De elfenkoning

Sytze van der Zee, De overkant. Uitg. Prometheus, 272 blz., Ÿ34,90 ..LE De tweede dagboekaantekening die Sytze van der Zee noteert in het dagboek van zijn laatste anderhalf jaar als hoofdredacteur van Het Parool, beschrijft met gedoseerde walging een feestje ter ere van Cees Smaling, de grote baas van de Perscombinatie - en dus ook van Het Parool: ‘Er leek geen einde aan te komen, al die geforceerd vrolijke redevoeringen, sketches, spelletjes, met als hilarisch hoogtepunt het pettenspel. Hoeveel kan een mens verdragen? Kan het nog lolliger?’ Jawel, dat kan. Want op het hoogtepunt van het feest heft de directie een lied aan: ‘HÇ hÇ Ceesie/ Het was een heel mooi feessie.’

In De overkant vertelt Sytze van der Zee van de maanden waarin de Perscombinatie met de aankoop van uitgeverij Meulenhoff en de Dagbladunie uitgroeit tot het mammoetconcern dat alle landelijke dagbladen minus De Telegraaf uitgeeft. Met het binnenhalen van NRC Handelsblad is Het Parool eigenlijk al gedumpt. De Perscombinatie ziet weinig heil in de concurrentie. Als stadskrant mag de redactie het nog even proberen. Naast zijn werkzaamheden als redacteur moet Van der Zee nu de strijd aanbinden met de zakenmensen, die hun eigen idee‰n hebben over de vraag hoe Het Parool (de inhoud!) eruit moet zien. Hij moet praten met communicatieadviseurs en marketinganalysebureaus, krijgt te maken met projecten, concepten (het ‘leeftijdsdoelgroepconcept’) en randvoorwaarden. Hij leert hoe wordt gerotzooid met oplagecijfers door het mee laten tellen van gratis exemplaren en proefabo’s en hij moet de meest bizarre plannen het hoofd bieden. Een extra ochtendeditie, het een keer per week gratis verschijnen als advertentiekrant of voorstellen tot samenwerking met het Rotterdams Dagblad, Het Vrije Volk, het Haarlems Dagblad, De Dordtenaar en Rijn en Gouwe.
Het leukst is Van der Zee wanneer hij de wereld van de bladenmanagers beschrijft. 'Die Van Straaten moet eruit!’ zegt uitgever Max de Jong die zich aan de tekenaar irriteert. 'Altijd maar tegen alles aanschoppen. Dat is zeker progressief.’ De Jong, over de boekenkast van Van der Zee’s weggepeste voorganger Wouter Gortzak: 'Het lijkt me dat een hoofdredacteur geen tijd heeft om op zijn kamer boeken te gaan zitten lezen.’
Van der Zee voelt dat zijn krant geliquideerd wordt, maar niemand die het hardop zegt. Hij vraagt zich verwonderd af waarom niemand helpt. Hoe is het mogelijk dat de steenrijke Stichting Het Parool weigert een cent in zijn krant te investeren? Maar Van der Zee is een journalist en geen rekenaar. Hij lijkt op het jongetje dat in de mist de Elfenkoning ziet opdoemen. Dat weet dat er iets vreselijks gebeurt. Maar niemand die het ook ziet, hoe hard hij ook roept.
De overkant is ook het relaas van een eenzaam man. Hij hoort niet bij de managers die zetelen aan de andere kant van de Wibautstraat en in een luxekantoor in de binnenstad. Maar doordat hij de baas is hoort hij ook nooit helemaal bij zijn redactie. Ook met hen raakt hij geregeld in conflict. Met wie is voor de buitenstaander niet altijd duidelijk. Zo schijnt de woordvoerder van de Parool-redactieraad een flinke klerelijer te wezen. Een lid van de redactieraad zegt Van der Zee later: 'Ik besef dat het een schrale troost voor je is, maar ik voel me net een NSB'er. Nu begrijp ik pas goed hoe het in de oorlog is gegaan. Je bent gewoon verraden, wij zaten erbij.’