger verwacht actie. Zijn vrouw Klytaimnestra (Chris Nietvelt; doodeng) wacht tien jaar voordat ze Agamemnon doodt, hun kinderen Elektra (Hélène Devos; zo intens als het lid van een cult) en Orestes (Majd Mardo; niet opgewassen tegen zijn eigen emoties) wachten op hun beurt weer jaren voordat ze haar doden, en doen dat na lang beraad over de rechtmatigheid van hun daad.

Het is niet zozeer woede die men de messen laat slijpen (wat ze, lekker vettig, op het podium met een ouderwetse slijptol doen), als wel een perfide logica. Wanneer aan het begin haar vaders vloot op een briesje wind wacht, krijgt Ilke Paddenburg (speels, steengoed) als Iphigeneia hooguit 25 minuten om van een vrolijk, klauterend kind te evolueren naar een volwassen dochter, die zich laat wegstrepen omdat het nu eenmaal zo moet. Zoals de Griekse krijgers zullen sneuvelen, zo dient zij zich te offeren. Ze accepteert die politieke realiteit. Dat Paddenburg in de drie uur daarna alle kinderen speelt die vermoord worden is een vondst: Van Hove illustreert zo de herhaling van de mechanica van het geweld.

Hoe die mechanica tot stand is gekomen, of doorbroken moet worden, wordt niet gezegd. Wel wordt er iets essentieels tegenover de dood gezet, namelijk het leven, letterlijk met de voeten in de modder. De spelers springen, kruipen, omhelzen, klimmen – zelden was ita zo fysiek –, vooral dans krijgt de voorkeur boven taal, een warme, bezwerende choreografie die telkens de eenling bij de groep betrekt. Je bent nooit alleen bij de Grieken, heel lief hoor, maar ontsnappen kan ook niet.

T/m 27 juni in de Stadsschouwburg, Amsterdam