Wie helpt de gewone man?

De elite redt ons niet

Verguisd door Wilders, omarmd door progressieve denkers en politici: de elite staat weer in het middelpunt van het publieke debat. Wie meent dat een select gezelschap van weldenkenden Nederland kan verlossen van het populisme komt bedrogen uit. Of heeft een dubbele agenda.

HIJ IS EEN DIRECTEURSZOONTJE dat als Tweede-Kamerlid al meer dan een decennium tot de Haagse kliek behoort. Toch is geen toespraak van Geert Wilders compleet zonder er ten minste één keer op te hebben afgegeven: de ‘multiculturele’, 'weldenkende’, 'linkse’, 'Haagse’, 'politieke’, 'klimaat-’ of gewoon de 'vette volgevreten links-liberale grachtengordelelite’.
Opvallend genoeg kunnen steeds meer van zijn tegenstanders zich wel vinden in dat predikaat. In een interview met Vrij Nederland afgelopen zomer zei PVDA-minister Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken ernaar te snakken dat 'de intellectuele elite van Nederland in opstand komt’. 'Ik vestig mijn hoop op weldenkende en wellevende mensen die zich realiseren dat het belangrijk is dat er autoriteiten zijn en dat die in principe het vertrouwen van de bevolking verdienen’, zo werd de bewindsvrouw geciteerd.
Het kan verkeren in de politiek. Tot in de jaren tachtig was het links dat te hoop liep tegen de politieke, economische en financiële elite. Vakbondsleider Jan Mertens haalde de geschiedenisboeken met zijn constatering dat een 'old boys-netwerk’ van tweehonderd mensen het voor het zeggen had in de Nederlandse economie. De '200 van Mertens’ was allerminst bedoeld als compliment.
Sinds enkele jaren beleeft de term 'elite’ een comeback in het politieke debat. Het bestaan van een elite wordt niet langer schadelijk geacht voor de democratie. Integendeel, sommigen zien er zelfs een voorwaarde in. Volgens Wouter Bos is het probleem van Nederland 'eerder een te weinig dan een teveel aan elite’. Het is de elite die Nederland uit de sinds Pim Fortuyn overal waargenomen crises moet halen: van de verruwende omgangsvormen tot de gezagscrisis, van de nationalistische struisvogelmentaliteit tot de vastgelopen sociaal-economische hervormingen. 'Zo vanzelfsprekend als het in de jaren zeventig in sommige kringen was dat de elite bestreden moest worden, zo vanzelfsprekend is het intussen geworden dat de elite een rol speelt en een rol heeft te spelen in onze samenleving’, constateerden de samenstellers van de bundel Gaat de elite ons redden? uit 2007.
Natuurlijk roepen conservatieven en christen-democraten nog steeds om een elite. Die moet het goede voorbeeld geven en fatsoen, normen en waarden in ere herstellen. Ook liberalen kunnen er prima mee uit de voeten. Zwijg, volk! Het is nu aan de elite, luidde de kop boven een opiniestuk in NRC Handelsblad waarin Jort Kelder pleitte voor een dik betaalde meritocratie en de loftrompet stak over het autocratisch-neoliberale Singaporese model. De libertaire bestuurskundige Paul Frissen pleit in zijn nieuwste boek voor 'aristocratische politiek’. Daarin staan deugden centraal als 'bescheidenheid’, 'tolerantie’ en 'kosmopolitisme’.
NIEUW IS DE OMARMING van de elite door denkers die als links worden beschouwd - en die, toeval of niet, vrijwel allemaal wonen of werken in Amsterdam, al dan niet binnen de grachtengordel. Zo pleitte Dick Pels onlangs in dit blad voor een elite met een verheffingsideaal gericht op 'de verdediging van de onzekerheid, de zelfrelativering en de prettige verdeeldheid’. Het gewone volk 'heeft een elite nodig die de weg wijst naar een betere uitgave van zichzelf’.
De wetenschappers Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan concludeerden eerder in Het bange Nederland dat de Nederlandse elite op drift is: 'in culturele zin uitgespeeld, in de politiek vastgelopen, in de economie weggeconcurreerd door de internationale financiële wereld’. In plaats van toevlucht te zoeken bij het nationalisme pleitten de drie voor een nieuwe elite, 'een wijzere, pragmatischer, bescheidener en vooral opener elite’.
Zelfs voor de tot voor kort verfoeide economische elite klinkt waardering. De aan de Universiteit van Amsterdam verbonden politicologen Meindert Fennema en Eelke Heemskerk constateerden in 2008 in Nieuwe netwerken: De elite en de ondergang van de NV Nederland dat de teloorgegane, gesloten Nederlandse economische elite zo slecht niet was. 'Het traditionele old boys-netwerk was misschien wel een rem op exhibitionistische zelfverrijking’, schrijven de progressieve onderzoekers. Het zelfreinigend vermogen moet niet overschat worden, maar toch: 'met het wegvallen van het old boys-netwerk is de sociale samenhang en het gemeenschappelijk normbesef sterk afgenomen’. De bonuscultuur, het grote graaien, de roekeloosheid waarmee bankiers risico’s namen - was het met de oude economische elite nooit zo ver gekomen?
Zo snel er wordt geroepen om een (nieuwe) elite, zo onduidelijk blijft wie dat zijn. In de 21ste eeuw zijn er meer en verscheidener elites dan ooit. Als de elite ons gaat redden, hebben we het dan over de politieke, culturele, bestuurlijke of over de economische elite? Of toch een select gezelschap aristocraten?
De elite bestaat niet. Dat zagen de klassieke elite-theoretici, Gaetano Mosca, Vilfredo Pareto en Robert Michels al. Volgens deze rechtse denkers was de voornaamste maatschappelijke tegenstelling niet die tussen kapitaal en arbeid, maar die tussen elite en massa. De Italiaanse politieke wetenschapper Mosca (1858-1941) maakte daarbij onderscheid in hoe de elite haar leden rekruteert. Dat kan democratisch, bijvoorbeeld via het onderwijs of verkiezingen, maar ook op aristocratische wijze, op basis van afkomst, waarbij de familie reeds tot de elite behoorde.
Ook tegenwoordig nog wordt het stempel 'elite’ op twee heel verschillende manieren gebruikt. Soms slaat het op een afgebakende groep die, zich bewust van haar positie, macht uitoefent. Soms worden er de 'besten’ op een bepaald terrein mee aangeduid. Zij die objectief het meest presteren. Dat kunnen topbestuurders zijn, maar net zo goed topvoetballers of topmodellen.
DE EERSTE DEFINITIE van een erfelijke elite lijkt onverzoenbaar met liberale denkbeelden. Bovendien toont de geschiedenis dat de financiële onafhankelijkheid en de codes van de adel geen garantie voor onafhankelijk denken zijn. Tegenover roemrijke rolmodellen staan minstens zo veel negatieve voorbeelden. Zelfs de voor zijn aanslag op Hitler bewonderde Graf Von Stauffenberg was voor de oorlog een rechts-extremist.
Maar ook de diverse meritocratische elites die onder de tweede definitie vallen, voldoen bij nadere inspectie niet aan het progressieve droombeeld. De economische elite, van wie in de neoliberale jaren negentig menigeen hoopte dat zij via een zakenkabinet orde op zaken zou stellen in de 'BV Nederland’, is op z'n laatst door de kredietcrisis gediscrediteerd. Trouwens, wie valt daar eigenlijk onder? Is de economische elite het old boys-netwerk of gaat het om de nieuwe generatie van snelle zakenbankiers? Zijn dat de chauvinistische vastgoedjongens die Fortuyn en Verdonk steunden, of is het toch het meer kosmopolitische geluid van werkgeversorganisatie VNO-NCW die tegen Wilders waarschuwt? En wie had achteraf gezien werkelijk gewild dat Dirk Scheringa vorig jaar zijn zin zou hebben gekregen en als gevolmachtigd crisisminister de recessie te lijf was gegaan?
Zelfs van de denkers en deskundigen, de groep waar de progressieve intellectuelen in hun pleidooien voor een nieuwe elite waarschijnlijk op doelen, valt weinig heil te verwachten. Hoe vervelend Guusje ter Horst, Dick Pels en Meindert Fennema het misschien ook vinden, tot die Bildungselite behoren net zo goed collega-denkers als Paul Cliteur, Arend Jan Boekestijn en Jaffe Vink. De geestelijke elite aan de macht? Dat kan dus ook Afshin Ellian als minister voor Wonen, Wijken en Integratie betekenen.
Natuurlijk bestaan er in objectieve zin elites; mensen die op grond van afkomst, opleiding, positie of bankrekening meer te zeggen hebben. Dat betekent niet dat zij ook iets beters te zeggen hebben, al helemaal niet als het gaat over wat goed is voor de samenleving. Zodra we aan elites morele verwachtingen ophangen, wordt het problematisch.
Dat geldt niet alleen voor de oude, maar net zo goed voor de gedroomde, toekomstige elites, hoe goed die ook zijn opgeleid. De Duitse filosoof Boris Groys noemde het onlangs in een interview zelfs gevaarlijk om uit het niets een nieuwe elite te willen installeren aan de top van de samenleving. 'Het ontstaan van elites is een maatschappelijk proces, dat nu eens de ene groep mensen naar boven stuwt, dan weer een andere’, zei Groys. 'Die processen zijn niet te voorspellen en niet te sturen. Het probleem van alle totalitaire projecten is dat zij denken te kunnen beslissen wie onder welke historische voorwaarden succes moet hebben.’ Enig verband tussen wijsheid en elite ziet Groys niet: 'Je kunt je makkelijk een samenleving voorstellen waarin de elite uitsluitend bestaat uit mensen zonder Bildung. Zoiets kost tijd en energie. Bildung leidt eigenlijk af van succes.’

DAT MET DIRK SCHERINGA of Afshin Ellian het land niet veel beter af zal zijn, ligt voor de hand. De kritiek op de elite als verlosser is zo'n open deur dat het verbazing wekt hoe hardnekkig het idee blijft rondwaren. Interessanter dan de vraag óf de elite Nederland kan redden, is de vraag waarom zoveel progressieve denkers en politici er hun hoop op vestigen.
Daarmee lopen ze geenszins uit de pas. Sinds Fortuyn wordt alom gepleit voor sterk leiderschap - dat waar het opduikt meteen weer ter discussie wordt gesteld. Rechts-populisten zoeken hun heil bij een daadkrachtige leider die 'doorpakt’ en zo de kloof tussen politiek en burger zou kunnen overbruggen. Progressieven zetten in toenemende mate in op een wijze elite die deze kloof juist in stand moet houden of zelfs vergroten.
Bij alle verschillen delen de Wilders-aanhang en hun tegenstanders daarmee één belangrijk kenmerk. Zij kunnen politieke verandering nog slechts denken als het resultaat van individuele prestaties. Prestaties van een ander bovendien. Niet wijzelf, gezamenlijk, maar een sterke leider of elite moet ons uit de penarie helpen.
Dat is ongetwijfeld het gevolg van de individualistische tijdgeest. Politieke partijen zien hun ledenaantallen teruglopen. De vakbonden geloven getuige het AOW-debacle ook zelf niet meer in hun vermogen om met collectieve acties invloed uit te oefenen. Sociale bewegingen, of ze zich nu tegen kernwapens, Dodewaard of de apartheid in Zuid-Afrika richtten, worden gezien als iets uit het verleden. Sowieso ontbreekt het geloof in de mensenmenigte die voor dit alles in beweging moet worden gezet. De massa, die stemt toch Wilders?
In zo'n klimaat vertrouwen steeds meer progressieve hoogopgeleiden liever op 'ons soort mensen’. De samenleving is op drift, het volk irrationeel. Alleen in de discussie met weldenkende vrienden, bekenden en collega’s, bijvoorbeeld op de universiteit, is er nog een klik. Waarom dan niet de massa rechts laten liggen en fantaseren over een Nederland waarin die beschaafde elite de lakens uitdeelt?
Hoe begrijpelijk ook, dat is een doodlopende weg. Het druist in tegen linkse idealen van democratie en emancipatie. En het is een strategische blunder van jewelste. In een reactie op Wouter Bos’ uitspraak dat Nederland kampt met een tekort aan elite, stelde SP-leider Agnes Kant terecht dat sociale verworvenheden als stemrecht en minimumloon niet ontstaan zijn dankzij een elite, maar 'afgedwongen, door de strijd van gewone mensen’. Natuurlijk speelde een elite van volksverheffers hier ook een rol in. Maar daarbij mag niet vergeten worden dat zo'n organische elite slechts kan ontstaan in wisselwerking met massabewegingen.
Waren Domela Nieuwenhuis en Troelstra nog afkomstig uit de 'betere’ kringen, zeker in de loop van de twintigste eeuw bracht de socialistische aanhang de eigen elite voor een groot deel zelf voort. En net zo goed als de massa niet zonder de elite kon, bestond die laatste bij de gratie van haar aanhangers. In dat kader heeft de historicus Henk te Velde opgemerkt dat charismatische volksverheffers als Troelstra vaak door hun aanhang werden uitverkozen, in plaats van omgekeerd.
HET ALOUDE LINKSE CREDO 'samen staan we sterk’ geldt ook vandaag de dag nog. De individualisering maakt het moeilijker om grote groepen te mobiliseren. Het machtsverlies van de nationale politiek doet het bovendien vaak zinloos voorkomen. En toch zijn de schaarse linkse successen van de laatste jaren veelal op het conto van gemeenschappelijke actie te schrijven - van het generaal pardon en het tegenhouden van de liberalisering van de huurmarkt, tot de keer dat de vakbonden wél hun achterban voluit durfden te mobiliseren en met een vol Museumplein de hervormingsdrift van het kabinet-Balkenende II intoomden.
Wie uit teleurstelling over de massa inzet op een weldenkende elite zal bedrogen uitkomen. Maar er is nog een andere, minder welwillende uitleg van het fenomeen van de progressieve eliteflirt. Laten we de functieomschrijving van de gevraagde elite eens nader bekijken. De gewenste leiders van Nederland zijn 'kosmopolitisch’, 'open’ en 'tolerant’. Ze hebben geen moeite met 'onzekerheid’, 'globalisering’ en 'flexibilisering’. En ze houden er een economische hervormingsagenda op na, waarbij taboes als versoepeling van het ontslagrecht niet uit de weg worden gegaan. Dat heeft warempel veel weg van het verkiezingsprogramma van een partij als D66 of GroenLinks. Of het verlanglijstje van de nieuwe, hoogopgeleide burgerij.
Zou het misschien zo kunnen zijn dat de roep om een boven de partijen staande elite een poging is om de politieke ideeën van de creatieve klasse door te drukken? Wat gepresenteerd wordt als een reeks rationele, verstandige maatregelen, is in feite het politiek program van de klasse die het minst te vrezen heeft van de geglobaliseerde, flexibele kenniseconomie. Niet toevallig maken ook de progressieve academici deel uit van die nieuwe burgerij.
Dat is op z'n best uit te leggen als het gevolg van de blinde vlek bij academici voor hun eigen klassen-achtergrond. Minder welwillend kunnen we spreken van een dubbele agenda. Het succes dat Wilders oogst met zijn gekijf op de hypocriete 'links-liberale grachtengordelelite’ is zo bezien niet helemaal onbegrijpelijk. Met de aantekening dat Wilders zelf net zo goed tot de elite behoort, zij het een andere, met een concurrerend eliteproject. Dat steeds meer tegenstanders hem desondanks weg laten komen met zijn gespeelde anti-elitisme is onverstandig. Dat ze zich gedwee schikken in Wilders’ geliefde vriend/vijand-terminologie, waarin de 'gewone man’ tegenover de elite staat, is ronduit dom. Of, om het jargon van Wilders maar meteen helemaal over te nemen: knettergek.