Biënnale van Venetië

De encyclopedie

Politiek is geen hoofdzaak op deze Biënnale. En waar de curatoren in voorgaande jaren liefst met Grote Gebaren en Grote Kunstenaars kwamen, is de opzet nu bescheiden. Geen Koons en Hirst, wel outsiders en veel verbeeldingskracht.

De hoofdmoot van de Biënnale 2013, de tentoonstelling Il Palazzo Enciclopedico is een verrassing. De teneur is kleinschalig, museaal, introvert en wonderlijk, als een achttiende-eeuwse Kunstkammer, een kosmos op schaal, waarin geprobeerd wordt de verwarrende rijkdom van het leven op de planeet samen te vatten. Je vindt er geen Koons, geen Kapoor, geen Hirst: de tentoonstelling zit juist vol met werk van kunstenaars die volkomen buiten de bestaande orthodoxie vallen of zelfs helemaal geen kunstenaar zijn. Er zijn vreemde zieners bij, religieuze dwepers, gekken en gekkinnen, lieden die aan ‘automatisch tekenen’ deden, gestuurd door ‘machten van boven’.

U moet weten dat de Biënnale van Venetië uit twee delen bestaat. In de statige oude loodsen van het Arsenaal en in het oude Italiaanse paviljoen in het parkje aan de oostzijde van de stad, de Giardini, presenteert curator Massimiliano Gioni een groot en eigenzinnig ensemble, getiteld Il Palazzo Enciclopedio. Daarnaast zijn er presentaties van honderden kunstenaars onder de vlag van een land. Sommige van die landen doen dat al tientallen jaren en de elite onder hen heeft een eigen paviljoen in die Giardini. Argentinië, Zuid-Afrika en de Verenigde Arabische Emiraten hebben dit jaar ook een vaste plek verworven; alle andere landen vinden elke twee jaar tijdelijk onderdak in één van de honderden leegstaande pakhuizen, kerken of palazzi her en der in de stad.

Het behoort tot de charmes van het evenement de hoofdtentoonstellingen te bezoeken en daarna te dolen door de Venetiaanse stegen om opeens te stuiten op de tentoonstelling van, zeg, IJsland, de Malediven en Armenië. Je vindt Estland ergens vijfhoog in een palazzo bij S. Samuele, pal naast Bosnië-Herzegovina. Portugal zit op een boot, de Bahama’s hebben opeens een enorme ruimte in het Arsenaal ingenomen, met een curieuze expositie over een reis naar de Noordpool. Je kunt presentaties treffen van Newfoundland, Kenya, Wales en Kosovo. Het Vaticaan is er dit jaar voor het eerst bij, net als Irak en Angola – dat meteen de Gouden Leeuw kreeg toegekend. Dan zijn er ook nog de reguliere musea die voor de gelegenheid uitpakken en er zijn prestigieuze particuliere instellingen – Prada, Palazzo Grassi, Punto della Dogana, de Pinchuk-prijs – die proberen zich te onderscheiden met peperdure presentaties.

De meest interessante landententoonstellingen zijn die waarvan de organisatoren een eigen idee hebben over de plaats van kunst in de 21ste eeuw. Zij maken hun nauwe nationale belang ondergeschikt aan het bredere culturele belang van de presentatie. De Duitsers, bijvoorbeeld, tonen werk van de Duitser Romuald Karmakar gepaard aan werk van Santu Mofokeng uit Zuid-Afrika, Dayanita Singh uit Delhi en de Chinese geweldenaar Ai Weiwei. Er zijn landen die een veel minder vrijzinnige aanpak hebben. Zij willen vooral ‘het eigene’ laten zien. Dat ontstijgt soms nauwelijks de folklore of de souvenirwinkel. Oekraïne opende de show met vrolijke volksdansen in klederdracht, Egypte toont een gouden sarcofaag, Azerbeidjan houdt ’t bij ‘ornamenten’. Misschien begrijpelijk, want de Azeri werden twee jaar geleden nog door hun bekrompen staatshoofd op de vingers getikt omdat er te veel vrouwelijk vlees te zien zou zijn.

De grote hoofdtentoonstelling zet de toon. Tien jaar geleden was ’t allemaal politiek wat de klok sloeg, de oorlog in Irak, de relatie met ontwikkelingslanden, het verzuimd Afrika, nu is politiek bijzaak geworden en zoekt de curator naar de bron van de verbeeldingskracht zelf.

Gioni – verbonden aan het New Museum, New York – ontleende zijn titel aan een curieus project van ene Marino Auriti (1891-1980), een verder volkomen onbekende Italiaans-­Amerikaanse autodidact, die in 1955 een idee liet patenteren voor een museum van 136 verdiepingen waarin alle ontdekkingen en uitvindingen van de mens moesten worden ondergebracht. In eerdere Biënnale-tentoonstellingen lieten de curatoren zich maar wat graag verleiden tot Zeer Grote Gebaren, enorme werken van Grote Kunstenaars met een wow-factor, die de toeschouwer meteen het gevoel geven dat hij zijn entreegeld eruit heeft. Gioni heeft gekozen voor een meer compacte, rigide opzet, meer een ouderwetse verzameling etnografica dan een hedendaagse-kunst-museum, met ruimtes waar ook kleine werken tot hun recht kunnen komen. Zijn Palazzo wil laten zien hoe de drang tot encyclopedische ordening kan leiden tot een ‘delirium van de verbeelding’. In het Arsenaal wordt kennis over de aarde gevisualiseerd, bijvoorbeeld in een nonchalant werk van Steve McQueen. Hij toont de foto’s die aan boord zijn van de Voyager-satelliet, bijeengebracht om een buitenaardse beschaving te tonen hoe het leven op aarde eruitziet. Vervolgens laat Gioni die inventarisaties overgaan in groteske visies op het leven zelf, met absurde menselijke figuren, vervormde portretten, waarbij Paul ­McCarthy en Duane Hanson op de proppen komen. Ten slotte gaat het discours over in de weergave van ‘internal images’, dromen, hallucinaties en visioenen, en belanden we in de digitale wereld, met leuk onbegrijpelijk werk van Mark Leckey en een enorm scherm met visuele kakafonie van Stan Vanderbeek.

De keuze voor Auriti als inspiratie is ook tekenend voor Gioni’s visie op de kunstenaar. Hij kiest niet voor de grote namen, maar voor ‘outsider artists’, onbekend, soms op de grens van de geestelijke gezondheid en hij kijkt daarbij ver terug, naar de prehistorie van het digitale tijdperk, tot diep in de negentiende eeuw. Voor die dorst naar ultieme kennis moet je immers wel zoeken naar niet-kunstenaars als Carl Jung, Rudolf Steiner, Aleister Crowley en Frieda Harris. Een kunstenaar is voor Gioni iedereen die in het ‘hedendaagse magma van beelden’ een beeld kan produceren of vinden dat zich verzet tegen de simplificaties die zo typisch zijn voor de hedendaagse visuele cultuur.

Die opvatting heeft zijn handicaps, maar de verrassing is heel plezierig. Wie had ooit gehoord van Levi Fisher Ames (1843-1923), een militair uit de Amerikaanse Burgeroorlog die houten figuurtjes sneed van echte en niet-bestaande dieren? Gioni toont er enkele tientallen, opgesteld in kleine kistjes zoals Ames ze zelf ooit liet zien op kermissen in de mid-west. Ik had nog nooit gehoord van de Zweedse mystica Hilma af Klint (1862-1944), die ooit een visioen kreeg en vervolgens duizenden afbeeldingen van planeten en zonnen en kosmische stelsels op het doek zette. Evenmin kende ik de voormalige mijnwerker Augustin Lesage (1876-1954), die in de mijn bedacht dat hij ‘van boven’ de complete christelijke kosmos ‘doorkreeg’ en dat op doek moest zetten. Die snuiters bevinden zich in een zaal met een werk van Roger Hiorns, die de vloer bedekte met het stof van een fijngemalen altaarsteen uit een Engelse kerk. Dat is ook esoterisch, op een bepaalde manier, maar Hiorns zal zich verbaasd hebben over zijn onbekende buren. Net zo staan twee eerbiedwaardige gouden stèles van James Lee Byars tegenover zotte tarotkaarten van duivelaanbidder Aleister Crowley. De kunstenaar Oliver Croy toont 387 Märklin-achtige modelhuisjes, gemaakt door de Weense verzekeringsagent Peter Fritz, gevonden in een uitdragerij. En dan heeft Gioni ook het werk van de Siberische fabrieksfotograaf Nikolai Baharev (1946) opgeduikeld, die in de jaren zeventig fantastische zwart-witfoto’s maakte van halfnaakte recreanten in de bossen rond Novokoeznetsk.

Deze zoektocht naar de elementaire kracht van de kunstenmaker en de even elementaire kracht van het beeld dat dat oplevert, is ook buiten de hoofdentoonstelling te bespeuren. De presentaties van Spanje, België en Nederland, bijvoorbeeld, drie buren in de Giardini, zijn allemaal zeer kloeke werken van één kunstenaar, gekozen op ‘beeldkracht’, niet op context of een ideologisch programma.

Toch is de politiek nooit ver. Alleen al de aanwezigheid van de Volksrepubliek China is politiek, en bij uitstek een presentatie waar de kijker alert moet zijn op valse klanken. Ai Weiwei heeft een eigen presentatie, op twee locaties in de stad, waaronder even koddige als gruwelijke diorama’s waarin zijn eigen gevangenschap wordt verbeeld. De Griek Stefanos Tsivopoulos – in 2006 resident van de Rijksakademie, Amsterdam – toont in zijn nationale paviljoen History Zero, 2013, drie integere films, die een verhaal vertellen over een zwarte morgenster in Athene, die in de container boeketten vindt gemaakt van eurobiljetten. De Grieken hebben overigens – uit trots – geen spie bezuinigd op hun Biënnale-budget. De Georgiërs timmerden een houten gebouwtje boven op een vervallen pand, om zaken te onderzoeken als de wildgroei in architectuur in eigen land. Hongarije wijdt zijn presentatie aan onontplofte munitie.

Onder de sociaal geëngageerde kunstenaars steken er twee met kop en schouders boven de anderen uit. Een niet te missen show is English Magic van Jeremy Deller in het Britse paviljoen. Deller maakte een fris, afwisselend, bij tijd en wijle virtuoos portret-in-fragmenten van hedendaags Engeland. Hij toont tekeningen van kopstukken uit de Irak-oorlog, gemaakt door gedetineerde Irak-veteranen. Her en der hangen vuistbijlen en pijlpunten; een grote wandschildering toont hoe de negentiende-eeuwse kunstenaar William Morris het absurde jacht van Roman Abramovich de lagune in keilt en daartegenover hangen originele drukblokken van Morris’ behangsels. Een kiekendief neemt wraak op een Range Rover, die in een filmpje wordt geplet bij de autosloop. Er is óók een Brits theestalletje. Het is geestig, en tegelijk zeer doordacht en af en toe hoogst schrijnend.

Maar de prijs voor de sterkste, meest geëngageerde en meest vooruit-kijkende kunst moet wat mij betreft gaan naar The Enclave van Richard Mosse (1980) in het Ierse paviljoen. Mosse werkt ergens op de grens van documentaire fotografie en de kunsten. The Enclave toont op een zestal schermen in een aardedonkere ruimte beelden van het leven in het oorlogsgebied van Oost-Congo, die Mosse in drie jaar verzamelde. Gewone verslaggeving doet de sheer hell die daar heerst altijd te kort, en Mosse’s project is een manier om te proberen zoiets toch zichtbaar en navoelbaar te maken. De conventies van oorlogsverslaggeving gaan bij hem samen met ongewone artistieke middelen, om te beginnen het gebruik van filmmateriaal waarin het groen is vervangen door helder magenta. Langzaam glijdt de steadicam door de rode natuur, langs soldaten en lijken, langs panische vluchtelingen en murw geslagen mensen, bijeengebracht voor een krankzinnig dorpsfeest, alles begeleid door een even zorgvuldig gecomponeerde geluidslaag. Het is een meesterwerk. Het doet nog ’t meest denken aan de serene, roes-achtige scènes uit Apocalypse Now, als captain Benjamin L. Willard de rivier op vaart, de hel tegemoet, maar het is vele malen beklemmender dan dat, juist door de krankzinnige schoonheid. Het zou niet tot een kunsttentoonstelling beperkt moeten blijven.


Biennale di Venezia, tot 24 november. www.labiennale.org